terug  begin  verderprepost
[p. 110]

Odyssee
Alkinoosverhalen

[p. 111]

Van den kukloops

 
En hem antwoordende sprak toe de veelschrandere Odusseus,
 
‘Alkinoos, heerscher, zeer getoonde van al het volk,
 
voorwaar, wel is dit schoon, te hooren naar een zanger,
 
een zulke, als deze is, den goden gelijk in stem.
 
Want ik nu zeg, dat niet een streven bekoorlijker is,
 
dan als welbehagen ligt op het geheele volk,
 
en de gasten door de zaal luisteren naar den zanger,
 
gezeten op de rij, en bij hen vol zijn de tafels
 
van brood en vleeschstukken, en wijn uit het mengvat scheppend
 
de wijnschenker brengt en in giet in de bekers:
 
dat wel schijnt mij in mijn geest toe het schoonste te zijn.
 
Maar u keerde de ziel er zich heen, naar mijn rampen, de zuchtenrijke,
 
te vragen, op dat nog meer mij treurende ik zucht.
 
Wat het eerste dan en wat het laatste zal ik u af verhalen?
 
daar rampen vele mij gaven de goden, hemelingen.
 
Maar nu mijn naam eerst zal ik zeggen, opdat ook gij
 
die weet, en ik dan, ontvlucht den onmeedoogenden dag,
 
ulieden een gastvriend zij, ook veraf een huis bewonend.
 
Ik ben Odusseus, Laertes' zoon, die door alle listen
 
den menschen ter harte ga en mijn roem bereikt den hemel
 
en ik bewoon Ithake, het goedduidelijke, en daarin is een berg
 
Neriton, bladerenschuddend, zeer uítstekend; en rondom eilanden
 
vele worden bewoond, zeer nabij elkander,
 
Doulichion en Same en het woudrijke Zakunthos.
 
En zelf laag, het allerbovenste ligt het in zee
 
naar de duisternis, - maar gene afgezonderd naar dageraad en zon -
 
rotsig, maar een goede knapenvoedende; niet toch kan ik
 
iets anders zien, dat zoeter is dan zijn land?
 
Wel hield mij bij zich terug Kalupsoo, goddelijke der godinnen
[p. 112]
 
in gewelfde holen, begeerende dat ik haar gade ware,
 
en even zoo Kirke weerhield mij in hare woning,
 
Aiaie, de listenrijke, begeerende, dat ik haar gade ware,
 
maar mijn ziel in mijn borst nimmer overreedden zij.
 
Zoo wordt niets zoeter dan zijn vaderland en ouders,
 
zoo ook al iemand veraf een rijkelijk huis
 
in een vreemd land bewoont, afgezonderd van zijne ouders.
 
Welaan dan, laat ik ook mijn terugkeer, de veelrampige, verhalen,
 
dien mij Zeus toezond, den van Troie weg gaanden.
 
Van Ilion mij voerend, deed de wind mij de Kikones naderen,
 
(en) Ismaros; en daar verwoestte ik de stad en verdierf hen zelven
 
en uit de stad de gemalinnen en have vele genomen hebbende,
 
(ver) deelden wij, opdat niet iemand mij heenging, missende zijn deel.
 
Dan, voorwaar, dat wij met ijlende voet zouden vluchten,
 
drong ik aan, maar zij, de zeer onnoozelen, gehoorzaamden niet.
 
En toen werd veel wijn gedronken en vele schapen
 
slachtten zij langs het strand en waggelvoetige, kromgehoornde runderen.
 
En onderwijl dan schreeuwden de vliedende Kikones tot de Kikones,
 
die hun buren waren, tegelijk meer en dapperder
 
het vasteland bewonende, wetende vanaf den wagen
 
met mannen te strijden en waar het moet te voet.
 
Zij kwamen vervolgens, zoovele blaren en bloemen worden in het lentgetij,
 
in den nevel: toen dan genaakte een slecht lot van Zeus
 
ons, rampzaligen, opdat wij rampen vele leden.
 
En opgesteld streden zij een strijd bij de snelle schepen
 
en wierpen elkander met gekoperde lansen.
[p. 113]
 
Zoolang nu het morgen was en toenam de heilige dag,
 
zoolang afwerende hielden wij hen uit, hoewel meer(deren) zijnde;
 
maar toen de zon omging tot de runderen afspanning,
 
toen dan verjoegen de Kikones, de Achaiers bedwongen hebbende.
 
En van elk schip zes gezellen met goede scheenplaten
 
kwamen om en de anderen, wij ontvluchtten dood en noodlot.
 
En vandaar verder voeren wij, bedroefd van hart,
 
blijde uit den dood, verloren hebbende onze metgezellen.
 
En dus niet verder gingen mij de schepen, de aan weerszijden gekromde,
 
vóór van de rampzalige metgezellen elk driemaal geroepen te hebben,
 
die stierven in de vlakte, door de Kikones gedood.
 
En den schepen wekte op een' Noordenwind de wolkengaarder Zeus
 
met ontzaggelijken storm en met wolken hulde hij in
 
de aarde tesamen en de zee, en hemel af was nacht gekomen.
 
En zij dan gingen voorover en hunne zeilen
 
in drieën en vieren reet uiteen het windgeweld.
 
En die nu lieten wij in de schepen neer, vreezende den ondergang,
 
maar hen zelven roeiden wij spoediglijk landwaarts.
 
Daar, twee nachten en twee dagen aanhoudend altijd
 
lagen wij, tegelijk van vermoeienis en van verdriet onze ziel terende.
 
