terug  begin  verderprepost
[p. 42]

II

[p. 43]

Idylle (Zij hadden heel den warmen zomerdag)

 
Zij hadden heel den warmen zomerdag
 
te zamen over veld en hei gedwaald,
 
een kleine schaar van licht gekleede meisjes
 
en jonge mannen, allen opgetogen
 
door 't blauw des hemels en den zonneschijn,
 
en lachend om d' onschuldige plagerijen,
 
de scherts, die door den dartelen wind ontwaakte.
 
Nu zaten zij met de ouderen van dagen
 
en met de kleinen, wien de tocht te ver was,
 
in schemerdonker onder den kastanjeboom,
 
waar stil een tuinlamp brandde en op de tafel
 
den Rijnwijn in de glazen gloeien deed.
 
Zoo rustten ze uit met frischheid op de wangen,
 
met oogen, die nog straalden van genot,
 
en spraken van den dag die thans voorbij was.
 
En onderwijl vereenigden de meisjes
 
de meegenomen bloemen tot een' ruiker,
 
en toonden aan de gastvrouw al de schoonste
 
en noemden haar de plaats, waar zij ze vonden.
 
Maar eene vlocht een krans van korenbloemen
 
en zette lachend dien op 't ranke hoofdje
 
van 't mooiste meisje uit den ganschen kring.
 
Een licht blond kopje was 't, vol jeugd en onschuld;
 
toch had zij heimelijk, toen 't nog winter was
 
en scherpe sneeuwjacht langs de ramen stoof,
 
geluisterd naar de taal en zachten aandrang
 
van hem, die haar sinds lang had uitverkoren,
 
en gaarne had ze hem heur hart gegeven
 
en in zijn arm gelegen: overweldigd
 
door al de weelde der ontwaakte liefde
 
en schreiend van geluk. Toen scheidden zij.
 
Sinds ging de lente heen en kwam de zomer,
[p. 44]
 
de rozen bloeiden en de dag werd korter.
 
Nog bleef ze alleen en helder al de dagen
 
verlangde in stilte en verborg haar vreugde,
 
want in de gansche stad vermoedde niemand
 
haar zoet geheim, dat, hoe 't haar ook vervulde,
 
toch bleef bewaard, zóó had ze hem beloofd. -
 
Aldus deed toen deze argelooze scherts
 
de rechte keus. Want toen de andere gasten
 
haar zagen in haar nog verhoogde pracht,
 
die sterker trof door d' ongewonen tooi,
 
toen klapte 't jonge volkje in de handen
 
en allen riepen: ‘Zie, zij is de bruid!’
 
Ja, zelfs de grijze gastvrouw vroeg ondeugend
 
of niemand rechten had op 't frissche mondje,
 
wat zìj althans een wonder noemen dorst,
 
en allen lachten: ‘Ja, ze is lang verloofd!
 
Hoe zou 't ook anders? Daardoor was ze heden
 
zo blij en spraakzaam, de aardigste van allen.’
 
Het meisje boog het hoofdje neer en dankte
 
de duisternis en 't zwakke licht der lamp,
 
die haren blos voor elk verborgen hielden.
 
Toen trachtte ze aan den twijfelenden kring
 
al stamelend haar onschuld te bewijzen,
 
maar schertsend wilde niemand haar gelooven,
 
en toen de schalksche gastheer ein delijk nog
 
een dronk aan hem bracht, die ze ooit lief zou krijgen,
 
toen namen allen 't glas op, allen klonken
 
met 't schuchter meisje op haren bruidegom,
 
en van de jonge mannen was er niemand
 
of hij benijdde hem, op wien men dronk.
[p. 45]
 
Maar later, toen ze alleen was op haar kamer,
 
toen kreeg zij uit een lade het portret
 
van hem, naar wien ze reeds zooveel verlangd had
 
en keek het aan en knikte 't lachend toe
 
en wenschte, dat hij bij haar wezen mocht
 
en haar aldus mocht zien, getooid met bloemen
 
als zijne bruid, en dat ze 't blonde kopje
 
mocht leggen aan zijn borst en hem vertellen
 
van al haar liefde en overgroot geluk.
 
