terug  begin  verderprepost
[p. 278]

Eerste bedrijf

[p. 279]

Eerste tafreel

Straat voor het huis van Carudatta
Maitreya verdrietig
in de schermen

Noodig een anderen Brahmaan uit, ik ben vandaag bezet. - En toch, helaas, het is al zoo ver met mij gekomen, dat ik door de eerste de beste mij moet laten uitnoodigen, om althans iets te eten te krijgen. Ach, ongelukkige Maitréya, hoe was dat vroeger anders! Vroeger, toen mijn vriend, de edele Carudátta nog rijk was, werd hier dag en nacht gebraden en gekookt, dat alles vol hing van etenslucht. Ik was neergezeten aan de deur van het binnenhuis met wel honderd schoteltjes om mij heen als een schilder en om de beurt doopte ik er mijn vingers in en schoof ze weer terug. Als een stier op het marktplein stond ik te herkauwen. En nu? Mijn vriend is arm geworden, den ganschen dag zwerf ik rond naar alle kanten en 's-avonds keer ik hier terug om te overnachten als een doffer naar zijn til. Zie, daar komt hij aan om de huisgoden het offer te brengen.

Carudatta
komt uit het huis en strooit het offer, moedeloos ten hemel ziende
 
Waar eens op dezen drempel reigerscharen
 
en zwanen zwelgden in de offerand',
 
daar valt nu tusschen gras en onkruidhalmen
 
een luttel zaad, voor wormen lekkernij.
gaat langzaam het tooneel rond en zet zich neer
Maitreya
 
Heil Carudátta!
Carudatta
 
Ach, Maitréya hier?
 
Welkom en zet u neer.
[p. 280]
Maitreya gaat zitten
 
Heer, wat bepeinst ge?
Carudatta
 
Vriend, wie van overvloed in nooddruft valt,
 
zijn lichaam leeft, hij zelf is als een doode.
Maitreya
 
Hoe nu? Wat kiest ge liever, dood of armoe?
Carudatta
 
Een lichte keuze! Dood is korte pijn,
 
maar ach, wie ziet der armoe smarteneinde?
Maitreya
 
En troost u niet, dat, evenals de maan,
 
dat meer van nektar, door het gretig slurpen
 
der goden minder wordt, zoo ook uw schatten
 
afnamen door uw vrienden, overgingen
 
op die u dierbaar zijn?
Carudatta
 
Dat is het juist
 
wat mij zoo zeer doet, niet het geldverlies.
 
Geld komt en gaat, zooals het toeval wil,
 
maar dat de vriendschap, dat de trouwe omgang
 
zoo kan verkoelen, zoo wanhopig laf
 
zich af gaat keeren van den hulpelooze,
 
dat is mijn foltering. - Zij schuwen thans
 
mijn ledig huis, de gasten van weleer,
 
als bijen, die den olifant verlaten,
 
wanneer het vocht der paring is verdroogd,
[p. 281]
 
dat eens als honing afdroop van zijn slapen.
 
En dan, armoede brengt schaamachtigheid
 
en schaamte brengt kleineering, zelfontzinken,
 
zwaarmoedigheid, vertwijf'len, ondergang.
 
Ach, armoede is de bron van alle ramp! -
 
Het offer is gebracht; ga nu ook gij,
 
breng op den viersprong aan de Moeders gaven.
Maitreya
 
Ik? Neen! ik zie aan U wat offers baten
 
en bovendien, er komt in de avonduren
 
verdacht volk op den weg, brutale slaven,
 
brooddronken hovelingen, bajaderen,
 
neen, neen, ik ga niet.
Carudatta
 
Later dan, misschien.
Zij gaan het huis binnen
Stem achter de schermen

Hé daar, menschen! een speler gaat op den loop met een schuld van tien goudstukken! Grijpt hem, grijpt hem, houdt den dief!

Badknecht komt angstig aangeloopen

Dat ellendige spelen, dat vervloekte dobbelen, dat eeuwige verzot zijn op het oogengetal! Ik ontvlucht het en het pakt mij, ik verafschuw het en het laat mij niet los. Zoo ook vandaag weer, de speerworp heeft mij doodelijk getroffen als met een krijgsmanslans en de ezelsworp heeft een jong geworpen, dat een monster was en een gruwel om aan te zien. En daarom, toen ik den bankhouder verdiept zag in een lange berekening van wat ik in een kort oogenblik was kwijt geraakt, ben ik weggevlucht

[p. 282]

en de straat opgeloopen. Maar waar nu naar toe, wie helpt mij verder? Wacht, terwijl ze mij zoeken, ga ik hier met omgekeerde voeten naar die leege nis toe en stel het godenbeeld voor.

gaat als godenbeeld in de nis zitten
Mathura de speelbankhouder
een speler en volk

Menschen, een speler is aan den haal met tien goudstukken, grijpt hem, grijpt hem, houdt den dief! Waar is hij gebleven, die bedrieger van eerlijke menschen, waar is hij heen gestrompeld en gestruikeld in zijn angst, die schande van zijn gezin?