Maar toen dan den derden dag Eoos vervulde, hij met het schoongevlochten haar,
 
toen, de masten opgesteld en de witte zeilen opgetrokken hebbende,
 
zaten wij, en de schepen stuurden de wind en de stuurlieden.
[p. 114]
 
En nu zou ongedeerd ik zijn gekomen in mijn vaderlijk land,
 
maar de golf en de strooming stiet mij, Maleia ombuigende,
 
weg en de Noordewind en deed mij dolen langs Kuthera.
 
En vandaar negen dagen werd ik gevoerd door verderfelijke winden
 
over de zee, de vischrijke; maar den tienden betraden wij
 
het land der Lootophagen, die bloemenspijze eten.
 
En daar aan land gingen wij en schepten water;
 
en snel namen de metgezellen een middagmaal bij de snelle schepen.
 
Maar toen van brood wij geproefd hadden en van drank,
 
toen dan zond ik gezellen uit, te vernemen heengaande,
 
wat voor mannen het waren, op het land brood etende,
 
twee mannen uitkiezende, een derden als heraut samen medegevende.
 
En zij snel heengegaan mengden zich onder de mannen Lootophagen.
 
En niet de Lootophagen beraamden den gezellen ondergang,
 
den onzen, maar hun gaven zij van den lootos te proeven.
 
En van hen, al wie van de lootos at de honigzoete vrucht,
 
niet meer wilde hij terug boodschappen noch weerom komen;
 
maar daar wilden zij met de mannen Lootophagen
 
lootos kauwende blijven, en den terugkeer verzuimden zij.
 
Hen nu voerde ik naar de schepen, met dwang de weenenden,
 
en in de gewelfde schepen onder de banken bondik, ze getrokken hebbend.
 
Maar de anderen beval ik, de trouwe metgezellen,
 
zich spoedende de schepen te bestijgen, de snelle,
 
opdat niet soms een, van den Lootos etend, den terugkeer verzuimde.
 
En zij stegen snel in en op de roeibanken zetten zij zich neer
 
en op een rij gezeten sloegen zij de grijze zee met de riemen
[p. 115]
 
en vandaar verder voeren wij, bedroefd van hart.
 
En naar het land van de Kukloopen, van de geweldigen, de wetteloozen,
 
kwamen wij, die dan op de goden vertrouwende, op de onsterfelijken,
 
noch planten met hun handen een gewas, noch ploegen,
 
maar dat, ongezaaid en ongeploegd, groeit het alles,
 
tarwe en gerst en wingerden, die dragen
 
wijn, diktrossigen, en voor hen Zeus' regen vermêert het.
 
En hen zijn noch vergaderingen, raadbrengende, noch wetten,
 
maar zij, van hoogen bergen bewonen zij de hoofden
 
in gewelfde holen en ieder recht
 
over kinderen en gaden en niet bekommeren zij zich om elkander.
 
Dan is een klein eiland buiten langs de bocht uitgestrekt,
 
het land der Kukloopen noch nabij noch veraf,
 
woudrijk en daarin telen ontelbare geiten,
 
wilde, want niet houdt hen het pad der menschen af,
 
noch gaan jagers daar binnen, die in het woud
 
moeiten lijden, de toppen der bergen afloopend.
 
Niet dus door kudden wordt het ingenomen, noch door beploegingen,
 
maar onbezaaid en onbeploegd alle dagen
 
derft het mannen maar voedt mekkende geiten,
 
want niet zijn der Kukloopen schepen ter hand, meniewangige,
 
noch mannen timmerlieden zijn onder hen, die zouden vervaardigen
 
schepen met goede boorden, welke alles zouden volbrengen,
 
naar de steden der menschen komend, zooals veel
 
de mannen naar elkander met schepen de zee doorsteken,
 
welke voor zich ook het eiland wel ingericht zouden maken.
 
Want niet slecht is het en zou alles tijdig opbrengen;
[p. 116]
 
want er in zijn weiden langs de oevers der grijze zee,
 
vochtige, weeke; zeer onvergankelijke wijnstokken zouden er zijn
 
en er in is glad ploegland en een zeer hoog zaadveld, altijd
 
op de getijden zouden zij maaien, daar een zeer vette grond er onder is.
 
En er in is een haven met goede reede, waar geen kabel van noode is,
 
noch om ankersteenen te werpen, noch achtersteventouwen vast te binden,
 
maar op het strand geloopen een tijd te blijven, totdat hun eigen
 
zin aanspoort en mee waaien de winden.
 
Maar aan het hoofd van de bocht stroomt blinkend water
 
een bron onder uit een hol en rondom populieren groeien.
 
Daar voeren wij aan land en een god leidde
 
door de nacht, de duistere, noch werd er voor gelicht te zien,
 
want een nevel was diep om de schepen en niet de maan
 
verscheen uit den hemel, maar werd bedekt door wolken.
 
Toen zag niemand het eiland met zijne oogen,
 
noch dus de lange golven, rollend naar het land,
 
zagen wij, aleer de schepen met goed boord aan land liepen.
 
En in de gelande schepen namen wij neer alle zeilen
 
en er uit gingen wij ook zelf op de breking der zee
 
en daar, afgeslapen, wachtten wij den goddelijken Eoos.
 
En toen de vroeggeborene verscheen, de rozevingerige Eoos,
 
het eiland bewonderende, doolden wij om daarover.
 
En op joegen de numfen, dochters van Zeus, den aigisdrager,
 
geiten, op de bergen legerende, opdat zouden middagmalen de makkers.
 
Dadelijk gekromde bogen en speren, langbuizige,
 
namen wij uit de schepen en uiteen, in drieën geordend,
 
wierpen wij en snel gaf de godheid een toereikende jacht.
[p. 117]
 
Schepen nu volgden mij twaalf en op elk
 
kwamen negen geiten en voor mij alleen nam ik er tien uit.
 