 
 
Juli 1887
[p. 46]

[Ploutoon]

 
Daar is maar een, die rijk is, waarlijk rijk,
 
wiens schatten grooter worden zonder einde;
 
dat is de dood; want alles wat geweest is
 
bezit hij reeds en wat er nu bestaat,
 
wat onze geest begrijpt dat ooit zal komen,
 
dat alles wordt zijn eigen en nog meer.
 
 
 
November 1887
[p. 47]

[Klokkenspel]

 
Ding, ding! ding dong ding!
 
de klokken moeten klinken
 
ver over stad en land
 
en blijde boodschap brengen:
 
de Meimaand is op hand.
 
De Mei wordt ingeluid, verbruid,
 
dat is een zoet geluid:
 
Ding, ding, ding dong ding.
 
 
 
Weest vroolijk dan, gij burgers,
 
er komt een blijde tijd.
 
De winter met zijn zorgen,
 
daar wordt ge van bevrijd.
 
De dagen zullen lengen
 
en door de vensterruit
 
dringt koestrend zonlicht binnen,
 
op 't dak de lijster fluit:
 
Ding, ding, ding dong ding.
 
 
 
En in de straten, kling, klang, kling,
 
wandelt menig aardig ding,
 
of kijkt het venster uit
 
en ziet omhoog naar de oude toren
 
van waar ze vroolijke boodschap hooren:
 
De Mei wordt ingeluid:
 
Ding, ding.
 
 
 
Ja, lacht maar, schalksche meisjes, gij,
 
veel bloemen groeien er in de Mei -
 
weet gij wat dat beduidt?
 
Pas op met die bloemen in het haar;
 
komt ge straks nog voor 't altaar,
[p. 48]
 
dan wordt er voor de jonge bruid
 
Ding, dong, ding,
 
de klok geluid:
 
Dong! dong!
 
 
 
Weest allen blijde en zingt een lied
 
en wilt bedenken: de tijd gaat snel.
 
Vergeet den winter en zijn verdriet,
 
verblijdt uw hart met zang en spel!
 
Want Mei is gekomen, het jaar is jong:
 
Ding, dong!
[p. 49]

Idylle (In den vochtigen Novembermorgen)

 
In den vochtigen Novembermorgen
 
komen twee studenten van 't college,
 
onder d'arm een pak geleerde boeken,
 
en nog sprekend over 't pas gehoorde.
 
Als zij omslaan bij de bocht der straten,
 
zien ze langs de huizen sierlijk tripplend,
 
zachtjes op de ranke enkels wieglend
 
een bevallig meisje, dat hen nadert.
 
En nieuwsgierig zwijgen de studenten,
 
kijken in 't gezichtje, dat nabijkomt
 
en hun blik vergastte op veel kostlijks.
 
Want wat is er lieflijker te vinden
 
dan wanneer in heldre meisjesoogen
 
louter blijdschap en gezondheid tintelt:
 
op de vochte, licht gezwollen lippen,
 
die nog door geen kus ontgloeiden,
 
op het dons der ongerepte wangen,
 
welk verlangen bloeit daar, hoeveel wenschen!
 
En dat alles zagen de studenten
 
's morgens in den killen winternevel.
 
Maar het meisje voelde hunne blikken,
 
want terwijl ze met verhaaste schreden
 
hen voorbijging, bloosde ze verlegen.
 
Vluchtig, schichtig zag ze 't drieste paar aan,
 
en dan ging ze verder half verdrietig,
 
half gevleid door de ongewone aandacht.
 
Drommels, wat een aardig kopje, zeide
 
een der twee, en 't was als woei er eensklaps
 
door den kouden, grijzen wintermorgen,
 
door de vale scheemring hunner studie,
 
eene frissche, zoete lenteadem,
 
en als trilden door den loomen nevel,
[p. 50]
 
door hun ziel veel heldre klare tonen,
 
die er stil verlangen wakker riepen.
 
