|
|
|
| |
| | | | | |
| | | |
Eerste tafreel
Straat voor het huis van Carudatta
in de schermen
Noodig een anderen Brahmaan uit, ik ben vandaag bezet. - En toch, helaas, het is al zoo ver met mij gekomen, dat ik door de eerste de beste mij moet laten uitnoodigen, om althans iets te eten te krijgen. Ach, ongelukkige Maitréya, hoe was dat vroeger anders! Vroeger, toen mijn vriend, de edele Carudátta nog rijk was, werd hier dag en nacht gebraden en gekookt, dat alles vol hing van etenslucht. Ik was neergezeten aan de deur van het binnenhuis met wel honderd schoteltjes om mij heen als een schilder en om de beurt doopte ik er mijn vingers in en schoof ze weer terug. Als een stier op het marktplein stond ik te herkauwen. En nu? Mijn vriend is arm geworden, den ganschen dag zwerf ik rond naar alle kanten en 's-avonds keer ik hier terug om te overnachten als een doffer naar zijn til. Zie, daar komt hij aan om de huisgoden het offer te brengen.
komt uit het huis en strooit het offer, moedeloos ten hemel ziende
Waar eens op dezen drempel reigerscharen
en zwanen zwelgden in de offerand',
daar valt nu tusschen gras en onkruidhalmen
een luttel zaad, voor wormen lekkernij.
gaat langzaam het tooneel rond en zet zich neer
| | | |
Vriend, wie van overvloed in nooddruft valt,
zijn lichaam leeft, hij zelf is als een doode.
Hoe nu? Wat kiest ge liever, dood of armoe?
Een lichte keuze! Dood is korte pijn,
maar ach, wie ziet der armoe smarteneinde?
En troost u niet, dat, evenals de maan,
dat meer van nektar, door het gretig slurpen
der goden minder wordt, zoo ook uw schatten
afnamen door uw vrienden, overgingen
wat mij zoo zeer doet, niet het geldverlies.
Geld komt en gaat, zooals het toeval wil,
maar dat de vriendschap, dat de trouwe omgang
zoo kan verkoelen, zoo wanhopig laf
zich af gaat keeren van den hulpelooze,
dat is mijn foltering. - Zij schuwen thans
mijn ledig huis, de gasten van weleer,
als bijen, die den olifant verlaten,
wanneer het vocht der paring is verdroogd,
| | | |
dat eens als honing afdroop van zijn slapen.
En dan, armoede brengt schaamachtigheid
en schaamte brengt kleineering, zelfontzinken,
zwaarmoedigheid, vertwijf'len, ondergang.
Ach, armoede is de bron van alle ramp! -
Het offer is gebracht; ga nu ook gij,
breng op den viersprong aan de Moeders gaven.
Ik? Neen! ik zie aan U wat offers baten
en bovendien, er komt in de avonduren
verdacht volk op den weg, brutale slaven,
brooddronken hovelingen, bajaderen,
Hé daar, menschen! een speler gaat op den loop met een schuld van tien goudstukken! Grijpt hem, grijpt hem, houdt den dief!
Badknecht komt angstig aangeloopen
Dat ellendige spelen, dat vervloekte dobbelen, dat eeuwige verzot zijn op het oogengetal! Ik ontvlucht het en het pakt mij, ik verafschuw het en het laat mij niet los. Zoo ook vandaag weer, de speerworp heeft mij doodelijk getroffen als met een krijgsmanslans en de ezelsworp heeft een jong geworpen, dat een monster was en een gruwel om aan te zien. En daarom, toen ik den bankhouder verdiept zag in een lange berekening van wat ik in een kort oogenblik was kwijt geraakt, ben ik weggevlucht
| | | |
en de straat opgeloopen. Maar waar nu naar toe, wie helpt mij verder? Wacht, terwijl ze mij zoeken, ga ik hier met omgekeerde voeten naar die leege nis toe en stel het godenbeeld voor.
gaat als godenbeeld in de nis zitten
Mathura de speelbankhouder
een speler en volk
Menschen, een speler is aan den haal met tien goudstukken, grijpt hem, grijpt hem, houdt den dief! Waar is hij gebleven, die bedrieger van eerlijke menschen, waar is hij heen gestrompeld en gestruikeld in zijn angst, die schande van zijn gezin?
Hier heeft hij geloopen. En hier houdt het voetspoor op.
Een omgekeerd voetspoor, achterstevoren, en naar de nis met het godenbeeld? Wel, hij is er achteruitloopend naar toe gegaan! geeft den speler een veelbeteekenenden blik Een mooi godenbeeld, zoo aandachtig en zoo vroom en zoo bijzonder natuurlijk!
Wat is het voor een beeld? van hout?
Wel neen, van steen, van echte steen, zwaar en hard en koud om aan te voelen; een mooi beeld en bijster natuurlijk. Maar kom, laten we hier een spelletje maken.
Zij zetten zich op de grond neer en beginnen te dobbelen
Als trommelklank den Koning zonder troon,
zoo roert het rammelen der dobbelsteenen
| | | |
den speler zonder geld. Ik mág niet meedoen,
en zál niet meedoen, maar het klinkt mij toe
zoet als een smachtend nachtegalenzingen.
Badknecht springt uit de nis
Neen, mijn beurt!
Aha, daar hebben we den vent!
Zie zoo, nu voor den dag met je tien goudstukken, schavuit!
Edele Heer, ik zal u betalen.
Onmiddellijk? dat zal moeilijk gaan. Ik buig nederig mijn hoofd en vraag ootmoedig om een klein uitstel. zij slaan hem Houdt op, houdt op, ik zal betalen.
| | | |
Maar dan moeten jullie allebei me de helft kwijtschelden.
In vredesnaam, maar betaal.
Dus UEdele schenkt mij de helft vrij?
En u schenkt mij ook de helft vrij?
Twee halven maken één heel; tweemaal de helft kwijtgescholden is heelemaal kwijtgescholden en dus...