Zoo toen den ganschen dag door tot den ondergaanden zon
 
zaten wij, ons onthalend op nameloos veel vleesch en zoeten wijn.
 
Want nog niet was uit de schepen opgeteerd de roode wijn,
 
maar was er nog in, veel immers in kruiken wij allen
 
hadden wij geschept, der Kikones heilige stad ingenomen hebbende.
 
En naar het land der Kukloopen zagen wij, der nabij zijnden,
 
en de rook en hun eigen stem en van schapen en van geiten.
 
En toen de zon onderging en de duisternis aankwam,
 
toen dan gingen wij slapen op de breking van de zee.
 
En toen de vroeggeborene verscheen, de rozevingerige Eoos,
 
toen dan ik, een vergadering beleggend, onder allen sprak ik:
 
‘Gij anderen blijft nu, mijn trouwe metgezellen,
 
maar ik met mijn schip en met mijn metgezellen
 
zal heengegaan deze mannen beproeven, welke zij zijn,
 
of geweldenaars en wild en niet naar wetten levend,
 
of gastlievend en hun een godvreezende zin is.’
 
Zoo gesproken hebbende steeg ik op het schip en beval den gezellen
 
zelf in te stijgen en de achtersteventouwen los te maken.
 
En zij stegen snel in en op de roeibanken zetten zij zich neer
 
en op een rij gezeten sloegen zij de grijze zee met de riemen.
 
Maar toen wij de plaats bereikten, die nabij was,
 
daar dan op een uithoek zagen wij een hol bij de zee,
 
hoog, door laurieren overdekt en daar overnachtte
 
veel vee, schapen en geiten en rondom was een hof
 
hoog gebouwd met ingegraven steenen
 
en lange pijnen en eiken, hoog looverige.
 
En daarin overnachtte een man, een reusachtige, die het vee
[p. 118]
 
alleen weidde, veraf en niet onder de anderen
 
ging hij, maar afgezonderd verstond hij goddelooze dingen.
 
Immers een wonder was hij, een reusachtig, en hij geleek niet
 
een korenetenden man, maar op een top, een woudrijken,
 
van hooge bergen, die zich vertoont alleen van de anderen.
 
Toen dan beval ik de andere getrouwe makkers
 
daar bij het schip te blijven en het schip te bewaken.
 
Maar ik, uitgekozen hebbend van de gezellen de twaalf besten,
 
ging; maar een geitenvellen zak had ik met zwarten wijn,
 
zoeten, dien mij gaf Maroon, Euanthes' zoon,
 
priester van Apolloon, die Ismaros beschutte,
 
omdat wij hem met zijn kind omschermden en zijne vrouw,
 
schromende, want hij woonde in het boomenrijke heilige woud
 
van Phoibos Apolloon. Hij nu gaf mij prachtige geschenken:
 
hij gaf mij van goed gearbeid goud zeven talenten
 
en gaf mij een mengvat geheel zilveren, maar dan
 
wijn, in kruiken, twaalf te zamen, dien geschept hebbende,
 
zoeten, onvermengden, een goddelijken drank, en niet één
 
wist dien van de slaven noch van de dienaren in huis,
 
maar hij zelf en zijn gade en een toedeelster, ééne enkele.
 
En dien, als zij hem dronken, den honingzoeten rooden wijn,
 
één beker gevuld hebbende op telkens twintig maten waters,
 
goot hij en een zoete geur geurde van het mengvat,
 
een goddelijke; dan toch zich ver houden zou niet aangenaam zijn.
 
Van dien droeg ik, gevuld hebbende een groote zak, en mondkost
 
in een knapzak; dadelijk toch vermoedde mijn manhaftige ziel
 
tot een man te zullen komen, bekleed met groote kracht,
 
ruw, noch wetten wel kennend, noch recht.
 
En snel kwamen wij tot het hol en niet binnen
[p. 119]
 
vonden wij hem, maar hij weidde over de weide het vette vee.
 
En gegaan in het hol bezagen wij alles.
 
Het vlechtwerk was van kazen zwaar en de horden werden eng
 
van lammeren en geitjes, en afgezonderd waren allen
 
gescheiden, afzonderlijk de eerstgeborenen en afzonderlijk de tusschenlingen
 
en afzonderlijk weder de jongsten, en van wei vloeide over alle vaatwerk,
 
emmers en nappen, het vervaardigde, waar hij in melkte.
 
Toen smeekten mij eerst de metgezellen met woorden
 
van de kazen wegnemende terug te gaan, maar dan
 
haastig naar het snelle schip, de geitjes en lammeren
 
de horden uitgedreven hebbende, te bevaren het zilte water;
 
maar ik luisterde niet - voorwaar, veel voordeeliger ware het geweest -
 
opdat hem zelf ik zien mocht en of hij mij gastgeschenken gaf.
 
Niet dan zou hij den makkers verschenen welgevallig wezen.
 
En toen, een vuur brandende, offerden wij en ook zelf
 
van de kazen nemend, aten wij en wachtten hem binnen
 
gezeten, tot hij aankwam, weidende; en hij droeg een sterken last
 
van dor hout, opdat dat hem ten avondmaaltijd dienstig was,
 
en het binnen het hol werpend maakte hij geraas
 
en wij vreezende ijlden heen naar het binnenste van het hol.
 
Maar hij dreef in de breede grot het vette vee
 
alles juist, zooveel hij melkte, maar het mannelijke liet hij buitendeurs,
 
rammen en bokken, binnen den diepen hof.
 
Maar dan zette hij vóór een grooten steen, dien omhoog geheven hebbend,
 
een sterken; niet zouden dien twee en twintig wagens,
 
stevige, vierwielige, van den bodem hebben geheven;
 
zoo een groote, steile rots zette hij voor de deur.
[p. 120]
 
En neergezeten melkte hij de schapen en de blatende geiten
 
allen naar pas en het jong legde hij onder elke.
 