Beiden zwegen nog een tijdlang, toen
 
stootte d'een den ander aan en vraagde:
 
‘Zeg, wat hadt ge liever in den arm:
 
zulk een meisje of al die wijze boeken?’
[p. 51]

[Caligula's dood]

 
'T Is feest in Rome; op de straten hangt
 
een zware stofwolk en daaronder gonst
 
in doffe mengeling joelen, zingen, schreeuwen,
 
want van den circus stuwt een dicht gedrang
 
voort langs de huizen; ieder praat en lacht
 
in uitgelaten vreugde of duwt en scheldt
 
en balt den vuist, dan weer is 't een bekende,
 
die luid wordt aangeroepen, fluiten, zingen
 
stijgt alles op in 't trillend heete zonlicht, -
 
tot men uiteengaat: boven aller hoofden,
 
verschijnt de jonge keizer op zijn draagstoel,
 
verweerde Batavieren torsen dien,
 
en rondom stralen zilvren lansen, schilden,
 
met kunst gedreven helmen; boven 't hoofd
 
des Caesars wuiven blauwe pauweveeren
 
en purperen gewaden, bonte zijde
 
met gouddoorweven ruischen door het volk,
 
en ‘Heil den Caesar, Heil Caligula’
 
zoo davert het, men klapt, men wuift,
 
en aller oogen zwelgen in de pracht,
 
die daar voorbij gaat en de moeders beuren
 
haar kinderen hoog op, - maar hij, de keizer,
 
zat zwijgend op zijn zetel, 't hoofd gebukt,
 
en niets bewoog op 't bleeke aangezicht:
 
alleen de lippen waren trotsch gekruld.
 
En droomend ging zijn blik de rijen langs,
 
terwijl hij door de franje van zijn kleed
 
zijn fonkelende vingers spelend gaan liet.
 
Zoo gaat hij voort, tot aan 't Palatium.
 
Daar houdt men stil, en als hij op de trappen
 
gestegen is en 't juichen dubbel aangroeit,
 
dan toeft hij even voor 't naar binnen gaan,
[p. 52]
 
ziet naar de schare en verachtelijk
 
trekt hij de schouder op en treedt de gang in. -
 
Het volk zwijgt, door de rijen gaat gemompel,
 
op de aangezichten trekt nog de oude trots
 
maar even slechts, en dan herdenkt het weer
 
den luister van de spelen, 's keizers gave
 
en het vervult bij 't weggaan nog de lucht
 
van zegewenschen voor den milden Caesar! -
 
In het Palatium is 't koel en rustig
 
en als de keizer door de zuilen gaat,
 
haalt hij diep adem en ‘ik ben nog moede’,
 
zoo zegt hij, ‘van het late maal van gistren
 
en de Falerner bonst nog in mijn hoofd;
 
en dan die woeste drommen, o, dat volk,
 
ik haat het met zijn plompe eerbewijzen.
 
Het wil zijn liefde toonen en verdringt zich,
 
verspert de straten, krijscht in rauwe kreten.
 
Dan zal ik komen, knikken, minzaam zijn,
 
terwijl er wolken stof en lauwe geuren
 
als uit een kudde vee, om 't hoofd mij stijgen,
 
en elk den botten mond wijd open spert,
 
met strakken blik mij aangaapt; o, gepeupel,
 
hadt gij toch al te zamen éénen nek,
 
hoe spoedig rolde 't hoofd u voor de voeten!’
 
Verwenschend gaat de keizer voort; daar ruischt
 
een schaar van rijk gekleede Grieksche zangers
 
hem tegemoet: ‘Ei, dat is goed bedacht,
 
toont daad'lijk uwe kunst,’ zoo zegt hij nu,
 
‘'t gewelf zal uw geluid versterken.’ Men begint
 
een loflied op den Caesar, maar hij roept:
 
‘Houdt op, dat lied is oud, ik ken 't van buiten.
 
Is dat het nieuwste, wat men zingt in Hellas?
[p. 53]
 
Ik wil een andren zang, die zacht bedwelmend
 
mijne ooren rust geeft na het feestgewoel.
 
Hebt ge geen danseressen in uw midden?’
 
Men knikt van ja en uit der mannen kring
 
treedt nu een slanke vrouw uit Azie,
 
met vurige oogen, lichtgebruinde leden.
 
Ze buigt en spreidt een bont tapijt op 't marmer,
 
dan legt ze 't bovenkleed af; een doorzichtig
 
en ragfijn weefsel plooit zich om haar lichaam
 
en ritselt bij het golven van den boezem, -
 
ze geeft een teeken en de zang begint:
 
een smeltend lied, daarin weerklinkt gedempt
 
een smachtend klagen en de zoete smart
 
der wellust, zie in 't oog der danseres
 
trilt angstig smeeken en haar boezem zwoegt;
 
een zucht dringt door de lippen en ze strekt
 
haar armen uit als riep ze om den beminde.
 