Geestig uitgerekend, maar nu laat ik je niet weer los, voor je betaald hebt en wel de volle som, betalen zeg ik je.
En waarvan zou ik betalen?
Mijn vader is zoek, al van voor mijn geboorte af.
| | | |
Die is uitgeleend sinds haar laatste huwelijk.
Dat is een inval! tot het publiek. Wie der Heeren biedt er geld op mij? Het is ten behoeve van dezen besten braven speelhuishouder. Daarom niet allen tegelijk. U mijnheer! Waarvoor ik te gebruiken ben? Voor knecht, mijnheer, om u te dienen. Niet? U dan, mijnheer? Boodschappenlooper zal ik wezen, loopen zal ík als de beste, loopen, loopen...
hij loopt weg
loopt hem na met speler en volk
Houdt den dief, houdt den dief!
Vasantasena komt op achtervolgd, door den Prins Samsthanaka, den Hoveling en den slaaf Sthavaraka
Blijf staan, Vasantaséna, rep niet zoo
de ranke voeten, willige dienaren
van den doorluchten dans, werp niet ter zij
met schichtig rondzien uw gazellen oogen!
Gij siddert, als een jonge pisangstam,
het fijn reálgar stuift van uwe wangen.
Uw roode kleed verkreukelt in den wind,
die met de franje speelt en uit uw krans
strooit ge allezijds de roode lotosknoppen.
| | | |
Sta stil, Vasantaséna, struikel niet
en vlucht niet weg, ik zal u niet verwonden!
Wat draaft ge door, onrust van het verstand,
ijlende koorts des bloeds, vliegende tering
van dit rampzalig lichaam, dat verschrompelt
als een stuk vleesch, dat in de kolen viel.
Jonkvrouw, houd op; want als een pauwenhen
zoo vlucht gij, uitgespreid de zomerveeren,
en hier mijn meester volgt u met een haast
als in het woud een huppelende haas.
Den wind, den ijlvoortvluchtigen van loop,
weet ik te vatten; zult gij dan ontkomen?
O, geeselroede van den minnegod,
bederf van de gezondheid, moordenaarster
van het gezin, vergiftig bloemenmandje
van Kama, slet, bordeelvrouw, lichtekooi! -
Met al wat liefs ik maar bedenken kan,
roep ik ze en nog altijd hoort ze niet.
Het is de rijke gunsteling des Konings,
die om u vraagt; kom bij ons, bajadere,
bij ons is visch en vleesch, dat druipt van boter,
dat smelt van vet, dat drijft in sesamolie,
waarvoor een jakhals zelfs een lijk laat staan.
| | | |
Pallávaka, ach, Párabhrítika,
waar blijft ge toch? te hulp!
Wel neen! zij roept haar beide dienaressen.
Wat, vrouwen? Kijk, ik ben een dapper man
en ben niet bang, ook niet voor honderd vrouwen.
Zij komen niet, ik moet mij zélf beschermen.
Pas op, mijn zwaard is scherp en pas geslepen;
Af gaat het hoofd, gespleten is de schedel,
gekliefd de hals van wie niet hooren wil!
Wat wilt ge? mijn juweelen? Hier! hier zijn ze!
Wie zal de plant berooven van zijn bloesem?
Spreek niet zoo ondoordacht.
| | | |
Den mensch geworden God, mij, Vásudéva
mij, prins Samsthánaka moet gij beminnen!
Dat gaat te ver! weg, weg, ellendeling!
Ja, ver ben ik gegaan, u achtervolgend,
ja, en de weg was lange weg genoeg!
Vasantaséna, wat gij hebt gezegd,
Dat is geen antwoord voor een bajadere.
Gij zijt een bloem aan open weg geplant,
Uw liefde is geen gunst, maar handelswaar
en onderzoekt de som maar niet den kooper.
In éénen vijver baden heer en knecht,
en op denzelfden tak scholen de kraaien,
waarop de pauw zich wiegt. Eén schip zet over
de hoogste kaste en den laagsten stand.
Tak, vijver, schip, zij hebben u genoemd,
zij weigeren niet maar staan een elk ten dienste.
Adel van geest en ingetogenheid
doen liefde ontwaken, maar niet ruw geweld.
Meester, laat af, die dochter der slavin
is smoorlijk op den schooier Carudátta,
sinds zij hem heeft gezien in Kama's tempel;
die stelt ze boven ons; hier in de straat
links staat zijn huis; maar laat ze ons niet ontkomen!
| | | |
Verliefd op Carudátta? zij, de teeder -
aanminnige? hoe is toch waar gezegd:
aan parels worden parels slechts geregen.
Ik zal haar helpen tegen dezen zot
en in bescherming nemen luid
Waar is het huis des koopmans, heer?
O, kostbaar toeval, uit zoo boozen mond
te mogen hooren, waar de liefste woont!
Hoe dichte duisternis! ze is verdwenen!
Let dan op eenig teeken, heer.
Gerinkel van haar ringen, bloemengeur.
Het geuren van haar bloemen hoor ik wel,
maar nu mijn neus verstopt is door het donker,
zie ik het klinken van haar tooi niet meer.
| | | |
Hoveling zacht tot Vasantasena
Wel heeft de duisternis u goed gediend,
toch zal de wasem, stroomend uit uw bloemen,
en het gebabbel van uw enkelringen
u nog verraden in uw wilden angst.
Vasantaséna, hebt ge mij verstaan?
Verstaan, heer, en begrepen. Wees bedankt.
legt krans en voetringen af
Maitreya achter de schermen
Radánika, neem offergave en lamp,
ik zal de deur ontsluiten.
wordt losgemaakt; laat ik naar binnen sluipen.
waait de lamp uit met een slip van haar kleed en gaat naar binnen
Heer, de tocht der open deur
geef mij de lamp en ga vooruit; ik kom
als ik het licht op nieuw heb aangestoken.
| | | |
Prins grijpt Radanika aan
Daar heb ik ze, daar heb ik ze gevonden
en bij het hoofdhaar en de vlechten vast!
Ja, meisje, roep nu maar om hulp en jammer.