En dadelijk de helft stremmend van de witte melk,
 
in gevlochten manden bereidend, zette hij die neer,
 
en de helft weer plaatste hij in vaatwerk, opdat die hem
 
om te drinken voor den nemende zou zijn en hem ten avondmaaltijd dienstig.
 
Maar toen dan hij zich gespoed had, verrichtend zijne werken,
 
en toen stak hij een vuur aan en zag en vroeg ons:
 
‘O vreemdelingen, wie zijt gij? van waar vaart gij vochtige wegen?
 
Soms om gewin? of hebt gij doelloos gedoold
 
gelijk roovers over de zee, die dolen,
 
hun zielen inzettend, kwaad aan anderlanders brengende?’
 
Zoo sprak hij: maar ons dan werd neergebroken het harte,
 
van ons, die vreesden de zware stem, en het gedrocht zelf.
 
Maar ook zoo, hem met woorden antwoordende, sprak ik hem toe:
 
Wij nu, van Trooie weggedwaalde Achaiers,
 
door allerhande winden over de groote diepte der zee
 
huiswaarts strevend, zijn een anderen weg, andere paden
 
gekomen; zoo wel wilde Zeus beramen.
 
En krijgslieden van Atreus' zoon Agamemnoon roemen wij te zijn,
 
wiens roem nu de grootste is onder den hemel,
 
zoo groot een stad toch heeft hij verwoest en heeft verdorven krijgslieden
 
vele. Maar wij dan, komende tot uwe knieën
 
smeken of gij een gastgeschenk verschaft, of ook anderszins
 
een gave geven moogt, wat der gasten recht is.
 
Maar ontzie, edelste, de goden, en smeekelingen zijn wij u,
 
en Zeus is de wreker van smeekelingen en gastvrienden,
[p. 121]
 
(de gastbeschermer, die vreemdelingen medegeleidt, de eerbiedverdienende.)
 
Zoo sprak ik en hij antwoordde mij dadelijk met onbarmhartige ziel:
 
‘Onnoozel zijt gij, vreemdeling, of van verre zijt ge gekomen,
 
die mij de goden beveelt of te vreezen of te vlieden,
 
want niet de Kukloopen bekreunen zich om Zeus, den aigisdrager
 
noch om de zalige goden, daar voorwaar veel sterkeren wij zijn,
 
En niet zou ik, Zeus' vijandschap vliedend, sparen,
 
noch u noch uwe metgezellen, zoo niet mijn zin het mij zeide.
 
Maar zeg mij, waarheen gij, komend, gericht hebt uw goedbewerkte schip,
 
of ergens op een uithoek of ook dichtbij, opdat ik het verneme.’
 
Zoo sprak hij, mij beproevende, maar niet ontging hij mij, den veelwetenden,
 
maar hem ten antwoord sprak ik toe met listige woorden:
 
‘Ons schip verbrijzelde Poseidaoon, de aardscchudder,
 
het tegen rotsen werpend, aan het uiteinde van uw land,
 
het tegen een spits slaande en de wind voerde het uit zee;
 
maar ik met dezen ben ontvlucht het steile verderf.’
 
Zoo sprak ik; en hij antwoordde mij niets in zijn onbarmhartigen zin,
 
maar hij, opgesneld, sloeg aan de gezellen zijne handen
 
en twee samenpakkend, als jonge honden tegen de aarde
 
sloeg hij hen; en er uit vloeiden de hersenen naar den grond en bevochtigden de aarde.
 
En hen lidsgewijze uiteensnijdend bereidde hij zijn avondmaal;
 
en at als een leeuw op de bergen getogen, - en liet niet over,
 
ingewand, vleesch en beenderen vol merg.
 
Maar wij weenende hielden op tot Zeus de handen,
 
vermetele daden ziende; en radeloosheid had onze ziel.
[p. 122]
 
Maar toen de Kukloops zijn grooten buik gevuld had
 
menschenvleesch etend en daarbij onvermengde melk drinkend,
 
lag hij binnen het hol, zich uitstrekkend door het vee.
 
Hem nu bedacht ik in mijn manhaftigen geest,
 
om nader komend, het scherpe zwaard van mijn dij getrokken hebbend,
 
te wonden tegen de borst, waar het middenrif de lever omgeeft,
 
met de hand betastend; maar een andere gedachte weerhield mij.
 
Want daar zouden ook wij zijn omgekomen een snellen ondergang,
 
want niet zouden wij kunnen van de hooge deur
 
met onze handen wegstooten den sterken steen, dien hij had tegen gezet.
 
Zoo toen zuchtende wachtten wij de goddelijke Eoos.
 
En toen de vroeggeborene verscheen, de rozevingerige Eoos,
 
en toen stak hij een vuur aan en molk zijn heerlijk vee,
 
allen naar pas en het jong legde hij onder elke.
 
Maar toen dan hij zich gespoed had, verrichtend zijne werken,
 
twee wederom samenpakkend bereidde hij zijn maal.
 
En gemaaltijd hebbend dreef hij het hol uit het vette vee,
 
gemakkelijk wegnemend den groten deursteen; maar dan
 
zette hij dien weer voor, zoo als hij op een pijlkoker een deksel zou zetten.
 
En met veel getier dreef naar den berg zijn vette vee
 
de Kukloops. Maar ik werd achtergelaten, kwaad diepzinnende,
 
of soms ik hem zou doen boeten, en mij roem gaf Athene.
 