Allengs zwelt dan de zang aan tot een hijgen
 
van liefdedorst en jubelende weelde
 
en lokkend wiegt de vrouw het heerlijk lichaam
 
zacht op de lenige enkels, 't hoofd terug geneigd,
 
een glimlach dartelt om den mond, terwijl ze
 
haar oogen sluit, als zwijmend van genot. -
 
De keizer is voldaan, hij knikt met 't hoofd
 
de maat van 't lied en lodderoogig slaat hij
 
het sierlijk spel der ranke leden gade
 
en van zijn hand werpt hij de vrouw een ring toe;
 
dan zegt hij tot zijn hovelingen: ‘zorgt
 
dat deze lieden heden avond hier zijn
 
en mij ter ruste zingen: bij hun' tonen
 
moet het, dunkt mij, zoet zijn in te sluimeren.’...
 
‘Dat zult ge spoedig weten,’ klinkt een stem,
[p. 54]
 
cen zwaard wordt opgeheven, treft den keizer,
 
die wankelt, wendt zich om; een tweede boort
 
hem midden door de borst, dan stort hij neder,
 
en twintig zwaarden woelen in zijn vleesch
 
in wilde drift; dan sluiten zich de daders
 
aaneen en dringen met gevelde punt
 
door de verbijsterden, en vluchten heen!
 
Eén gillende angstkreet klinkt door 't prachtgebouw,
 
dan stuiven allen weg, een enkle blikt er
 
nog even huivrend om en sluipt dan voort.
 
En eenzaam ligt de keizer neer op 't marmer
 
en slechts een tikken ritselt in de stilte
 
van 't bloed, dat neerdrupt op den kouden steen.
[p. 55]

[Als in de werkplaats van den steenenhouwer]

 
ALS in de werkplaats van den steenenhouwer,
 
waar 't druk is en rumoerig: hier staat een
 
en bikt een engelengezicht uit 't marmer,
 
een kinderkopje, dat de onschuldige oogen
 
ten hemel slaat, voorzichtig glijdt de beitel
 
langs kin en wangen; naast hem staat een werkman
 
en hakt uit donkeren steen een duivelstronie
 
of middeleeuwsche grillige gedrochten.
 
En verder wordt een steenen urn voltooid,
 
een grafsieraad, als borg het asch der dooden.
 
En door de gansche werkplaats klinkt het kloppen,
 
de heldre klank van 't ijzer op den steen
 
en jagend volgt de tik der eene hamer
 
op dien der andere als in dollen wedloop. -
 
Zoo gaan er veel gedachten door mijn hoofd
 
en arbeiden en worden tot gedichten.
[p. 56]

[Een kozend minnedeuntje]

 
EEN kozend minnedeuntje,
 
dat vleit en streelt en zacht
 
zich indringt in de harten,
 
als ik dat heb bedacht.
 
 
 
Dan komt mijn vriend, de musicus,
 
en maakt een fraaie wijs;
 
daarmee gaat dan het liedeke
 
door 't heele land op reis.
 
 
 
Zoo zingen en hooren het velen
 
en denken over 't gedicht.
 
Maar eene alleen zal raden
 
aan wie het is gericht.
[p. 57]

[Jeugd]

 
Veel gure regendagen bij de boeken
 
in studie doorgebracht; veel winternachten
 
bij wijn en vrienden lachend doorgewaakt.
 
En in den zomer verre wandeltochten
 
en droomen in het gras, veel groote plannen,
 
nog grooter woorden; meisjes plagen, stoeien,
 
gezoen en nu en dan een vleugje liefde,
 
een wenk, een oogopslag, een stout begeeren
 
als blauwe heuvels, schemerend hier en daar
 
door dichte stammen van het donkre bosch.
[p. 58]

[Oostersch]

 
Grijze olijventakken hangen
 
over witte pleistermuren
 
en daarachter uit den tuin stijgt
 
snarenklank, een gonzend tokklen.
 
 
 
Als het sommen van den kever
 
hangend over bonte kelken,
 
gouden zonnestralen spelen
 
op smaragden vleugelschilden.
 
 
 
En ik vraag den boom, die neerziet
 
in den tuin en in de straten:
 
‘is 't de logge haremwachter
 
die daar speelt op de theorbe?
 