Speler

Hier heeft hij geloopen. En hier houdt het voetspoor op.

Mathura nadenkend

Een omgekeerd voetspoor, achterstevoren, en naar de nis met het godenbeeld? Wel, hij is er achteruitloopend naar toe gegaan! geeft den speler een veelbeteekenenden blik Een mooi godenbeeld, zoo aandachtig en zoo vroom en zoo bijzonder natuurlijk!

Speler

Wat is het voor een beeld? van hout?

Mathura

Wel neen, van steen, van echte steen, zwaar en hard en koud om aan te voelen; een mooi beeld en bijster natuurlijk. Maar kom, laten we hier een spelletje maken.

Zij zetten zich op de grond neer en beginnen te dobbelen
Badknecht
 
Als trommelklank den Koning zonder troon,
 
zoo roert het rammelen der dobbelsteenen
[p. 283]
 
den speler zonder geld. Ik mág niet meedoen,
 
en zál niet meedoen, maar het klinkt mij toe
 
zoet als een smachtend nachtegalenzingen.
Speler

Het is mijn beurt.

Mathura

Neen, mijn beurt!

Badknecht springt uit de nis

Neen, mijn beurt!

Speler

Aha, daar hebben we den vent!

Mathura

Zie zoo, nu voor den dag met je tien goudstukken, schavuit!

Badknecht

Edele Heer, ik zal u betalen.

Mathura

Onmiddellijk dan.

Badknecht

Onmiddellijk? dat zal moeilijk gaan. Ik buig nederig mijn hoofd en vraag ootmoedig om een klein uitstel. zij slaan hem Houdt op, houdt op, ik zal betalen.

Mathura

Vooruit dan.

[p. 284]
Badknecht

Maar dan moeten jullie allebei me de helft kwijtschelden.

Mathura

In vredesnaam, maar betaal.

Badknecht

Dus UEdele schenkt mij de helft vrij?

Mathura

Ja.

Badknecht tot den speler

En u schenkt mij ook de helft vrij?

Speler

Ja, ik ook.

Badknecht

Twee halven maken één heel; tweemaal de helft kwijtgescholden is heelemaal kwijtgescholden en dus...

Mathura hem grijpend

Geestig uitgerekend, maar nu laat ik je niet weer los, voor je betaald hebt en wel de volle som, betalen zeg ik je.

Badknecht

En waarvan zou ik betalen?

Mathura

Verkoop dan je vader.

Badknecht

Mijn vader is zoek, al van voor mijn geboorte af.

[p. 285]
Mathura

Verkoop dan je moeder.

Badknecht

Die is uitgeleend sinds haar laatste huwelijk.

Mathura

Verkoop dan je zelf.

Badknecht

Dat is een inval! tot het publiek. Wie der Heeren biedt er geld op mij? Het is ten behoeve van dezen besten braven speelhuishouder. Daarom niet allen tegelijk. U mijnheer! Waarvoor ik te gebruiken ben? Voor knecht, mijnheer, om u te dienen. Niet? U dan, mijnheer? Boodschappenlooper zal ik wezen, loopen zal ík als de beste, loopen, loopen...

hij loopt weg
Mathura
loopt hem na met speler en volk

Houdt den dief, houdt den dief!

Vasantasena komt op achtervolgd, door den Prins Samsthanaka, den Hoveling en den slaaf Sthavaraka
Hoveling
 
Blijf staan, Vasantaséna, rep niet zoo
 
de ranke voeten, willige dienaren
 
van den doorluchten dans, werp niet ter zij
 
met schichtig rondzien uw gazellen oogen!
 
Gij siddert, als een jonge pisangstam,
 
het fijn reálgar stuift van uwe wangen.
 
Uw roode kleed verkreukelt in den wind,
 
die met de franje speelt en uit uw krans
 
strooit ge allezijds de roode lotosknoppen.
[p. 286]
Prins
 
Sta stil, Vasantaséna, struikel niet
 
en vlucht niet weg, ik zal u niet verwonden!
 