En dit scheen mij in mijn geest het beste plan toe:
 
van den Kukloops toch lag een groote knods langs de horde,
 
groen, van olijvenhout, dien had hij uitgesneden, opdat hij hem dragen zou
 
als hij gedroogd was, en wij vergeleken hem, aanschouwende,
 
zoo groot als een mast van een schip, een zwarten twintigroeier,
[p. 123]
 
van een breed vrachtschip, dat aflegt een grooten afstand;
 
zoo groot was de lengte, zoo groot de dikte te aanschouwen.
 
Daarvan nu sloeg ik af zooveel als een vadem, er bij zijnde gaan staan,
 
en legde het den gezellen voor, en af te schaven beval ik,
 
en zij maakten hem gelijk; maar ik spitste, er bij staande,
 
de punt en terstond hem vattend wentelde ik hem in brandend vuur.
 
En hem nu legde ik goed neer, wegbergend onder den mest,
 
die door het hol uitgespreid lag, zeer rijkelijk veel;
 
maar de anderen om het lot te werpen gebood ik,
 
wie zou wagen met mij mede den paal opbeurend,
 
die te draaien in het oog, wanneer hem zoete slaap zou bereiken.
 
En zij troffen, die ik ook zelf zou willen gekozen hebben,
 
vier, maar ik werd als vijfde met hen geteld.
 
En 's avonds kwam hij, het schoongevachte vee weidende
 
en dadelijk in het breede hol dreef hij het vette vee
 
alles juist en niet een liet hij binnen den diepen hof,
 
òf iets vermoedende òf ook een god heette hem zoo;
 
maar vervolgens zette hij den grooten steen voor, hem omhoog heffend.
 
En neer gezeten melkte hij schapen en blatende geiten
 
alles naar orde en het jong legde hij onder elke.
 
Maar toen dan hij zich gespoed had, verrichtend zijne werken,
 
weder twee samenpakkend bereidde hij zijn avondmaal.
 
En toen sprak ik den Kukloops toe, dicht bij hem staande,
 
een nap in de handen houdend met zwarten wijn:
 
‘Kukloops, daar, drink wijn, nu gij gegeten hebt menschen vleesch,
 
opdat gij ervaart, welk een drank hieraan het schip geborgen had,
 
het onze; en u nu een plengsel bracht ik, zoo gij mij erbarmend
[p. 124]
 
huiswaarts zondt, maar gij woedt, niet meer duldbaar.
 
Drieste, hoe zou iemand anders ook later tot u komen
 
van de vele menschen? daar gij niet naar pas hebt gedaan.’
 
Zoo sprak ik en hij nam het aan en dronk uit; en hij genoot vreeselijk,
 
den zoeten drank drinkend, en vroeg mij een tweede weder:
 
‘geef mij nog bereidwillig en uwen naam zeg mij
 
dadelijk nu, opdat ik u een gastgeschenk geve, waarin gij u verheugt,
 
want ook den Kukloopen brengt de korenschenkende akker
 
wijn, zwaartrossigen, en hun vermeert dien Zeus' regen,
 
maar dit is een brok van ambrosia en nektar.’
 
Zoo sprak hij maar hem schafte ik weder fonkelenden wijn.
 
Drie maal gaf ik brengend en drie maal dronk hij uit door zijn onwetendheid.
 
Maar toen den Kukloops om het verstand de wijn was gegaan,
 
en toen dan sprak ik hem aan met vleiende woorden:
 
‘Kukloops, gij vraagt mij mijn beroemden naam, maar ik zal dien u
 
uitzeggen, maar gij, geef mij het gastgeschenk, zooals gij op u naamt.
 
Niemand is mijn naam; en Niemand noemen mij
 
moeder en vader en alle andere metgezellen.’
 
Zoo sprak ik en hij antwoordde mij dadelijk met onbarmhartigen geest:
 
‘Niemand zal ik het laatste eten onder zijne gezellen,
 
en de anderen eerst; en dat zal u het gastgeschenk wezen.’
 
Hij sprak en teruggezonken viel hij achterover; maar dan
 
lag hij, afbuigend zijn dikken nek; en neer vatte hem
 
de slaap, aloverweldigend, en den strot uit ijlde wijn
 
en menschenbrokken, en hij braakte, wijnbezwaard.
 
En toen dreef ik den paal onder vele asch,
[p. 125]
 
opdat hij verwarmd zou worden; en met woorden alle makkers
 
bemoedigde ik, dat mij niet iemand vreezend zou terugwijken.
 
Maar toen dan dra de olijfhouten paal in het vuur zou
 
vlam vatten, hoewel groen zijnde, en hij scheen dóór vreeselijk,
 
en toen bracht ik hem nader uit het vuur, en rondom de makkers
 
stonden; maar moed blies in een groote daimoon.
 
En zij den paal vattend, den olijfhouten, scherp aan de punt,
 
duwden die in het oog en ik (van) boven op geheven,
 
draaide, zoo als een man boort een scheepsbalk
 
met een boor en zij van beneden bewegen die met een riem,
 
aanvattende van weerskanten, en hij loopt voortdurend altijd.
 
Zoo in zijn oog den vuurgewetten paal houdende,
 
draaiden wij en het bloed kookte rond om hem, den warm zijnden.
 
En gansch zijn oogleden rondom en wenkbrauwen, zengde de adem
 
van den brandenden oogappel en sissen deden hem door het vuur de wortels.
 
En zoo als een smidsman een grooten akst of een bijl
 
in koud water doopt, den luid sissenden
 
hardend - want dat nu is des ijzers kracht -
 
zoo siste zijn oog om den olijfhouten paal.
 
En geweldig luide jammerde hij, - rondom galmde de rots,
 
en wij vreezende ijlden heen. Maar hij rukte
 
den paal uit zijn oog, den bevlekten met veel bloed.
 