 
 
Of ligt soms de blanke Fatmé
 
loom in 't weeke gras en staart zich
 
blind in 't felle licht, - gedachteloos
 
gaan haar vingers door de snaren?’
[p. 59]

[Zomernacht]

 
Maneschijn is uit den hemel
 
als een dauwen neergezegen,
 
heeft de bosschen overgoten
 
en vloeit weg in 't gladde water.
 
 
 
En aamechtig drinkt het water,
 
drinkt het woud den lichten regen;
 
stilte, een wellustig zwijgen
 
ligt er op de zwoele landen.
 
 
 
In de biezen suist een wuiven,
 
een geklapwiek van den zwaan, die
 
wakend in den lauwen nacht, zich
 
uit het water beurt en opvliegt.
 
 
 
Zwiepend slaan zijn vlerken, dat er
 
duizend klare droppels stuiven,
 
en verblindend straalt het maanlicht
 
op den hals, de blanke pluimen.
 
 
 
En op breedgestrekte vleugels
 
wiegt hij naar de blauwe verte;
 
onder in den donkren vijver
 
volgt het beeld den witten vogel.
 
 
 
Van de vochte wieken drupt het
 
in het lillend vlak; een lichten
 
stuiptrekt over 't meer, als gingen
 
zoete droomen door zijn sluimer.
[p. 60]

De parel van Toledo (uit het Spaansch)

 
Wie zal zeggen, of het zonlicht
 
's morgens schooner is dan 's avonds?
 
Wie zal zeggen, of de amandel
 
of de olijf de schoonste boom is?
 
 
 
Wie zal zeggen, welke mannen
 
't dapperst zijn, die in Valencia
 
of in Andalusië wonen?
 
Wie zegt, welke vrouw de schoonste is?
 
 
 
Ik, ik zal u zeggen, welke
 
Vrouw de schoonste is van allen,
 
want dat is Aurora Vargas,
 
die de paarl is van Toledo.
 
 
 
Om zijn lans en om zijn beuklaar
 
heeft gevraagd de moor Tuzami;
 
en zijn lans ligt in zijn rechter,
 
van zijn hals zijn beuk'laar afhangt.
 
 
 
Neder daalt hij in zijn stallen,
 
onderzoekt zijn veertig merries
 
een voor een en eindlijk zegt hij:
 
‘de allerkrachtigste is Berga!
 
 
 
Op haar breede schoften haal ik
 
hier de parel van Toledo,
 
of, bij Allah, nimmer weder
 
zal Cordova mij aanschouwen!’
[p. 61]
 
En dan gaat hij en rijdt spoorslags,
 
tot hij aankomt te Toledo,
 
bij het Zacatin ontmoet hij
 
eenen grijsaard, die hij toespreekt:
 
 
 
‘Oude, wit van baard en haren,
 
breng dien brief naar don Gottiere,
 
don Gottiere de Saldam̂a,
 
dat hij kome als hij een man is.
 
 
 
Dat hij kome en met mij strijde
 
bij de springbron van Almami,
 
want de parel van Toledo
 
moet aan één van ons behooren.’
 
 
 
En de grijsaard neemt den brief aan,
 
brengt hem naar den graaf Saldam̂a,
 
die aan 't schaakbord zat en speelde
 
met de parel van Toledo.
 
 
 
Don Gottiere las de daging,
 
las den brief, die hem ten strijd riep,
 
en zijn hand slaat op den tafel,
 
dat de stukken nedertuimlen.
 
 
 
Hij staat op en om zijn stootlans,
 
om zijn edel strijdros vraagt hij.
 
Ook de paarl was opgerezen,
 
bevend over alle leden.
[p. 62]
 
Want zij wist, hij ging ten tweestrijd
 
en zij smeekte: ‘don Gottiere,
 
don Gottiere de Saldam̂a,
 
blijf en speel met mij aan 't schaakbord’.
 
 
 
‘Niet meer speel ik op het schaakbord,
 
ik zal spelen 't spel der lansen,
 
want de vorst der Mooren wacht mij
 
bij de springbron van Almami.’
 
 
 
En de tranen van Aurora
 
konden nimmer hem weerhouden,
 
want wat doet een ridder dralen,
 
als hij uittrekt naar een tweestrijd?
 
 
 
Maar de parel van Toledo
 
nam haar mantel; op haar muildier
 
steeg ze, reed dan door de straten
 
naar de springbron van Almami.
 