Wat draaft ge door, onrust van het verstand,
 
ijlende koorts des bloeds, vliegende tering
 
van dit rampzalig lichaam, dat verschrompelt
 
als een stuk vleesch, dat in de kolen viel.
Slaaf
 
Jonkvrouw, houd op; want als een pauwenhen
 
zoo vlucht gij, uitgespreid de zomerveeren,
 
en hier mijn meester volgt u met een haast
 
als in het woud een huppelende haas.
Hoveling
 
Den wind, den ijlvoortvluchtigen van loop,
 
weet ik te vatten; zult gij dan ontkomen?
Prins
 
O, geeselroede van den minnegod,
 
bederf van de gezondheid, moordenaarster
 
van het gezin, vergiftig bloemenmandje
 
van Kama, slet, bordeelvrouw, lichtekooi! -
 
Met al wat liefs ik maar bedenken kan,
 
roep ik ze en nog altijd hoort ze niet.
Slaaf
 
Het is de rijke gunsteling des Konings,
 
die om u vraagt; kom bij ons, bajadere,
 
bij ons is visch en vleesch, dat druipt van boter,
 
dat smelt van vet, dat drijft in sesamolie,
 
waarvoor een jakhals zelfs een lijk laat staan.
[p. 287]
Vasantasena
 
Pallávaka, ach, Párabhrítika,
 
waar blijft ge toch? te hulp!
Prins angstig
 
Komt er een man?
Hoveling lachend
 
Wel neen! zij roept haar beide dienaressen.
Prins
 
Wat, vrouwen? Kijk, ik ben een dapper man
 
en ben niet bang, ook niet voor honderd vrouwen.
Vasantasena
 
Zij komen niet, ik moet mij zélf beschermen.
Prins
 
Pas op, mijn zwaard is scherp en pas geslepen;
 
Af gaat het hoofd, gespleten is de schedel,
 
gekliefd de hals van wie niet hooren wil!
Vasantasena
 
Wat wilt ge? mijn juweelen? Hier! hier zijn ze!
Hoveling
 
Wie zal de plant berooven van zijn bloesem?
 
Spreek niet zoo ondoordacht.
Vasantasena
 
Wat wilt ge dan?
[p. 288]
Prins
 
Den mensch geworden God, mij, Vásudéva
 
mij, prins Samsthánaka moet gij beminnen!
Vasantasena
 
Dat gaat te ver! weg, weg, ellendeling!
Prins
 
Ja, ver ben ik gegaan, u achtervolgend,
 
ja, en de weg was lange weg genoeg!
Hoveling
 
Vasantaséna, wat gij hebt gezegd,
 
Dat is geen antwoord voor een bajadere.
 
Gij zijt een bloem aan open weg geplant,
 
Uw liefde is geen gunst, maar handelswaar
 
en onderzoekt de som maar niet den kooper.
 
In éénen vijver baden heer en knecht,
 
en op denzelfden tak scholen de kraaien,
 
waarop de pauw zich wiegt. Eén schip zet over
 
de hoogste kaste en den laagsten stand.
 
Tak, vijver, schip, zij hebben u genoemd,
 
zij weigeren niet maar staan een elk ten dienste.
Vasantasena
 
Adel van geest en ingetogenheid
 
doen liefde ontwaken, maar niet ruw geweld.
Prins
 
Meester, laat af, die dochter der slavin
 
is smoorlijk op den schooier Carudátta,
 
sinds zij hem heeft gezien in Kama's tempel;
 
die stelt ze boven ons; hier in de straat
 
links staat zijn huis; maar laat ze ons niet ontkomen!
[p. 289]
Hoveling ter zijde
 
Verliefd op Carudátta? zij, de teeder -
 
aanminnige? hoe is toch waar gezegd:
 
aan parels worden parels slechts geregen.
 
Ik zal haar helpen tegen dezen zot
 
en in bescherming nemen luid
 
Heer, wat zegt ge?
 
Waar is het huis des koopmans, heer?
Prins
 
Hier links.
Vasantasena ter zijde
 
O, kostbaar toeval, uit zoo boozen mond
 
te mogen hooren, waar de liefste woont!
 
het wordt donker
Prins
 
Hoe dichte duisternis! ze is verdwenen!
Hoveling
 
Let dan op eenig teeken, heer.
Prins
 
Op welk?
Hoveling
 
Gerinkel van haar ringen, bloemengeur.
Prins
 
Het geuren van haar bloemen hoor ik wel,
 
maar nu mijn neus verstopt is door het donker,
 
zie ik het klinken van haar tooi niet meer.
[p. 290]
Hoveling zacht tot Vasantasena
 
Vasantaséna!
 
Wel heeft de duisternis u goed gediend,
 
toch zal de wasem, stroomend uit uw bloemen,
 
en het gebabbel van uw enkelringen
 
u nog verraden in uw wilden angst.
 