Thans helpen alle hemelgoden niet.
Ach, edele Heer, wat wilt ge toch van mij?
Dat is haar stem niet, heer.
zij heeft haar stem opzettelijk veranderd,
zooals een kat, die gaat op stelen uit.
Maitreya komt op met een lamp
De vlam trilt in den zachten avondwind
als een beangstigd hart. Radánika!
Meester, een man, een man!
Maitreýa, zie toch, hoe ik word behandeld!
Dat gaat te ver. Wie durft u aan te randen?
Een hond zelfs wordt er boos in eigen huis,
| | | |
en ik dan, een Brahmaan! Met den stok,
krom als het levenspad van mijns gelijken
zal ik uw schedel kneuzen, als een voos,
verdord stuk bamboesriet!
zwaait zijn stok tegen den hoveling
Niet deze hier is schuldig! ziet den prins
Dit is de man. Wel, wel, Samsthánaka,
de Koningszwager? is dat uw gedrag?
Is Carudátta, nu hij arm geworden,
niet meer het sieraad van de stad, dat zóó
men in zijn huis dringt, dat men zijn bedienden
een andere zochten wij, een willig meisje,
een dartel ding en in de duisternis
hebben wij mis getast en zagen deze
voor de bedoelde aan. Thans één verzoek: heft de handen op
Zeg, wat gebeurd is, niet aan Carudátta,
Ik zal uw wensch vervullen.
tot Radanika
Vertel uw krenking niet aan Carudátta,
| | | |
Radánika; de armoe drukt hem reeds
en dit zou, dunkt mij, dubbele kwelling worden.
Vertrouw op mijn stilzwijgendheid. af
Hoveling heft de handen op
aanvaard ik uw welwillendheid, Brahmaan!
Hoe nu? bedankt ge dien onguren schooier
Voor Carudátta's deugden.
Waarachtig fraaie deugden, waar in huis
ter nauwernood een maal op tafel komt!
Arm werd hij door het anderen verrijken,
zooals een meer, een milde waterbron,
die alle komenden heeft toegelaten
| | | |
en heeft gelescht en zelf is opgedroogd.
Hij was een sprookjesboom der armen, zwaar
van gulden ooft en aller wensch vervullend,
gastheer der goeden, spiegel der geleerden,
toetssteen der achtbaarheid, een oceaan
van weldaad en van prijzenswaarde dingen,
niemand verachtend, edel, vriendelijk
beroemd om zijnen aard en door dien roem
alleen in waarheid lévend; wij? wij ademen. -
het oogenlicht, als wijsheid van den dwaas,
vreugd van den kranke, voorspoed van den trage,
zij is verdwenen, nauw bereikt, als liefde
wegvlucht bij afschuw en bij haat verdwijnt.
Ik ga niet heen zonder Vasantaséna.
Kent gij het versje niet?
| | | |
Aan het hart bindt men de vrouw,
Vrouwenhart heeft vleugels.
Wie dat kunstje niet verstaan,
Kunnen wel naar huis toe gaan.
Wilt ge naar huis? Ga dan, ik blijf.
Zoo is de meester door het Niet vermeesterd! tot Maitreya Zeg eens, kraaipootschedelkop, kwajongen van een Brahmaan, doe uit mijn naam aan den schooier Carudátta de volgende boodschap: deze bajadere, dit meisje, met goud getooid, met juweelen versierd als een tooneelspeelster, die zich heeft uitgedoscht voor een rol in een heldendrama, deze Vasantaséna met name, is op u verliefd, sinds zij u gezien heeft in den tempelhof van Kama. En terwijl wij met geweld haar trachtten te winnen, is zij uw woning binnengevlucht. Als gij haar nu goedschiks wegstuurt en zonder proces uitlevert, zal er eeuwige vriendschap tusschen ons zijn. Maar als gij haar niet afstaat, zal er tusschen ons vijandschap wezen tot in den dood. En denk er aan:
Een kalebas, wiens steel is toegesmeerd,
Vleesch op een open vuur gedraaid en omgekeerd,
Rijst, die in winternacht is toebereid,
Geldschuld en veete duren in eeuwigheid.
Dat moet je netjes zeggen en vlug zeggen en zoo duidelijk ver-
| | | |
staanbaar, dat ik het hooren kan op de duivetil van mijn paleis. En als je dat niet opzegt, zooals ik het wensch, dan zal ik je kop kraken als een okkernoot tusschen twee deurscharnieren.
Ik zal het zoo bezorgen. af
Slaaf, is de meester werkelijk heengegaan?
Laten wij dan maken, dat wij gauw wegkomen!
Neem dan het zwaard, heer.
Wel neen, hier is het, grootmogende Heer, neem het toch aan.
Prins het onderste boven aannemend
Op den schouder dan het zwaard, rood als radijs,
Dat fel getrokken, sluimert in de scheede.
Zooals een jakhals, aangeblaft door honden,
Zich scherp verweert, zoo sluip ik stil naar huis. beiden af
Carudatta, Rohasena en Vasantasena komen uit het huis op
| | | |
peinzend tot Vasantasena
Radánika, de avondwind is koel
en Rohaséna huivert. Breng hem thuis
en dek hem toe met dezen mantel. reikt haar den mantel
Hij ziet mij aan voor zijn slavin?
neemt den mantel aan en kust hem
zijn mantel geurt, doortrokken van jasmijn,
nog is zijn jeugd niet van genieting vreemd
en afgestorven van de vreugd der dingen.
doet zich zelve den mantel om
Radánika, kom met den knaap in huis!
Ik heb noch recht noch aandeel aan uw woning.
Geeft ge geen antwoord zelfs, Radánika?
Maitreya komt op met Radanika
Hier is Radánika. Radanika met Rohasena of
die onbekende daar, met mijn gewaad
bekleed, dat haar vernedert...
| | | |
... die door het grove kleed straalt als de maan
in herfstgetij door rag van grauwe nevels.