 
 
Rood is 't gras rondom de springbron,
 
rood is ook het helder water,
 
maar het is geen bloed eens Christens,
 
dat het gras kleurt en het water.
 
 
 
Want de moor Tuzami ligt daar,
 
ligt er ruggelings ter aarde,
 
in zijn borst steekt de afgebroken
 
lanspunt van den graaf Saldam̂a.
[p. 63]
 
Uit de wonde vliet zijn bloed weg
 
en zijn merrie Berga ziet hem
 
weenend aan, nu zij de wonde
 
van haar meester niet kan heelen.
 
 
 
Van haar muildier stijgt de parel:
 
‘Wanhoop niet, ge zult nog leven!
 
want mijn hand geneest de wonden,
 
die mijn ridder heeft geslagen.’
 
 
 
‘O, gij parel, die zoo blank zijt
 
en zoo rein, ach, ruk de lanspunt
 
uit mijn borst, waar 't koude ijzer
 
mij verstijft en mij vaneenscheurt.’
 
 
 
En zij nadert vol vertrouwen,
 
maar hij zamelt al zijn krachten
 
en met 't scherpe van zijn sabel
 
kerft hij 't aangezicht, zoo heerlijk.
 
 
 
(naar Mérimée)
[p. 64]

Δεδυϰε μεν ἁ σελανα

 
DE maan is lang van den hemel
 
en ook de Pleiaden zijn onder,
 
't is diep in den nacht geworden,
 
maar ik lig alleen op mijn leger.
 
 
 
O Zoilos, wie der vrouwen
 
ontrooft u aan mijn verlangen
 
en hangt in wellust verloren
 
aan uw hals en kust uwe oogen?
 
 
 
Wanneer ik hunker en hijgend
 
versmacht en dan weer schieten
 
er tranen van spijt in mijne oogen
 
en bijt ik wild op mijn lippen.
[p. 65]

['t Was zulk een zomeravond, als de landen]

 
't WAS zulk een zomeravond, als de landen
 
in weeldedronken zwijgen neder liggen;
 
er stijgen zwoele geuren in de stilte
 
uit bloem en boomen op en door de toppen
 
gaat zacht de wind, als hijgde 't woud van wellust. -
 
Langs 't eenzaam boschpad reed een amazone,
 
een meisje bloeiend in haar frissche jeugd;
 
het ranke lichaam wiegde in den zadel
 
en met verrukking zoog de ronde boezem
 
de zoelheid in en tintelde van liefde,
 
want naast haar reed een ruiter, haar verloofde,
 
die onder 't langzaam rijden om haar middel
 
den arm sloeg en zij leunde aan zijn schouder
 
en neigde 't hoofdje over tot een kus...
 
Maar eensklaps schrikken beide lachend op,
 
zij hooren stappen over 't dorre hout,
 
die naderen. ‘Wie dat wel wezen mag,
 
die ons zoo laat zelfs hier nog storen komt?’
 
Zoo vragen beiden, spotten nog een tijdlang,
 
totdat op eens het meisje zwijgt en bloost,
 
wanneer de wandelaar door de schemering nadert.
 
Want zag zij goed? - Ja, 't was dezelfde man,
 
dien zij maar kort gekend had, maar aan wien
 
zij langen tijd daarna had moeten denken.
 
Het was een vreemde droomer, stil, bescheiden,
 
om wien ze eerst in 't geheim gelachen had,
 
maar later, als zij spraken en zij opzag
 
en in zijn groote, rustige oogen keek,
 
bestierf het luchtig woord haar op de lippen.
 
En als hij dan vertelde van de landen,
 
die hij bereisd had en uit al zijn boeken
 
en van zijn eigen twijfel en gedachten,
[p. 66]
 
dan was 't als trof elk woord haar eigen hart,
 
dat medetrilde in wondere bekoring.
 
Maar hij was weggegaan en o! hoe dikwijls
 
had zij gewenscht nog ééns zijn stem te hooren
 
en vond een zoet genot om telkens weer
 
zijn woorden te herhalen, na te spreken,
 
en zij benijdde hem, bij wien hij nu vertoefde.
 
En toch, - allengs werd haar verlangen minder,
 
eerst was zij boos en spijtig om haar wuftheid,
 
die hem zoo schielijk reeds vergeten kon;
 
toen zwegen die verwijten, somtijds nog
 
ging vluchtig door haar droomen zijn gedaante,
 
en eindlijk werd het rustig in haar ziel. -
 
Dat alles was nu immers lang geleden,
 
vergeten lang; zij kreeg een ander lief. -
 
Een ander? Had zij hem dan lief gehad?
 