Vasantaséna, hebt ge mij verstaan?
Vasantasena zacht
 
Verstaan, heer, en begrepen. Wees bedankt.
legt krans en voetringen af
Maitreya achter de schermen
 
Radánika, neem offergave en lamp,
 
ik zal de deur ontsluiten.
Vasantasena
 
Zie, de deur
 
wordt losgemaakt; laat ik naar binnen sluipen.
 
O, wee, o wee, een lamp!
waait de lamp uit met een slip van haar kleed en gaat naar binnen
Maitreya
 
Radánika,
 
wat is dat?
Radanika
 
Heer, de tocht der open deur
 
heeft alles uitgewaaid.
Maitreya
 
Onhandige,
 
geef mij de lamp en ga vooruit; ik kom
 
als ik het licht op nieuw heb aangestoken.
[p. 291]
Prins grijpt Radanika aan
 
Daar heb ik ze, daar heb ik ze gevonden
 
en bij het hoofdhaar en de vlechten vast!
 
Ja, meisje, roep nu maar om hulp en jammer.
 
Thans helpen alle hemelgoden niet.
Radanika
 
Ach, edele Heer, wat wilt ge toch van mij?
Hoveling
 
Dat is haar stem niet, heer.
Prins
 
Natuurlijk niet;
 
zij heeft haar stem opzettelijk veranderd,
 
zooals een kat, die gaat op stelen uit.
Maitreya komt op met een lamp
 
De vlam trilt in den zachten avondwind
 
als een beangstigd hart. Radánika!
Prins
 
Meester, een man, een man!
Maitreya
 
Wat? vreemde menschen?
Radanika
 
Maitreýa, zie toch, hoe ik word behandeld!
Maitreya
 
Dat gaat te ver. Wie durft u aan te randen?
 
Een hond zelfs wordt er boos in eigen huis,
[p. 292]
 
en ik dan, een Brahmaan! Met den stok,
 
krom als het levenspad van mijns gelijken
 
zal ik uw schedel kneuzen, als een voos,
 
verdord stuk bamboesriet!
zwaait zijn stok tegen den hoveling
Hoveling onderdanig
 
Edele Heer,
 
vergiffenis!
Maitreya
 
Niet deze hier is schuldig! ziet den prins
 
Dit is de man. Wel, wel, Samsthánaka,
 
de Koningszwager? is dat uw gedrag?
 
Is Carudátta, nu hij arm geworden,
 
niet meer het sieraad van de stad, dat zóó
 
men in zijn huis dringt, dat men zijn bedienden
 
aldus bejegent?
Hoveling
 
Wij vergisten ons,
 
een andere zochten wij, een willig meisje,
 
een dartel ding en in de duisternis
 
hebben wij mis getast en zagen deze
 
voor de bedoelde aan. Thans één verzoek: heft de handen op
 
Zeg, wat gebeurd is, niet aan Carudátta,
 
verzwijg het hem!
Maitreya
 
Ik zal uw wensch vervullen.
tot Radanika
 
Vertel uw krenking niet aan Carudátta,
[p. 293]
 
Radánika; de armoe drukt hem reeds
 
en dit zou, dunkt mij, dubbele kwelling worden.
Radanika
 
Vertrouw op mijn stilzwijgendheid. af
Hoveling heft de handen op
 
Met eerbied
 
aanvaard ik uw welwillendheid, Brahmaan!
Prins
 
Hoe nu? bedankt ge dien onguren schooier
 
met opgeheven hand?
Hoveling
 
Ik ben bevreesd.
Prins
 
Bevreesd? voor wie?
Hoveling
 
Voor Carudátta's deugden.
Prins
 
Waarachtig fraaie deugden, waar in huis
 
ter nauwernood een maal op tafel komt!
Hoveling
 
O, spreek niet zoo!
 
Arm werd hij door het anderen verrijken,
 
zooals een meer, een milde waterbron,
 
die alle komenden heeft toegelaten
[p. 294]
 
en heeft gelescht en zelf is opgedroogd.
 