Maar al genoeg geschuiloogd naar de vrouw
Heer, maak u geen verwijten,
dat ge het huiselijk kleinood begluurt
van een gezeten burger; wees gerust,
Vasantaséna is 't, de bajadere,
op u verliefd sinds Kama's tempelhof.
een liefdedrang bracht in mijn pooverheid,
onuitgesproken, onuitsprekelijk,
als woede van een lafaard sprakeloos.
Ik moet u boodschap van den Koningszwager
Dit meisje hier, deze Vasantaséna met name, is op u verliefd,
| | | |
sinds zij u gezien heeft in den tempelhof van Kama. En terwijl wij met geweld haar trachtten te winnen...
‘Te winnen met geweld’: die woorden eeren.
... is zij uw woning binnengevlucht. Als gij haar nu goedschiks wegstuurt en zonder proces uitlevert, zal er eeuwige vriendschap tusschen ons zijn. Maar als ge haar niet afstaat, zal er tusschen ons vijandschap wezen tot in den dood.
De lompe dwaas! ter zijde
betoovrend als een godheid is dit meisje!
ik heb gezegd: betreed mijn huis en zij,
zij roert zich niet uit eerbied voor mijn armoe
en zedig zwijgt ze, die door mannenomgang
vrijmoedig wezen moest. luid
door u als dienaresse te bejegenen
u niet herkennend, heb ik u gekrenkt,
en met gebogen hoofd vraag ik ‘vergeef!’
Door ongenood uw drempel te betreden
u niet herkennend heb ik u gekrenkt
en met gebogen hoofd vraag ik ‘vergeef’!
Als arenvelden knikt ge elkander toe;
ik buk mijn kruin ook als een kemelknie
en met gebogen hoofd vraag ik ‘rijst op’!
| | | |
Laat aan den boom der eerste hoffelijkheid
de vrucht ontspruiten van vertrouwden omgang
Hoe kunstig en hoe kiesch gezegd! - Ik mag
hier thans niet langer blijven. Wat verzin ik
om hem terug te zien? luid
wilt gij mij andermaal een gunst bewijzen,
bewaar dan dit mijn sieraad in uw huis,
om mijn juweelen word ik achtervolgd.
Mijn huis is zulk een kostbaarheid niet waardig.
Aan den bewoner wordt het toevertrouwd,
Vriend Maitréya, neem
het sieraad van haar aan!
Dwaas! niet als gave maar als onderpand
de dieven komen om het weg te halen!
| | | |
Carudatta tot Vasantasena
Vasantasena op Maitreya wijzend
laat deze hier mij naar mijn huis geleiden.
Maitréya, breng de jonkvrouw weg naar huis!
Niet ik, maar gij, Heer! Volg haar zwanengang
en begeleid haar trotsch als een flamingo.
Ik, poovere Brahmaan, word door de pracht
en de verhevenheid van zulke menschen
te niet gemaakt, zooals een offergave
door honden op den driesprong wordt verscheurd.
Zoo zij het dan; ik zal haar zelf geleiden.
Maitreya roept naar binnen
| | | |
komt naar buiten, zacht tot Maitreya
Er is geen olie voor de lampen.
Maitreya zacht tot Carudatta
Heer, zonder olie komt geen lamp in vlam,
Zoo min als bajaderen zonder geld.
Het is niet noodig. Zie de maan komt op,
bleek als de wangen eener minnende,
laat zij een lamp ons wezen op ons pad.
Een welig schijnsel druppelt door den nacht,
als hemelmelk en ligt op alle wegen,
leeg zijn de straten, in de verte klinkt
des wachters voetstap eenzaam door de stilte.
ziet Vasantasena diep aan
Vasantaséna! jonkvrouw, laat ons gaan! allen of
| |
| | | |
Tweede tafreel
In het paleis van Vasantasena
Ik sprak niet, jonkvrouw. Wat bedoelt ‘en toen?’
Vasantasena de wenkbrauwen fronsend
Mejonkvrouw, liefde, niet vrijpostigheid
doet mij u vragen: wat beduidt dit alles?
Madánika, wat hebt ge aan mij gezien?
Verstrooidheid, in gedachten zijn, verlangen
naar een, die al uw zinnen heeft vervuld.
te wonen in dat eigenzinnig hart?
| | | |
Waart ge niet met mij in den tempelhof?
Hij, die u begeleidde dezen nacht?...
Zijn huis staat in de wijk
| | | |
De bajadere, die een arme kiest,
is rein en onverdacht in aller oogen.
Bezoeken bijen nog den mangoboom,
wanneer zijn bloesemschat is afgevallen?
En ieder noemt ze daarom: voordeelzoeksters.
Als ge zoo zeer gekweld wordt door verlangen,
Ik vrees, dat zulk een haast
uw sierjuweelen aan hem toevertrouwd,
opdat er ongezocht een reden zijn zou
tot een vernieuwd bezoek?
Badknecht komt binnengeloopen
Ik vraag bescherming en beveiliging!
| | | |
Bescherming hem, die ze begeert! Wie vreest ge?
Schuldeischers, woekeraars.
Wie zijt ge en wiens zoon? uit welke stad?
Wat is uw ambacht? waarvoor zijt ge bang?
De jonkvrouw hoore. Uit Patáliputra
en zoon van een gezeten burger ben ik
en leefals badknecht. Alle kunst van zalven
en olieën en lijfsverzorging ken ik.
maar dan mijn levensonderhoud geworden.
Een antwoord al te moedeloos. - En verder?
Toen, aangekomen hier in Uyyajíni
ben ik in dienst getreden van een heer,
| | | |
vriendlijk van aanschijn, vriendelijk van woorden,
die zwijgt van eigen weldaad en die krenking
vergeten kan. In zijn rechtvaardigheid
beschouwt hij zich als and'ren toebehoorend
en is de vriend van wie bescherming zoekt.
Wie mag dat sieraad wezen onzer stad,
die aan de uitverkoorne van mijn meesteres
klaarblijkelijk zijn deugden heeft ontstolen?
O, juist zoo had ik in mijn hart gesproken!