Zij had genoten en niet veel gedacht
 
en had verlangd, maar zonder rekenschap,
 
en was teruggeschrikt van 't onderzoek
 
naar hare neiging; was 't uit stillen angst,
 
dat zij zich zelve dan bekennen moest
 
hem lief te hebben zonder wederliefde? -
 
Maar nu, nu was hij daar en naderde.
 
Met bonzend harte wachtte zij hem af
 
en zag hem aan; maar hij keek even op
 
en kende haar niet weer; maar zij hem wel,
 
zij had hem daadlijk aan zijn blik herkend,
 
aan zijn gestalte en aan zijn droomend neerzien.
 
En nu kwam al het treurig zoet verlangen
 
en al de smart van vroeger in haar op
 
en neep haar borst toe. Maar zij wilde niet,
 
zij mocht daar niet aan denken en zij drukte
[p. 67]
 
de tanden samen: ‘weg! ik mag, ik zal niet!’
 
Maar telkens hoorde zij zijn voetstap weer,
 
een harde stem, die haar gedachten wegriep,
 
haar dwong te denken, hoe haar lot zou zijn,
 
als zij dien stillen man had mogen trouwen,
 
die zeker eenmaal nog bekend zou worden
 
in 't heele land; hoe trotsch ze dan zou zijn,
 
hoe hij haar alles dan zou moeten zeggen
 
wat in zijn rijken geest verborgen lag,
 
en zij werd angstig, wat hij wel zou denken
 
van hem, wiens bruid ze nu geworden was.
 
Goddank, het wreed geluid wordt flauwer, flauwer,
 
en langzaam komt haar weer 't geluk te binnen,
 
dat zij bezit en dat voor haar genoeg is;
 
weg gaan de vragen, die haar straks benauwden,
 
en zij herademt; ze is nog slechts nieuwsgierig,
 
wat hij weer overdacht zoo laat in 't bosch,
 
en wat hij al doorleefd had sinds hij weg was,
 
en spijtig is ze, dat hij haar niet groette.
 
Er sterft nog in den loomen avondwind
 
een laatst geruisch weg en nog één gedachte
 
gaat vluchtig door haar geest en ze is benieuwd,
 
welk meisje hij nog wel eens kiezen zou.
 
En als het dan weer stil is in het bosch,
 
is 't ook weer rustig in haar ziel geworden
 
en ze is verwonderd om haar eigen dwaasheid,
 
half spottend met de vreemde grillen die
 
verdwenen zijn met hem die ze verwekte.
 
En innig slaat zij de armen om haar liefste,
 
hangt aan zijn borst en ze omhelst hem vast,
 
hem, dien zij lief zal hebben wat zij kan
 
en die toch beter is dan veel geleerdheid.
[p. 68]

[Een enklen maal, wanneer ik moe te bed ging]

 
EEN enklen maal, wanneer ik moe te bed ging
 
en mij in 't naderen van den slaap verheug,
 
dan denk ik aan den dood en vraag mij zelven
 
of het dan evenzoo zal zijn, wanneer
 
voor de allerlaatste maal het daglicht tusschen
 
de zware wimpers schemert en verdwijnt.
 
Dan voel ik, dat het een genot moet zijn
 
voor hem, die moede is van den dag des levens,
 
als hij mag zinken in een diepen slaap;
 
hij denkt niet verder aan een andren morgen,
 
maar snakt naar rust alleen, naar donkre rust,
 
en zacht en zegenend komt voor hem de dood,
 
zooals een zorgend vader, als zijn kind
 
des avonds moe is van den langen dag
 
en de oogjes onder 't spel zijn toegevallen,
 
den kleine opbeurt en hem zacht te bed brengt,
 
voorzichtig, dat hij 't in zijn slaap niet stoort. -
 
Maar als nu eens de vader reeds des middags
 
zijn kind zegt, dat het tijd van slapen is
 
en 't jongske pruilt, dat het nu nog geen slaap heeft
 
en dat het met zijn vriendjes spelen moet,
 
en dat de zon nog buiten schijnt, - wat dan?
 