Hij was een sprookjesboom der armen, zwaar
 
van gulden ooft en aller wensch vervullend,
 
gastheer der goeden, spiegel der geleerden,
 
toetssteen der achtbaarheid, een oceaan
 
van weldaad en van prijzenswaarde dingen,
 
niemand verachtend, edel, vriendelijk
 
beroemd om zijnen aard en door dien roem
 
alleen in waarheid lévend; wij? wij ademen. -
 
Maar laat ons heengaan.
Prins
 
En Vasantaséna?
Hoveling
 
Zij is verdwenen.
Prins
 
Hoe?
Hoveling
 
Als van den blinde
 
het oogenlicht, als wijsheid van den dwaas,
 
vreugd van den kranke, voorspoed van den trage,
 
zij is verdwenen, nauw bereikt, als liefde
 
wegvlucht bij afschuw en bij haat verdwijnt.
Prins
 
Ik ga niet heen zonder Vasantaséna.
Hoveling
 
Kent gij het versje niet?
 
Olifanten aan den paal,
[p. 295]
 
Paarden aan de teugels,
 
Aan het hart bindt men de vrouw,
 
Vrouwenhart heeft vleugels.
 
Wie dat kunstje niet verstaan,
 
Kunnen wel naar huis toe gaan.
Prins
 
Wilt ge naar huis? Ga dan, ik blijf.
Hoveling
 
Ik dank u. af
Prins

Zoo is de meester door het Niet vermeesterd! tot Maitreya Zeg eens, kraaipootschedelkop, kwajongen van een Brahmaan, doe uit mijn naam aan den schooier Carudátta de volgende boodschap: deze bajadere, dit meisje, met goud getooid, met juweelen versierd als een tooneelspeelster, die zich heeft uitgedoscht voor een rol in een heldendrama, deze Vasantaséna met name, is op u verliefd, sinds zij u gezien heeft in den tempelhof van Kama. En terwijl wij met geweld haar trachtten te winnen, is zij uw woning binnengevlucht. Als gij haar nu goedschiks wegstuurt en zonder proces uitlevert, zal er eeuwige vriendschap tusschen ons zijn. Maar als gij haar niet afstaat, zal er tusschen ons vijandschap wezen tot in den dood. En denk er aan:

 
Een kalebas, wiens steel is toegesmeerd,
 
Vleesch op een open vuur gedraaid en omgekeerd,
 
Rijst, die in winternacht is toebereid,
 
Geldschuld en veete duren in eeuwigheid.

Dat moet je netjes zeggen en vlug zeggen en zoo duidelijk ver-

[p. 296]

staanbaar, dat ik het hooren kan op de duivetil van mijn paleis. En als je dat niet opzegt, zooals ik het wensch, dan zal ik je kop kraken als een okkernoot tusschen twee deurscharnieren.

Maitreya

Ik zal het zoo bezorgen. af

Prins fluisterend

Slaaf, is de meester werkelijk heengegaan?

Slaaf

Ja, Heer.

Prins

Laten wij dan maken, dat wij gauw wegkomen!

Slaaf

Neem dan het zwaard, heer.

Prins

Houd gij het maar!

Slaaf

Wel neen, hier is het, grootmogende Heer, neem het toch aan.

Prins het onderste boven aannemend
 
Op den schouder dan het zwaard, rood als radijs,
 
Dat fel getrokken, sluimert in de scheede.
 
Zooals een jakhals, aangeblaft door honden,
 
Zich scherp verweert, zoo sluip ik stil naar huis. beiden af
 
Carudatta, Rohasena en Vasantasena komen uit het huis op
[p. 297]
Carudatta
peinzend tot Vasantasena
 
Radánika, de avondwind is koel
 
en Rohaséna huivert. Breng hem thuis
 
en dek hem toe met dezen mantel. reikt haar den mantel
Vasantasena ter zijde
 
Hoe?
 
Hij ziet mij aan voor zijn slavin?
neemt den mantel aan en kust hem
 
O, kijk,
 
zijn mantel geurt, doortrokken van jasmijn,
 
nog is zijn jeugd niet van genieting vreemd
 
en afgestorven van de vreugd der dingen.
doet zich zelve den mantel om
Carudatta
 
Radánika, kom met den knaap in huis!
Vasantasena ter zijde
 
Ik heb noch recht noch aandeel aan uw woning.
Carudatta
 
Geeft ge geen antwoord zelfs, Radánika?
Maitreya komt op met Radanika
 
Hier is Radánika. Radanika met Rohasena of
Carudatta
 
Wie is dan gene,
 
die onbekende daar, met mijn gewaad
 
bekleed, dat haar vernedert...
[p. 298]
Vasantasena ter zijde
 
dat haar eert!
Carudatta
 
... die door het grove kleed straalt als de maan
 
in herfstgetij door rag van grauwe nevels.
 