Door de gaven van zijn hand...
heeft hij zijn geld verloren?
van wien ik gesproken heb?
gulheid en rijkdom gaan niet samen. Vijvers
met bitter water blijven boordevol.
Maar dan, hoe is zijn naam?
| | | |
den naam van dat gesternte op aarde? Roemvol
van woordbenaming heet hij Carudátta.
Vasantasena verheugd opspringend
Dit huis zij als uw eigen! Dienares,
geef hem een zetel, haast u, neem den waaier!
verhit en moe schijnt onze gast te zijn.
Hoe? reeds het noemen van zijn naam alleen
brengt zulk een onderscheiding? Wel gelukkig
en onderhield hij mij, maar toen hij enkel
zijn eer en goede naam meer over had,
ben ik gaan leven van het dobbelspel.
Helaas, met wisselende kans en heden
heb ik er tien suvarna's in verloren.
Mathura achter de schermen
Ik ben bestolen, ik ben opgelicht!
Daar zijn de beiden, bankhouder en speler,
die mij vervolgen. Nu gij alles weet,
leg ik in uwe handen de beslissing.
Wanneer de boom van hunne nesten wankelt,
dan zwerven ook de vogels dolend rond.
| | | |
Madánika, ga, geef de beide spelers
dit armsieraad en voeg de boodschap toe:
hij zelf, de edele Heer, stuurt u dit losgeld.
Zij geeft een armband aan Madanika. Madanika af
Laat mij voor uw genadig hulpbetoon
mijn kunst in uwen dienst verrichten mogen.
Blijf dienen, dien gij vroeger hebt gediend.
Zij weet kiesch af te wijzen. Hoe bedenk ik
iets anders ter vergelding van haar daad?
De spelers zijn tevreden heengegaan
en laten weten aan den edelen Heer:
de schuld is afgedaan. Gevoelt gij lust,
kom u dan nóg eens met het spel vermaken.
Lang zal hun wachten zijn, aleer ik kom. -
Jonkvrouw, om mijn verworpenheid als speler,
om de verachting, die ik ondervond,
blijft dit mij over: ik wil monnik worden,
een monnik van den Buddha. Dus van badknecht
speler, van speler bedelmonnik. Jonkvrouw,
| | | |
Mijn plan staat vast. Het spel heeft mij gemaakt
tot walg van elk, tot afschuw aller menschen,
maar thans als Boeddha's knecht bewandel ik
den open weg met opgerichten hoofde! af
Slavin komt op, tot Vasantasena
Uw moeder laat u weten, dat een draagstoel
De meester van de draagstoel zendt juweelen
ter waarde van ten minste honderd duizend
Wie zou het zijn? Samsthánaka, de zwager
Ga! ga heen! en spreek mij nooit
de boodschap, niet ik zelf, sprak uit mijn mond.
| | | |
En om die boodschap ben ik boos. Ga heen!
Ga heen en zeg mijn moeder, als mijn leven
haar dierbaar is, dat zij dan nimmer meer
mij zulk een boodschap zendt!
komt haastig op met een buitengewoon schitterend gewaad
Waar, waar is de jonkvrouw?
Lomperd, zijt ge zoo opgewonden, dat ge niet ziet, dat ze vlak voor u staat?
Ge ziet er vroolijk uit, Karnapúraka, wat is er voorgevallen?
Ge hebt wat gemist, jonkvrouw, dat ge vandaag de heldhaftigheid van Karnapúraka niet met eigen oogen gezien hebt.
Wat is dat wel geweest, mijn vriend?
Luister slechts. Die kwaadaardige olifant van u, de zuilenbreker
| | | |
bijgenaamd, had zijn paal verbrijzeld, zijn kornak gedood en was de hoofdstraat opgeloopen. Dat was een opschudding! en een geschreeuw: haal de kinderen weg, klim de boom in, kruip het dak op, zie je niet, dat hij hier op aan komt. Voetspangen raken los, gordels met juweelen bezet scheuren, armbanden van parels breken stuk en de dolle olifant, met slurf, met pooten en met slagtanden dompelt hij zich in de stad als in een bloeiende lotosvijver. Een bedelmonnik komt hem in den weg. Staf, drinkensnap, etensschotel vallen hem uit de handen, hij zelf wordt opgetild en op de slagtanden geworpen en al het volk roept, o God, hij wordt vermoord!
En niemand verroerde zich? O, de lafaards!
Stel u gerust; de jonkvrouw gelieve te luisteren. Toen, ziende dat hij, een losgerukte ketting meesleepende, den bedelmonnik ophief en tusschen zijn tanden greep, heb ik, Karnapúraka, of neen, uw slaaf, mejonkvrouw, door u met kluiten rijst gevoed, heb ik van de markt een ijzeren staaf weggepakt en heb het beest toegeschreeuwd en er op losgeslagen, op den olifant, die er uit zag als de top van een rotsgebergte, geslagen, geslagen, totdat hij den monnik los liet van tusschen zijn tanden uit.
Mooi zoo, Karnapúraka, mooi zoo. En wat toen?
Toen liepen allen te hoop, dat de heele stad overhelde als een ongelijk geladen schip en allen riepen: bravo, Karnapúraka, bravo! En toen, jonkvrouw, was er iemand, die zich eerst de plaatsen betastte, waar men gewoonlijk zijn juweelen draagt, en toen dat
| | | |
tevergeefsch was, naar den hemel ziende en diep zuchtende, heeft hij mij ter belooning dezen mantel omgeworpen.
Ruikt die mantel ook naar jasmijn?
Jonkvrouw, hij ruikt zoo naar den olifant, dat ik geen andere lucht kan onderscheiden.
Kijk dan eens naar het naamteeken.
Hier staat het, lees het zelf. reikt haar den mantel aan
‘Den eedlen Carudátta's eigendom.’
doet verheugd zich zelf den mantel om
Wat zegt ge, Karnapúraka, staat de mantel de jonkvrouw niet goed?
Hm, ja, dat schikt wel, zoo tamelijk.