Dien dan wierp hij van zich met zijn handen, zinneloos,
 
maar hij riep de Kukloopen luide, die rondom hem
 
woonden in holen over de bergtoppen, de windige.
 
En zij het geschreeuw vernemend, kwamen van hier, van daar,
 
en staande om het hol vroegen zij, wat wel hem bekommeren mocht:
 
‘Wat toch, zoo zeer gekweld, Poluphemos, schreeuwdet gij zoo
[p. 126]
 
door den ambrosischen nacht en maakt gij ons slapeloos?
 
Er drijft toch niet iemand der sterfelingen uw vee weg tegen uwen wil?
 
Er doodt toch niet iemand u zelf met list of geweld?’
 
En hen weer uit het hol sprak toe de sterke Poluphemos:
 
‘O vrienden, Niemand doodt mij met list en niet met geweld.’
 
En zij antwoordende spraken gevleugelde woorden:
 
‘Indien dan niet iemand u geweld doet, den alleen zijnde:
 
een ziekte van den grooten Zeus is het niet mogelijk te ontvlieden,
 
maar gij, bid tot uwen vader Poseidaoon, den vorst.’
 
Zoo zeiden zij heengaande, maar mij lachte het hart,
 
zooals hem mijn naam misleidde en mijn voortreffelijke list.
 
En de Kukloops, kreunende en in weeën door de pijnen,
 
met de handen tastende, nam den steen weg van de deur,
 
maar zelf zette hij in het voordeursche zich neer, de handen uitstrekkend
 
of hij soms iemand grijpen mocht, met de schapen gaande buitendeurs;
 
want zoo onnoozel wel verwachtte hij in zijn geest dat ik wezen zou.
 
Maar ik beraadslaagde, hoe het het allerbeste zou worden,
 
of eenige verlossing van den dood voor de metgezellen en voor mij zelven
 
ik vinden mocht en alle listen en raad weefde ik
 
als om het leven, want groot kwaad was van nabij.
 
En dit scheen mij in mijn geest het beste besluit:
 
mannetjes schapen waren er welgevoede, dichtgewolde,
 
schoone en groote, viooldonkere wol hebbend;
 
die drong ik zwijgend tezamen met goedgedraaide twijgen,
 
op welke de Kukloops sliep, het gedrocht onrecht zinnend,
 
hen bij drieën nemend; die in het midden droeg een man
[p. 127]
 
en de beide anderen aan weerszijden gingen, reddende de metgezellen.
 
En drie schapen droegen elken man; maar ik nu, -
 
want een ram was er, van al het vee verreweg de beste, -
 
dien aan den rug vattend, onder den ruigen buik mij gekromd hebbend,
 
lag ik neer; maar met de handen aan de rijkelijke wol
 
voortdurend omgewend, hield ik mij vast, met uithoudenden moed.
 
Zoo wachtten toen wij zuchtende den goddelijken Eoos.
 
En toen de vroeggeborene verscheen, de rozenvingerige Eoos,
 
en toen dan snelde weidewaarts het mannelijke vee;
 
maar de vrouwtjes blaatten ongemolken om de horden,
 
want de uiers waren gezwollen. En de heer door kwade pijnen
 
verteerd, betastte van al zijn vee de ruggen
 
van de overeind gerichten: maar dat bemerkte de onnoozele niet,
 
dat hen onder de borsten der wolachtige schapen gebonden waren.
 
Het laatste van het vee schreed de ram naar buiten,
 
door zijn ruigte gedrukt en door mij, den velerlei denkenden.
 
En hem sprak betastende toe de sterke Poluphemos:
 
‘Ram lief, wat ijldet gij mij zoo door het hol, de laatste
 
van het vee; niet voorheen toch gaat gij, achtergebleven bij de schapen,
 
maar verreweg het eerst weidt gij de zachte bloemen van de weide,
 
groot stappend, en het eerst tot de stroomen der rivieren komt gij
 
en het eerst stalwaarts begeert gij heen te keeren,
 
's avonds; nu echter (zijt ge) het allerlaatste. Mist gij althans soms
 
het oog van den heer? Hem heeft een slechte man uitgeblind
[p. 128]
 
met zijn ellendige metgezellen, bedwongen hebbende mijn geest met wijn.
 
Niemand, dien ik zeg nog niet ontvlucht te zijn zijn ondergang.
 
Zoo gij eens gelijk van zin waart en toesprekend werd
 
te zeggen, waar gene mijne woede ontvliedt;
 
dan zouden hem de hersenen, door het hol herwaarts derwaarts,
 
van den verbrijzelden, gesprenkeld worden tegen den bodem en mijn hart
 
zou uitrusten van de rampen, die mij gaf de nietswaardige Niemand.’
 
Zoo gesproken hebbende zond hij den ram van zich heen naar buiten,
 
en gegaan een weinig van het hol en van den hof,
 
maakte ik het eerst van onder den ram mij los en verloste de makkers.
 
En snel de schapen, gestrektpootige, dik van vet,
 
dreven wij, veel ons wendende, voort, tot bij het schip
 
wij kwamen; en welkom aan onze makkers verschenen wij,
 
wij, die den dood ontvluchtten; maar de anderen betreurden zij, weeklagende.
 
Maar ik liet niet toe - maar met de wenkbrauwen wenkte ik ieder toe -
 
te weenen, maar ik beval snel schoonharige schapen
 
vele in het schip werpend, te bevaren het zilte water.
 
En zij stegen snel in en op de roeibanken zetten zij zich neer
 
en op een rij gezeten sloegen zij de grijze zee met hun riemen.
 