Maar al genoeg geschuiloogd naar de vrouw
 
eens anderen.
Maitreya
 
Heer, maak u geen verwijten,
 
dat ge het huiselijk kleinood begluurt
 
van een gezeten burger; wees gerust,
 
Vasantaséna is 't, de bajadere,
 
op u verliefd sinds Kama's tempelhof.
Carudatta
 
Vasantaséna? ter zijde
 
Zij, die een verlangen,
 
een liefdedrang bracht in mijn pooverheid,
 
onuitgesproken, onuitsprekelijk,
 
als woede van een lafaard sprakeloos.
Maitreya
 
Ik moet u boodschap van den Koningszwager
 
brengen.
Carudatta
 
En zij luidt?
Maitreya

Dit meisje hier, deze Vasantaséna met name, is op u verliefd,

[p. 299]

sinds zij u gezien heeft in den tempelhof van Kama. En terwijl wij met geweld haar trachtten te winnen...

Vasantasena ter zijde

‘Te winnen met geweld’: die woorden eeren.

Maitreya

... is zij uw woning binnengevlucht. Als gij haar nu goedschiks wegstuurt en zonder proces uitlevert, zal er eeuwige vriendschap tusschen ons zijn. Maar als ge haar niet afstaat, zal er tusschen ons vijandschap wezen tot in den dood.

Carudatta
 
De lompe dwaas! ter zijde
 
Voorwaar, aanbiddelijk,
 
betoovrend als een godheid is dit meisje!
 
ik heb gezegd: betreed mijn huis en zij,
 
zij roert zich niet uit eerbied voor mijn armoe
 
en zedig zwijgt ze, die door mannenomgang
 
vrijmoedig wezen moest. luid
 
Vasantaséna
 
door u als dienaresse te bejegenen
 
u niet herkennend, heb ik u gekrenkt,
 
en met gebogen hoofd vraag ik ‘vergeef!’
Vasantasena
 
Door ongenood uw drempel te betreden
 
u niet herkennend heb ik u gekrenkt
 
en met gebogen hoofd vraag ik ‘vergeef’!
Maitreya
 
Als arenvelden knikt ge elkander toe;
 
ik buk mijn kruin ook als een kemelknie
 
en met gebogen hoofd vraag ik ‘rijst op’!
[p. 300]
Carudatta
 
Laat aan den boom der eerste hoffelijkheid
 
de vrucht ontspruiten van vertrouwden omgang
Vasantasena ter zijde
 
Hoe kunstig en hoe kiesch gezegd! - Ik mag
 
hier thans niet langer blijven. Wat verzin ik
 
om hem terug te zien? luid
 
Edele Heer,
 
wilt gij mij andermaal een gunst bewijzen,
 
bewaar dan dit mijn sieraad in uw huis,
 
om mijn juweelen word ik achtervolgd.
Carudatta
 
Mijn huis is zulk een kostbaarheid niet waardig.
Vasantasena
 
Aan den bewoner wordt het toevertrouwd,
 
niet aan de woning.
Carudatta

Vriend Maitréya, neem

 
het sieraad van haar aan!
Maitreya verheugd

O, wel bedankt!

Carudatta
 
Dwaas! niet als gave maar als onderpand
 
is het bedoeld.
Maitreya spijtig
 
Dan mogen van mijn deel
 
de dieven komen om het weg te halen!
[p. 301]
Carudatta tot Vasantasena
 
en weldra...
Maitreya
 
hoort het ons...
Carudatta
 
geef ik het U
 
weer ongerept terug.
Vasantasena op Maitreya wijzend
 
Edele Heer,
 
laat deze hier mij naar mijn huis geleiden.
Carudatta
 
Maitréya, breng de jonkvrouw weg naar huis!
Maitreya
 
Niet ik, maar gij, Heer! Volg haar zwanengang
 
en begeleid haar trotsch als een flamingo.
 
Ik, poovere Brahmaan, word door de pracht
 
en de verhevenheid van zulke menschen
 
te niet gemaakt, zooals een offergave
 
door honden op den driesprong wordt verscheurd.
Carudatta
 
Zoo zij het dan; ik zal haar zelf geleiden.
 
Reik mij een lamp aan!
Maitreya roept naar binnen
 
Várdhamánaka,
 
Breng licht!
[p. 302]
Slaaf
komt naar buiten, zacht tot Maitreya
 
Er is geen olie voor de lampen.
Maitreya zacht tot Carudatta
 
Heer, zonder olie komt geen lamp in vlam,
 
Zoo min als bajaderen zonder geld.
Carudatta
 
Het is niet noodig. Zie de maan komt op,
 
bleek als de wangen eener minnende,
 
laat zij een lamp ons wezen op ons pad.
 