Karnapúraka, hier hebt ge een belooning. geeft hem een sieraad
Prachtig staat u die mantel nu, overheerlijk! wil gaan
| | | |
Karnapúraka, waar is de edele Carudátta op dit oogenblik?
Langs denzelfden weg is hij naar huis teruggekeerd. af
Kom meisje, laat ons gaan naar 't hoogst terras,
wellicht, dat wij er Carudátta zien.
Vasantasena en Madanika af
Çarvilaka komt angstig op
Den nacht gafik de schuld van wat ik deed,
ik heb den slaap verwonnen en de wachters,
maar nu bij daglicht ben ik als de maan,
die gaat verbleeken in den dageraad.
Alwie mij aankijkt, als ik haastig loop,
en wie mij nadert, als ik stil blijf staan,
mijn schuldig hart moet iedereen verdenken
beanstigd door zijn zonde. Roekeloos
was, wat ik uitvoerde om Madánika.
Den edelen, den armen Carudátta
heb ik bestolen in zijn schamel huis,
waar trommel, tamboerijnen en schalmei,
rietfluiten, citer en een toegebonden
handschriftenbundel alle have waren
en dan dit kistje, in een doek geknoopt,
vol sierjuweelen, fonkelend als de dag,
maar booze nacht en vloek voor mij geworden.
Ik, een Brahmaan, zoon van een Vedakenner,
van een, die zelfs geen gave aannam, ik,
Çarvílaka deed ongerechtigheid,
| | | |
en zulks om wie? om een Madánika,
een dansmeid, om haar uit den dienst te koopen.
Vloek over mijn lichtzinnigheid en vloek
over mijn armoede en mijn onverstand!
Vasantasena komt ongezien op
Waar blijft Madánika? ter zijde
en drinkt met langen, onverpoosden blik
zijn wezen in, verdiept in zijn aanschouwen
ik wil niet storen en ik roep haar niet.
Spreek toch, Çavílaka, ge ziet zoo angstig.
Çarvilaka ziet rond naar alle kanten
Ik moet u een geheim vertellen. Luister!
Bezweken voor mijn armoe, achtervolgd
door liefde tot u heb ik dezen nacht
om uwentwille een stoute daad gedaan.
Ga heen en boodschap aan Vasantaséna:
dit lijfsieraad, dat naar uw eigen maat
vervaardigd schijnt, wellicht kunt gij het dragen
En past het u. geeft haar het kistje
Mij dunkt ik ken de steenen;
| | | |
Wat deert U dat? neem ze aan
Als ge mij niet vertrouwt,
waartoe begeert ge mij dan los te koopen?
Welnu dan: in den koopmanswijk vernam ik,
Vasantasena en Madanika hevig ontsteld
Kom tot u zelve! Al uw leden beven,
uw oog is van ontsteltenis verward,
ik wensch u los te koopen en gij siddert
Dolzinnige, ge hebt toch niet,
terwijl ge om mijnentwil die daad volvoerdet,
iemand in huis gewond, iemand gedood?
Ik heb mij niet aan slapenden vergrepen
en ik heb niemand letsel toegebracht.
| | | |
Vasantasena bijkomend ter zijde
Den hemel dank! Luister, dit stel juweelen
hoort aan de jonkvrouw toe en was onlangs
als onderpand den ander toevertrouwd.
Helaas, dan heb ik zelf den tak ontbladerd,
waarbij ik schaduw zocht!
dus heeft hij in onwetendheid gehandeld.
Wat blijft er thans te doen?
| | | |
De vrouwen zijn verstandig van nature,
de mannen worden eerst uit boeken wijs.
Stelt ge mijn woorden zoo op prijs, dan raad ik:
doe of ge als bode van dien edelen Heer
het pand terug komt brengen. Zoo zijt gij
geen dief, híj is bevrijd van zijn verplichting
en zíj is in haar eigendom hersteld.
Is dat niet al te driest?
wacht hier, ik breng haar van uw komst bericht.
Vasantasena trekt zich terug. Madanika af
Haar helder inzicht heeft mij voorgelicht
als gids door blinde kronkeling van paden,
toorts in den nacht, wanneer de maan verdween.
Vasantasena en Madanika komen op
De edele Carudátta doet u weten:
bouwvallig is zijn huis en ongeschikt
om een zoo kostbaar onderpand te bergen
en daarom vraagt hij u: neem het terug.
Neem ook mijn antwoord mede.
| | | |
Mijn antwoord is zij hier, Madánika.
Geachte, ik begrijp niet...
heeft mij zóó opgedragen: geef aan hem,
die u het sieraadkistje overhandigt
tot loon uw dienares Madánika.
Begrijp dus wel, híj is het, die haar geeft.
Zij weet de gansche toedracht.
u, Carudátta; lof en eer uw deugden!
Met deugd voorzien zijn armen machtiger
Het voertuig staat gereed.
| | | |
Zie mij goed aan: ten huwelijk gegeven,
tot volle vrijheid door mij losgezegd,
ga thans, bestijg den blijden bruiloftswagen,
ga! en gedenk in liefde en vriendschap mij.
De jonkvrouw stuurt mij weg. valt haar te voet
Vasantasena haar oprichtend
moet men u groeten als beloofde bruid,
bestijg den wagen, ga en denk aan mij.
Heil u, o meesteres. Madánika,
zie haar goed aan en neig het hoofd voor haar,
zij heeft het onbereikbare u geschonken,
sluier en naam van een Brahmanenvrouw.
Çarvilaka, Madanika en slaaf af
Jonkvrouw, gelukskind, luister! een Brahmaan
komt tot u met bericht van Carudátta!