Maar toen ik zooveel weg was, als men doordringt schreeuwende,
 
en toen sprak ik den Kukloops toe met zielsnijdende woorden:
 
‘Kukloops, niet van een lafhartig man zoudt gij de makkers
 
eten in het gewelfde hol met krachtig geweld.
 
En maar al te zeer zouden u treffen kwade daden,
[p. 129]
 
vermetele, daar gij vreemdelingen niet ontzaagt in uw woning
 
te eten; daarom heeft u Zeus gestraft en de andere goden.’
 
Zoo sprak ik en hij toen vertoornde zich in zijn hart nog meer
 
en wierp, afbrekend den top van een grooten berg,
 
en neer wierp hij dien vóór langs het schip met donkeren steven
 
(en weinig scheelde het of den spits van het roer had hij bereikt)
 
en bewogen werd de zee onder den neerkomenden rots.
 
Maar het schip voerde terug landwaarts een terugbruisende golf
 
een vloed uit zee, en deed het aan land komen.
 
Maar ik met mijn handen aanvattende een zeer langen paalboom
 
stiet buiten langs en de makkers aansporende beval ik
 
de handen te slaan aan de riemgrepen opdat wij uit den nood ontvluchtten
 
met het hoofd neerknikkend; en zij voorovergevallen roeiden.
 
Maar toen dan wij tweemaal zoo veel, de zee doorvarende, verwijderd waren,
 
en toen sprak ik den Kukloops toe, en rondom de gezellen
 
met vleiende woorden weerhielden mij van hier en van daar:
 
‘Drieste, wat toch wilt gij tergen den wilden man?
 
die ook nu een zoo groot werptuig werpend het schip bracht
 
weer naar het land en reeds zeiden wij daar om te zullen komen.
 
En zoo hij een sprekenden of geluidgevenden had gehoord,
 
zou hij hebben saamgepletterd om de hoofden en de scheepsbalken,
 
met een puntig rotsblok werpend, want zoo groot werpt hij.’
 
Zoo zeiden zij maar niet overreedden zij mijn groothartige ziel,
 
maar hem weder sprak ik toe met wrokkende ziel:
 
‘Kukloops, zoo u soms een der sterfelijke menschen
 
van uw oog vraagt de smadelijke blinding,
 
zeg dan dat Odusseus, de stedenverwoester, het heeft uitgeblind,
 
de zoon van Laertes, hij die in Ithake zijne woning heeft!’
[p. 130]
 
Zoo sprak ik en hij jammerende antwoordde mij met een woord:
 
‘O wee, voorwaar, nu komen over mij voorheengezegde godsspraken.
 
Er was hier een waarzeggend man, dapper en groot,
 
Telemos, Eurymos' zoon, die in waarzegging uitmuntte
 
en waarzeggende oud werd bij de Kukloopen;
 
die mij zeide dat dit alles volbracht zou worden later,
 
dat ik door de handen van Odusseus zou missen het gezicht.
 
Maar altijd eenigen grooten man en schoonen verwachtte ik,
 
dat hier zou komen, met groote kracht bekleed.
 
Maar nu hebt gij mij, gering zijnde en nietig en zwak,
 
het oog geblind, nadat gij mij overweldigdet met wijn.
 
Maar welaan, hierheen Odusseus, opdat ik u gastgeschenken voorzette
 
en u geleide te geven aanzet den beroemden aardschudder.
 
Want van dien ben ik een kind, en mijn vader beroemt hij zich te zijn;
 
en zelf, zoo hij wil, zal hij mij heelen en niet iemand anders
 
noch van de zalige goden noch van de sterfelijke menschen.’
 
Zoo sprak hij, maar ik hem antwoordende sprak tot hem:
 
‘O dat ik toch van ziel en leven u verstoken makend,
 
u vermocht te zenden het huis van Ais binnen,
 
zoo als niet uw oog zal heelen, zelfs niet de aardschudder.’
 
Zoo sprak ik, maar hij dan tot Poseidaoon, den heer,
 
bad hij, de handen uitstrekkend naar den hemel, den sterrenrijken:
 
‘Hoor Poseidaoon, aardomvatter, donkerharige,
 
zoo waarlijk ik de uwe ben, en mijn vader gij u beroemt te zijn,
 
geef, dat niet Odusseus, de stedenverwoester, huiswaarts keere,
 
de zoon van Laertes, hij die in Ithake zijn woning heeft,
 
maar zoo hem ook het lot is zijn vrienden te zien en te komen
[p. 131]
 
naar zijn huis, het welgestichte en naar zijn vaderlandschen grond,
 
laat, rampzalig moge hij komen, verloren hebbend alle metgezellen
 
op een andermans' schip en vinde rampen in zijn woning.’
 
Zoo sprak hij biddende en hem hoorde de donkerharige.
 
Maar hij opnieuw een veel grooteren steen opgeheven hebbend,
 
wierp dien gedraaid hebbende en hij zette er tegen matelooze kracht.
 
En neer wierp hij dien achter het schip met donkeren voorsteven,
 
en weinig scheelde het of den spits van het roer had hij bereikt,
 
(en bewogen werd de zee onder den neerkomenden rots.
 
Maar het schip voerde vooruit de golf en deed het aan land komen.)
 
Maar toen wij dan bij het eiland aankwamen, waar de andere
 
schepen met goede roeibanken wachtten gezamenlijk en rondom de makkers
 
zaten treurende, ons verwachtende altijd,
 
lieten wij het schip, daar gekomen, landen in het zand,
 
en er uit ook zelf gingen wij op de breking der zee.
 
En de schapen van den Kukloops uit het gewelfde schip genomen hebbende,
 
deelden wij, opdat niet iemand mij heenging, missende zijn deel.
 
