[p. 555]
II
[p. 556]
[Bewogen vlakte van Irdîn
Zij schoof den linteldock op zij]
MIJN hart bekent, dat zij het is,
die het vernielt en niet ontziet;
Mijn leven is de losgeldsom,
of zij het weet of weet het niet.
ZIJ schoof den linteldoek op zij
en hare schoonheid werd gezien
en in dit sluimrend duivennest
huist mijn verlangensvalk sindsdien.
BEWOGEN vlakte van Irdîn,
o duinen van een blakend strand
De zee van mijn verlangen zwelt
te sterven in uw oeverzand.
[p. 557]
[De mokkend opgeworpen mond]
DE mokkend opgeworpen mond
bezeten lang en lang gekust,
De eeuwigheidverlangensdrift
gelenigd en alree gesust.
De roem, verwaten, bloedgekocht,
gespild in achtelooze hand,
Het pralend raadsel des bestaans
bezien met koele oogenstand.
[p. 558]
[Ik ben een zwerver overal]
IK ben een zwerver overal,
een doler en een vagebond
en een, die uit zich zelf geen pad,
geen omkeer en geen uitweg vond.
Ik ben een napraatpapegaai,
ik ben een open spiegelrond.
des Eeuwigen gesproken woord,
het hapert in mijn stamelmond.
[p. 559]
[Zoek heil en heul in uw gedichten; doe als ik]
ZOEK heil en heul in uw gedichten; doe als ik
en denk om roem en eer geen oogenblik,
maar vind in verzen vrede en zielsgeluk.
Veracht de wereld en zijn valsch behagen
in afbreuk doen, wat groot is te verlagen
en al het kleine en slinksche hoog te dragen.