Noodig een anderen Brahmaan uit, ik ben vandaag bezet. - En toch, helaas, het is al zoo ver met mij gekomen, dat ik door de eerste de beste mij moet laten uitnoodigen, om althans iets te eten te krijgen. Ach, ongelukkige Maitréya, hoe was dat vroeger anders! Vroeger, toen mijn vriend, de edele Carudátta nog rijk was, werd hier dag en nacht gebraden en gekookt, dat alles vol hing van etenslucht. Ik was neergezeten aan de deur van het binnenhuis met wel honderd schoteltjes om mij heen als een schilder en om de beurt doopte ik er mijn vingers in en schoof ze weer terug. Als een stier op het marktplein stond ik te herkauwen. En nu? Mijn vriend is arm geworden, den ganschen dag zwerf ik rond naar alle kanten en 's-avonds keer ik hier terug om te overnachten als een doffer naar zijn til. Zie, daar komt hij aan om de huisgoden het offer te brengen.
Hé daar, menschen! een speler gaat op den loop met een schuld van tien goudstukken! Grijpt hem, grijpt hem, houdt den dief!
Dat ellendige spelen, dat vervloekte dobbelen, dat eeuwige verzot zijn op het oogengetal! Ik ontvlucht het en het pakt mij, ik verafschuw het en het laat mij niet los. Zoo ook vandaag weer, de speerworp heeft mij doodelijk getroffen als met een krijgsmanslans en de ezelsworp heeft een jong geworpen, dat een monster was en een gruwel om aan te zien. En daarom, toen ik den bankhouder verdiept zag in een lange berekening van wat ik in een kort oogenblik was kwijt geraakt, ben ik weggevlucht
en de straat opgeloopen. Maar waar nu naar toe, wie helpt mij verder? Wacht, terwijl ze mij zoeken, ga ik hier met omgekeerde voeten naar die leege nis toe en stel het godenbeeld voor.
Menschen, een speler is aan den haal met tien goudstukken, grijpt hem, grijpt hem, houdt den dief! Waar is hij gebleven, die bedrieger van eerlijke menschen, waar is hij heen gestrompeld en gestruikeld in zijn angst, die schande van zijn gezin?
Hier heeft hij geloopen. En hier houdt het voetspoor op.
Een omgekeerd voetspoor, achterstevoren, en naar de nis met het godenbeeld? Wel, hij is er achteruitloopend naar toe gegaan! geeft den speler een veelbeteekenenden blik Een mooi godenbeeld, zoo aandachtig en zoo vroom en zoo bijzonder natuurlijk!
Wat is het voor een beeld? van hout?
Wel neen, van steen, van echte steen, zwaar en hard en koud om aan te voelen; een mooi beeld en bijster natuurlijk. Maar kom, laten we hier een spelletje maken.
Het is mijn beurt.
Neen, mijn beurt!
Neen, mijn beurt!
Aha, daar hebben we den vent!
Zie zoo, nu voor den dag met je tien goudstukken, schavuit!
Edele Heer, ik zal u betalen.
Onmiddellijk dan.
Onmiddellijk? dat zal moeilijk gaan. Ik buig nederig mijn hoofd en vraag ootmoedig om een klein uitstel. zij slaan hem Houdt op, houdt op, ik zal betalen.
Vooruit dan.
Maar dan moeten jullie allebei me de helft kwijtschelden.
In vredesnaam, maar betaal.
Dus UEdele schenkt mij de helft vrij?
Ja.
En u schenkt mij ook de helft vrij?
Ja, ik ook.
Twee halven maken één heel; tweemaal de helft kwijtgescholden is heelemaal kwijtgescholden en dus...
Geestig uitgerekend, maar nu laat ik je niet weer los, voor je betaald hebt en wel de volle som, betalen zeg ik je.
En waarvan zou ik betalen?
Verkoop dan je vader.
Mijn vader is zoek, al van voor mijn geboorte af.
Verkoop dan je moeder.
Die is uitgeleend sinds haar laatste huwelijk.
Verkoop dan je zelf.
Dat is een inval! tot het publiek. Wie der Heeren biedt er geld op mij? Het is ten behoeve van dezen besten braven speelhuishouder. Daarom niet allen tegelijk. U mijnheer! Waarvoor ik te gebruiken ben? Voor knecht, mijnheer, om u te dienen. Niet? U dan, mijnheer? Boodschappenlooper zal ik wezen, loopen zal ík als de beste, loopen, loopen...
Houdt den dief, houdt den dief!
Zoo is de meester door het Niet vermeesterd! tot Maitreya Zeg eens, kraaipootschedelkop, kwajongen van een Brahmaan, doe uit mijn naam aan den schooier Carudátta de volgende boodschap: deze bajadere, dit meisje, met goud getooid, met juweelen versierd als een tooneelspeelster, die zich heeft uitgedoscht voor een rol in een heldendrama, deze Vasantaséna met name, is op u verliefd, sinds zij u gezien heeft in den tempelhof van Kama. En terwijl wij met geweld haar trachtten te winnen, is zij uw woning binnengevlucht. Als gij haar nu goedschiks wegstuurt en zonder proces uitlevert, zal er eeuwige vriendschap tusschen ons zijn. Maar als gij haar niet afstaat, zal er tusschen ons vijandschap wezen tot in den dood. En denk er aan:
Dat moet je netjes zeggen en vlug zeggen en zoo duidelijk ver-
staanbaar, dat ik het hooren kan op de duivetil van mijn paleis. En als je dat niet opzegt, zooals ik het wensch, dan zal ik je kop kraken als een okkernoot tusschen twee deurscharnieren.
Ik zal het zoo bezorgen. af
Slaaf, is de meester werkelijk heengegaan?
Ja, Heer.
Laten wij dan maken, dat wij gauw wegkomen!
Neem dan het zwaard, heer.
Houd gij het maar!
Wel neen, hier is het, grootmogende Heer, neem het toch aan.
Dit meisje hier, deze Vasantaséna met name, is op u verliefd,
sinds zij u gezien heeft in den tempelhof van Kama. En terwijl wij met geweld haar trachtten te winnen...
‘Te winnen met geweld’: die woorden eeren.
... is zij uw woning binnengevlucht. Als gij haar nu goedschiks wegstuurt en zonder proces uitlevert, zal er eeuwige vriendschap tusschen ons zijn. Maar als ge haar niet afstaat, zal er tusschen ons vijandschap wezen tot in den dood.
Vriend Maitréya, neem
O, wel bedankt!
Waar, waar is de jonkvrouw?
Lomperd, zijt ge zoo opgewonden, dat ge niet ziet, dat ze vlak voor u staat?
Jonkvrouw, ik groet u.
Ge ziet er vroolijk uit, Karnapúraka, wat is er voorgevallen?
Ge hebt wat gemist, jonkvrouw, dat ge vandaag de heldhaftigheid van Karnapúraka niet met eigen oogen gezien hebt.
Wat is dat wel geweest, mijn vriend?
Luister slechts. Die kwaadaardige olifant van u, de zuilenbreker