O, lieflijk is de dag van heden, meisje!
geleid hem binnen met voorkomendheid. af
Zooals de jonkvrouw wenscht.
zij geleidt Maitreya binnen, dan af
| | | |
Mijn oogen zijn nog blind en mijn gedachten
verward en duizelende van de pracht,
de wonderen van deze godenwoning
verrukt aanschouwd. Reeds bij de nadering
staat dadelijk het weidsche voorportaal
gereed tot welkomstgroet met rondgebogen
ivoren poortgewelf, de vleugeldeuren
gaan voor den gast eerbiediglijk op zij,
guirlanden wuiven en er waaien tal
van heilbanieren, met saffloer gekleurd,
die wenken als met noodigende vingers
tot binnenkomst. Dan oop'nen zich de hoven
een vergezicht, een ongepeilde vlucht
van ruimten telkens uit elkaar geboren
vervolgt, vermenigvuldigt zich, wijkt uit
en gaat verloren in den horizont.
De eerste hof staat kantig met een reeks
van torens, schelpen, lotosbloemen, maan
nabootsend in doorzichtigheid van steenen
en mat afglanzen, op de trappen ligt
witpleister-poeder uitgestrooid, zij zien
met kristallijnen vensters, waaruit snoeren
van parels hangen neder op de stad
staan, dikdoorvoed met gras en kaf en gierst,
de horens ingesmeerd met sesamolie,
trekstieren aangeknoopt. Een buffel zucht
als een gesmaalde edelman, er wordt
| | | |
een ram den nek gewreven, ginds de manen
gevlochten van een zwarten hengst, een aap
zit vastgebonden in den paardestal
en met een kluit van rijst en merg en olie
voert de kornak den olifant.
is de ontvangsthof van den adeldom.
Rietzetels staan gereed, een halfgelezen
handschrift ligt open op het dobbelbord,
bezet met echt-juweelen speelfiguren,
en kundig in der liefde oorlogsspel
zwerven aan alle zijden bajaderen
Hier dreunen diep en zwaar als onweerswolken
de tamboerijnen, cimbels zinken neer
als sterren van den hemel, smachtend klaagt
de fluit; als een jaloersche minnares
op schoot genomen, wordt de luit getokkeld
met nagels rood van hennasap gekleurd.
Er wordt gedanst, er wordt een spel vertoond
van teer bewogen en verliefden trant
en neuriend als honigbijen dronken
van bloesemsap gaan bajaderenmeisjes
een koorgezang beginnen zonder eind.
De hof, die volgt, lokt met een zwoele geur
van vet en olie; door de open monden
der deuren met een wolk van damp en stoom
zwoegt de verhitte keuken. Etenslucht
| | | |
hangt in het huis van uitgezochte spijzen
en boezemt eerbied in. Een keukenjongen
draait het beladen spit, de meesterkok
kneedt deeg met witte knuisten, taarten rijzen,
de honigkoeken gaan den oven in,
tulbanden staan besuikerd, maar helaas
niemand die zegt: ‘kom, proef dit lekkers eens.’
De zesde hof is die der edelsteenen.
Goudsmeden zitten wijdbeens neergehurkt
en wegen af op trillende balansen
topazen, jaspis, onyx, karneool,
turkooizen, amethyst en vlamsaffieren.
Robijnen worden er in goud gevat,
men vijlt aan filigraanwerk, parels worden
aan roode draden tot een snoer geregen,
beryllen gepolijst, schelpen doorboord,
koralen op een steen gewreven. Elders
zijn specerijen uitgestald, saffraan
droogt in den zon, muskus wordt nat gemaakt,
sandel geperst, zalven dooreengemengd,
aan bajaderen en hun minnaars wordt
betel en kamfer aangereikt, men ziet
elkander zijlings aan, er klinkt gelach,
er trekken zwermen uitgelaten slaven
en ginds slavinnen verder arm in arm,
en mannen, zoon en vrouw en goed verzakend,
slurpen likeur uit bekers en gerei
ontzonken aan de hand der bajaderen.
De laatste hof herbergt het vogelheer.
Hier roeken luid verliefde tortelparen,
| | | |
de papagaai als een gezet Brahmaan
draagt op zijn kruk een schoone versspreuk voor,
de ekster babbelt, met een keel gestreeld
door smaak van allerhande vruchtensappen
kweelt als een lichtekooi de koekoek; rijen
vergulde kevies, gouden traliewerk
hangt aan ivoren tanden, kwartels vechten,
paarlhoenders kakelen, duiven vliegen uit,
de huispauw oversprenkeld met juweelen
slaat met zijn vleugels als om af te koelen
het gloeiend koepeldak, met manken gang,
matglanzend als geronnen maanlicht zwerven,
flamingo's achter de verliefden aan
en langzaam stappend als bejaarde eunuchen
wandelen tamme reigers rond. Voorwaar,
de hemel zelf, de lusthof Nandana,
Indra's drie rijken op één plaats vereenigd,
zoo dunkt mij het paleis der danseres.
De jonkvrouw zal terstond verschijnen, edele.
Zeg mij, geachte, wie is die man met een lakenschen rok bekleed en overladen met een wonderlijke verschiedenheid van juweelen; wiegelend en met draaiing van ledematen drentelt hij op en neer.
Dat is Vasantaséna's broeder, edele.
Hoe vreeselijke kastijdingstraffen moet hij hebben doorgemaakt
| | | |
in zijn vorige leven om tot belooning te worden herboren als de broeder van Vasantaséna! En toch, - neen, al straalt hij ook van sieraden en al glimt hij van olie en welriekende zalven, toch moet men hem schuwen als een tulpenboom, die gegroeid is op een begraafplaats. Maar zeg mij, geachte, wie is die vrouw in een gebloemden, mantel op een hoogen zetel gezeten, de voeten, glibberig van olie, in een paar muilen gestoken?
Dat is de moeder van onze jonkvrouw, edele.
O hé, wat heeft die onreine heks een omvang van lichaam! Die is bepaald vooraf in huis moeten gebracht worden, als een godenkolossusbeeld, voordat men er aan denken kon een deur te gaan bouwen.
Ge moogt ons moedertje niet zoo beschimpen, ze heeft de derdendaagsche koorts.
O, heilige derdendaagsche koorts, straf ook mij met zulke zegeningen!
Spotter, je verdient er aan te sterven!