Zal dan het kind naar 't ernstig oog des vaders
 
opziend, vertrouwen dat het zoo het beste is?
 
of zal het eerst zich moede moeten schreien
 
voordat het inslaapt met betraanden wang?
[p. 69]

[Er wordt geklopt. De vader, die nog laat]

 
ER wordt geklopt. De vader, die nog laat
 
is opgebleven, nu zijn kind onwel is,
 
herkent het teeken; boven op den vloer
 
wordt met een stoel gestommeld door de zieke,
 
die wakker is en die naar hem verlangt.
 
Beangst, wat er nu weer mocht wezen, gaat hij
 
stil, dat hij de anderen niet wakker maakt,
 
de trap op. Als hij boven aan het bed komt,
 
zit 't meisje overeind en zegt tot hem:
 
‘O vader, 'k heb het zoo benauwd gehad,
 
en zie, 't is alles bloed, als 'k hoesten moet.’
 
En afgemat van 't spreken hoest het kind weer
 
en door de lippen dringt een licht rood vocht. -
 
Er vliegt een wilde schrik den vader aan
 
en blindverloren slaat hij beide armen
 
om 't mager, ranke lichaam, dat de hoest
 
nog schokken doet, en snikkend roept hij uit:
 
‘Marie, lief kind, je zult weer beter worden,
 
je wordt weer beter, is 't niet waar?’
 
Het kind
 
zag hem verwonderd aan met groote oogen;
 
toen werd het bleek, want in haar jonge ziel
 
kwam nu voor 't eerst een vreezen voor den dood,
 
nu ze aan de tranen van haar vader zag,
 
dat 't slecht met haar stond. En zij schreide bitter
 
en werd zoo diep bedroefd, wanneer zij dacht
 
dat zij haar vader en haar kleine broertje
 
zoo gauw al goeden dag zou moeten zeggen;
 
want in haar groote droefheid meende zij
[p. 70]
 
voortdurend, morgen reeds te zullen sterven
 
en wist niet, dat er eerst nog vele dagen
 
en nachten en nog veel benauwden angst
 
en harde pijn moest komen vóór den dood. -
 
 
 
Beneden in de kamer zat de vader
 
nog uren lang in zijn verslagenheid
 
en dacht zich moede en stomp op deze eene
 
verschrik'lijke gebeurtenis.
 
Er dringt
 
een blauwe schemer onder het gordijn door,
 
't wordt dag, nu gaat hij met onvasten stap
 
naar boven, zachtjens uit gewone voorzorg.
 
Als hij alleen is op de kamer en
 
zijn ledig bed ziet, denkt hij aan zijn doode vrouw
 
en valt dan schreiend op de kussens neer.
[p. 71]

[Herfst]

 
De blaren laten los en op den wind
 
drijven ze donker langs de grijze lucht,
 
alsof een vlucht verlaatte vogels wegtrok.
 
Onder de boomen hangt een scherpe geur
 
van vochten grond en van doorweekte blaren;
 
geen leven, geen geluid in 't grille licht,
 
dat gul door de ijle takken binnenvliet,
 
en eenzaam valt een schot, een verre knal,
 
die heel het woud vult, als waar' 't de eigen stem
 
van 't bosch, dat in sonoren toon verkondigt,
 
dat ergens op een dichte plek een vogel
 
getroffen hortend door de takken zakt
 
en naar beneden ploft, terwijl het bloed
 
rood langs de bruine veeren op den grond drupt.
[p. 72]

[Een portret]

 
In 't koude licht van den Museumzaal
 
hangt een portret; drie eeuwen is het oud
 
en 't werk van een der meesters uit die dagen.
 
In glinsterend brokaat en luchtig kantwerk
 
en zijdekleed staat daar een jonge vrouw.
 
Zij is van hoogen afkomst; dat getuigen
 
het aadlijk wapen op den achtergrond,
 
de zachte huid, de rondheid van het lichaam,
 
dat niet door de arbeid hoekig werd en dor,
 
of scherp geteekend door de levenszorgen.
 
Een liefelijk, zoet gezicht; in goudbruine oogen
 
blinkt nog de meisjesvroolijkheid van vroeger
 
en 't blanke voorhoofd is nog glad van rimpels.
 
Toch ligt er om den mond een droeve trek
 
van bang verdriet en vreezen voor de toekomst,
 
want de gevulde schoot bergt leven in zich,
 
een kind, dat wacht op den geboortedag,