Een welig schijnsel druppelt door den nacht,
 
als hemelmelk en ligt op alle wegen,
 
leeg zijn de straten, in de verte klinkt
 
des wachters voetstap eenzaam door de stilte.
ziet Vasantasena diep aan
 
Vasantaséna! jonkvrouw, laat ons gaan! allen of
[p. 303]

Tweede tafreel

In het paleis van Vasantasena
Vasantasena verstrooid
 
En toen?
Madanika
 
Ik sprak niet, jonkvrouw. Wat bedoelt ‘en toen?’
Vasantasena
 
Wat zeide ik dan?
Madanika
 
‘En toen?’
Vasantasena de wenkbrauwen fronsend
 
Ach, was het dat!
Madanika
 
Mejonkvrouw, liefde, niet vrijpostigheid
 
doet mij u vragen: wat beduidt dit alles?
Vasantasena
 
Madánika, wat hebt ge aan mij gezien?
Madanika
 
Verstrooidheid, in gedachten zijn, verlangen
 
naar een, die al uw zinnen heeft vervuld.
Vasantasena
 
Dat hebt ge goed gezien.
Madanika
 
Wie is verkoren
 
te wonen in dat eigenzinnig hart?
[p. 304]
Vasantasena
 
Waart ge niet met mij in den tempelhof?
Madanika
 
Dat was ik, jonkvrouw.
Vasantasena
 
En dan vraagt ge nog
 
als in onwetendheid?
Madanika
 
Ik weet het thans!
 
Hij, die u begeleidde dezen nacht?...
Vasantasena
 
Hoe heet hij dan?
Madanika
 
Zijn huis staat in de wijk
 
der koopmanschap.
Vasantasena
 
Ik vraag zijn naam!
Madanika
 
Een naam
 
vol zegen: Carudátta.
Vasantasena verheugd
 
Goed geraden!
Madanika
 
Hij gaat voor arm door.
[p. 305]
Vasantasena
 
Dat verheugt mij juist;
 
De bajadere, die een arme kiest,
 
is rein en onverdacht in aller oogen.
Madanika
 
Bezoeken bijen nog den mangoboom,
 
wanneer zijn bloesemschat is afgevallen?
Vasantasena
 
En ieder noemt ze daarom: voordeelzoeksters.
Madanika
 
Als ge zoo zeer gekweld wordt door verlangen,
 
zoek hem dan op.
Vasantasena
 
Ik vrees, dat zulk een haast
 
hem mag ontstemmen.
Madanika
 
O, dus daarom hebt ge
 
uw sierjuweelen aan hem toevertrouwd,
 
opdat er ongezocht een reden zijn zou
 
tot een vernieuwd bezoek?
Vasantasena
 
Gij zegt het, meisje.
Badknecht komt binnengeloopen
 
Ik vraag bescherming en beveiliging!
[p. 306]
Vasantasena
 
Bescherming hem, die ze begeert! Wie vreest ge?
Badknecht
 
Schuldeischers, woekeraars.
Vasantasena
 
Wees onbezorgd!
Madanika
 
Wie zijt ge en wiens zoon? uit welke stad?
 
Wat is uw ambacht? waarvoor zijt ge bang?
Badknecht
 
De jonkvrouw hoore. Uit Patáliputra
 
en zoon van een gezeten burger ben ik
 
en leefals badknecht. Alle kunst van zalven
 
en olieën en lijfsverzorging ken ik.
Vasantasena
 
Wel een verfijnde kunst.
Badknecht
 
Als kunst geleerd,
 
maar dan mijn levensonderhoud geworden.
Madanika
 
Een antwoord al te moedeloos. - En verder?
Badknecht
 
Toen, aangekomen hier in Uyyajíni
 
ben ik in dienst getreden van een heer,
[p. 307]
 
vriendlijk van aanschijn, vriendelijk van woorden,
 
die zwijgt van eigen weldaad en die krenking
 
vergeten kan. In zijn rechtvaardigheid
 
beschouwt hij zich als and'ren toebehoorend
 
en is de vriend van wie bescherming zoekt.
Madanika
 
Wie mag dat sieraad wezen onzer stad,
 
die aan de uitverkoorne van mijn meesteres
 
klaarblijkelijk zijn deugden heeft ontstolen?
Vasantasena glimlachend
 
O, juist zoo had ik in mijn hart gesproken!
Madanika
 
En verder?
Badknecht
 
Door de gaven van zijn hand...
Vasantasena
 
heeft hij zijn geld verloren?
Badknecht
 
Weet gij het,
 
van wien ik gesproken heb?
Vasantasena
 
Het is bekend,
 
gulheid en rijkdom gaan niet samen. Vijvers
 
met bitter water blijven boordevol.
 