En den ram aan mij alleen gaven de makkers met goede scheenplaten
 
van de verdeeld wordende schapen bijzonder; en hem op het strand
 
aan Zeus, den donkergewolkten, den Kronos' zoon, die over alles heerscht,
 
offerend verbrandde ik de schenkels. Maar hij gaf geen acht om de offers,
 
maar hij peinsde, hoe om zouden komen alle
[p. 132]
 
schepen met goede roeibanken en mijn trouwe makkers.
 
Zoo toen den ganschen dag door tot den ondergaanden zon
 
zaten wij, ons onthalende op onnoemelijk veel vleesch en zoeten wijn;
 
en toen de zon onderging en de duisternis aankwam,
 
toen dan gingen wij slapen op de breking van de zee.
 
En toe de vroeggeborene verscheen, de rozevingerige Eoos,
 
toen dan de makkers aanzettende beval ik
 
zelf in te stijgen en de achtersteventouwen los te maken.
 
En zij stegen snel in, en op de roeibanken zetten zij zich neer
 
en op een rij gezeten sloegen zij de grijze zee met de riemen.
 
En van daar verder voeren wij, bedroefd van hart,
 
blijde uit den dood, verloren hebbende onze metgezellen.
[p. 133]

Van Aiolos en de Laistrugoonen en Kirke

 
En naar het Aiolos' eiland kwamen wij; en daar woonde
 
Aiolos, Hippotes' zoon, dierbaar den onsterfelijken goden,
 
in een drijvend eiland; en rondom het gansche (is) een muur
 
koperen, onverbrekelijk; en glad loopt op de rots.
 
Van hem zijn twaalf kinderen in het huis geboren,
 
zes nu dochteren, en zes zonen, manbare.
 
Daar gaf hij de dochters aan de zonen, gaden te zijn.
 
En zij altijd bij hunnen lieven vader en zorgende moeder
 
maaltijden, en bij hen liggen talloze verkwikkingen;
 
en de zaal, van braadlucht vol, weerklinkt rondom door gezang,
 
de dagen, maar de nachten weer bij hunne eerzame echtgenooten
 
slapen zij in waden en in doorboorde bedden.
 
En van hen bereikten wij de stad en schoone woningen.
 
En den ganschen maand deed hij mij liefs en vroeg alles uit,
 
Ilios en de schepen der Argeiers en de terugkeer der Achaiers;
 
en ik verhaalde hem alles naar orde af.
 
Maar toen dan ook ik den weg gans vroeg, en vroeg
 
mij heen te zenden, weigerde ook gene niet(s) en rustte het geleide toe.
 
En hij gaf mij, afgevild hebbende, een lederzak van een rund, een negenjarig,
 
en daar bond hij der bulderende winden wegen in weg;
 
want genen tot toedeeler der winden maakte Kronos' zoon
 
èn te bedaren èn op te wekken, wie hij ook wil -
 
en in het holle schip bond hij hen toe met een snoer, een blinkend,
 
(een) zilveren, dat niet iets er door zou waaien, hoe weinig ook.
 
Maar voor mij zond hij het geblaas van den Zephuros uit, te waaien,
 
opdat hij voerde de schepen en ons zelven; maar niet dus zou hij
 
het voleindigen; want wij verdierven door ons eigen onverstand.
 
Negen dagen nu voeren wij, gelijkelijk nachten en dagen,
[p. 134]
 
maar in den tienden verscheen het vaderlandsche land,
 
en reeds zagen wij vurenbezorgenden, dichtbijzijnden.
 
Toen kwam tot mij zoete slaap, tot den vermoeiden:
 
want steeds hanteerde ik de schoot van het schip en aan geen ander
 
gaf ik hem der makkers, opdat sneller wij zouden komen ten vaderlandschen bodem.
 
Maar zij, de gezellen, met woorden spraken zij tot elkander
 
en van mij zeiden zij, dat ik goud en zilver huiswaarts bracht,
 
geschenken van Aiolos, den groothartigen Hippotes' zoon.
 
En zoo sprak iemand, ziende naar een ander, een naaste:
 
‘O, wonder, zooals deze dierbaar en in eere is bij alle
 
menschen tot wier stad en land hij moge komen.
 
Vele schoone kostbaarheden nu voert hij uit Troie
 
van de buit, maar wij echter, den zelfden weg volbracht hebbende,
 
keeren huiswaarts terug, tevens ledige handen hebbende;
 
en nu gaf hem dit, terwille zijnde aan zijn vriendschap,
 
Aiolos. Maar welaan zien wij snel, wat dit is,
 
hoeveel goud (wel) en zilver in den zak is.’
 
Zoo zeiden zij en de slechte raad der gezellen overwon;
 
den zak nu maakten zij los en de winden snelden allen er uit;
 
en gene, ijlings gegrepen hebbende, dreef zeewaarts de orkaan,
 
de weenenden, weg van het vaderland. Maar ik,
 
ontwaakt, in mijn edele ziel overdacht ik,
 
of gevallen uit het schip ik zou omkomen in zee,
 
of stil zou dulden en nog wezen onder de levenden.
 
Maar ik duldde het en hield uit en, mij omhuld hebbende,
 
lag ik in het schip. Maar de schepen werden gevoerd door den boozen orkaan der winden
 
wederom naar het Aiolos' eiland en de gezellen zuchtten.
 
En daar aan land gingen wij en schepten water;
[p. 135]
 
en ijlings namen de gezellen het middagmaal bij de snelle schepen.
 
Maar toen van spijs wij geproefd hadden en van drank,
 
toen dan een heraut als geleide mij gegeven hebbende en een makker,
 
ging ik naar Aiolos' beroemde woning; en hem trof ik
 
maaltijdende bij zijne echtgenoote en zijne ki