Maar dan, hoe is zijn naam?
[p. 308]
Badknecht
 
Wie kent hem niet,
 
den naam van dat gesternte op aarde? Roemvol
 
van woordbenaming heet hij Carudátta.
Vasantasena verheugd opspringend
 
Dit huis zij als uw eigen! Dienares,
 
geef hem een zetel, haast u, neem den waaier!
 
verhit en moe schijnt onze gast te zijn.
Badknecht ter zijde
 
Hoe? reeds het noemen van zijn naam alleen
 
brengt zulk een onderscheiding? Wel gelukkig
 
is Carudátta! luide
 
Zoo werd ik zijn knecht
 
en onderhield hij mij, maar toen hij enkel
 
zijn eer en goede naam meer over had,
 
ben ik gaan leven van het dobbelspel.
 
Helaas, met wisselende kans en heden
 
heb ik er tien suvarna's in verloren.
Mathura achter de schermen
 
Ik ben bestolen, ik ben opgelicht!
Badknecht
 
Daar zijn de beiden, bankhouder en speler,
 
die mij vervolgen. Nu gij alles weet,
 
leg ik in uwe handen de beslissing.
Vasantasena
 
Wanneer de boom van hunne nesten wankelt,
 
dan zwerven ook de vogels dolend rond.
[p. 309]
 
Madánika, ga, geef de beide spelers
 
dit armsieraad en voeg de boodschap toe:
 
hij zelf, de edele Heer, stuurt u dit losgeld.
Zij geeft een armband aan Madanika. Madanika af
Badknecht
 
Laat mij voor uw genadig hulpbetoon
 
mijn kunst in uwen dienst verrichten mogen.
Vasantasena
 
Blijf dienen, dien gij vroeger hebt gediend.
Badknecht ter zijde
 
Zij weet kiesch af te wijzen. Hoe bedenk ik
 
iets anders ter vergelding van haar daad?
Madanika komt terug
 
De spelers zijn tevreden heengegaan
 
en laten weten aan den edelen Heer:
 
de schuld is afgedaan. Gevoelt gij lust,
 
kom u dan nóg eens met het spel vermaken.
Badknecht
 
Lang zal hun wachten zijn, aleer ik kom. -
 
Jonkvrouw, om mijn verworpenheid als speler,
 
om de verachting, die ik ondervond,
 
blijft dit mij over: ik wil monnik worden,
 
een monnik van den Buddha. Dus van badknecht
 
speler, van speler bedelmonnik. Jonkvrouw,
 
gedenk mijn woord!
Vasantasena
 
Hoed u voor overijling!
[p. 310]
Badknecht
 
Mijn plan staat vast. Het spel heeft mij gemaakt
 
tot walg van elk, tot afschuw aller menschen,
 
maar thans als Boeddha's knecht bewandel ik
 
den open weg met opgerichten hoofde! af
Slavin komt op, tot Vasantasena
 
Uw moeder laat u weten, dat een draagstoel
 
u aan de voordeur wacht.
Vasantasena
 
Van Carudátta?
Slavin
 
De meester van de draagstoel zendt juweelen
 
ter waarde van ten minste honderd duizend
 
gouden suvarna's.
Vasantasena
 
Maar wie is het dan?
Slavin
 
Wie zou het zijn? Samsthánaka, de zwager
 
des Konings.
Vasantasena
 
Ga! ga heen! en spreek mij nooit
 
van zulke dingen weer!
Slavin
 
Vergeef mij, jonkvrouw,
 
de boodschap, niet ik zelf, sprak uit mijn mond.
[p. 311]
Vasantasena
 
En om die boodschap ben ik boos. Ga heen!
 
Ga heen en zeg mijn moeder, als mijn leven
 
haar dierbaar is, dat zij dan nimmer meer
 
mij zulk een boodschap zendt!
Slavin
 
Zooals u wilt. af
Karnapuraka
komt haastig op met een buitengewoon schitterend gewaad

Waar, waar is de jonkvrouw?

Madanika

Lomperd, zijt ge zoo opgewonden, dat ge niet ziet, dat ze vlak voor u staat?

Karnapuraka

Jonkvrouw, ik groet u.

Vasantasena

Ge ziet er vroolijk uit, Karnapúraka, wat is er voorgevallen?

Karnapuraka

Ge hebt wat gemist, jonkvrouw, dat ge vandaag de heldhaftigheid van Karnapúraka niet met eigen oogen gezien hebt.

Vasantasena

Wat is dat wel geweest, mijn vriend?

Karnapuraka

Luister slechts. Die kwaadaardige olifant van u, de zuilenbreker

[p. 312]</