Slavinnendochter, dan was het beter dat zulk een opgeblazen dikzak stierf, dan was er een smulpartij voor wel duizend hongerige jakhalzen. Maar waar blijft uw meesteres?
| | | |
Zij komt, aanschouw de jonkvrouw!
Vasantasena komt op
Is die u zond, de koopmanszoon, welvarend?
Hij is welvarend, jonkvrouw.
die boom van deugdzaamheid, wiens wortel trouw,
wiens tak betamen is, wiens twijgen schroom,
wiens bloesem zieleadel en wiens vruchten
zijn goede werken zijn, is hij nog steeds
een schuilplaats van de wufte vogels ‘vrienden’?
Sierlijk gezegd van zoo iemand. luid
Welnu, wat is de reden van uw komst?
De achtenswaarde Carudátta groet u,
eerbiedig doet hij weten door mijn mond:
| | | |
Vasantasena vouwt de handen op de borst
ik heb het kistje, het in goed vertrouwen
beschouwend als mijn blijvend eigendom,
verloren bij het spel; de speelbankhouder
is daarop met een koninklijke opdracht
op reis en niemand weet waarheen gegaan.
Hoe groot van zin! een dief heeft het ontvreemd,
en hij: ik heb het bij het spel verloren,
zoo zegt hij; des te meer heb ik hem lief.
Neem dus in plaats hiervan dit parelsnoer.
Laat ik hem het verlorene zien? - Nog niet.
Mij dunkt, gij zult de gave niet aanvaarden?
Het is een eenig erfbezit, afkomstig
van moederszijde, trouw bewaard, mijns inziens
te kostbaar om te worden aangenomen.
Vasantasena lachend de slavin aanziende
Waarom niet? waarom neem ik het niet aan?
zij neemt het en legt het naast zich neer
ter zijde Hoe, al zijn bloesems zijn reeds afgevallen
| | | |
en nog drupt honig van den mangoboom?
luid Meld aan Uw Heer, aan den verblinden speler,
aan Carudátta dit uit mijnen naam:
ik kom deez' avond hem bezoeken!
Komt ze om nog meer te halen? luid
ik zal het melden. ter zijde
dat hij wordt afgebracht van zijn verzot zijn
Vasantasena tot de slavin
Kom, haal het sieraadkistje,
wij gaan om Carudátta vreugd te brengen.
Jonkvrouw, zie toch, er komt ontijdig onweer.
Rijs, wolkgevaarten, regen, giet in stroomen,
en duisternis, val in, ik tel het niet.
Mijn hart, mijn harte hunkert naar de liefste.
tot de slavin Kom haal het parelsnoer en haast u, vlug!
| |
| | | |
Derde tafreel
De tuin van Carudátta, afgesloten door den achterkant van het huis. Een groote, afgedakte veranda springt uit in den tuin
Er komt een onweer vóór den regentijd.
Zwart als de hommel op den vochten buik
des buffels, geel gestreept door bliksemstralen,
komen de dofgefloersde wolken op,
door kranen overvlogen. Wolken, wolken,
als ganzentrek, als vliegende flamingo's,
als visschenscholen, als dolfijngestoei. -
Een onweer komt. Wanklankig schreeuwt de pauw
en op den vijver ruischen wild de zwanen.
Een plotselinge storm, een onrust vaart
den hemel door en door het angstig hart,
dat wacht en wacht en wachtende vergaat. -
Waar toeft Maitréya? O, hoe langen tijd
dat hij gegaan is naar Vasantaséna,
Maitreya komt op in den tuin
Wat een hebzuchtig vrouwspersoon, en hoe onvriendelijk! Zoo maar, zonder een woord van dank heeft ze het parelsnoer aangenomen en opgestoken. In al haar overvloed heeft ze nog niet gezegd, Maitréya, rust wat uit, drink een glas water. Mocht ik van die slavinnendochter het aangezicht nooit weer te zien krijgen. Terecht wordt er gezegd:
Een lotos zonder bol gegroeid,
Een warenventer, die niet knoeit,
Een goudsmid, die niet liegt en steelt,
Een dorpsbestuur, dat niet krakeelt
En een meisje zonder geld tevreden,
Dat zijn vijf groote zeldzaamheden.
| | | |
Laat ik toch zien, dat ik mijn vriend af breng van zijn neiging tot bajaderen. Hij gaat de veranda op. Heil u, het ga u wel!
Welkom, vriend Maitréya. Hoe staat het met de zaak?
Heeft zij het snoer niet aangenomen?
Als dat eens waar mocht wezen! Haar hand, teeder als een pas ontloken lotosplant op haar kostbaar voorhoofd leggende, heeft zij met een edelen zwier het aangenomen en het mij af handig gemaakt.
En hoe zegt ge dan, de zaak is verloren.
Dat is nog al duidelijk. Voor een poover kistje van niemendal, dat wij niet hebben opgegeten, dat wij niet hebben opgedronken, maar dat de dieven hebben weggehaald, heeft ze ons een parelsnoer ontfutseld, dat het puik is der vier oceanen. En op den koop toe, heeft ze haar vriendin een wenk gegeven en haar gezicht met een slip van haar kleed bedekt en mij hartelijk uitgelachen. En daarom val ik u, als Brahmaan, te voeten en smeek u nederig, wend uw geest af van die neiging tot bajaderen. Vriend, zulk een vrouw is als een aardkluit, men raakt ze niet weer kwijt als ze eenmaal in den schoen is gekomen en bovendien:
| | | |
een meisje uit bajaderenstand,
een monnik bedelend langs straat,
een schooier en een advokaat,
waar die met hun bezoek verblijen,
daar kan zelfs onkruid niet gedijen.
Vriend, genoeg van die vermanende woorden. Word ik niet door mijn omstandigheden zelve in toom gehouden? Is er niet gezegd:
Wie geld heeft zal ze beminnen,
Voor geld zijn zulke te winnen.
ter zijde Voor geld ja, en voor niets anders zijn ze te winnen. luid Heb ik niet van haar afgezien, omdat de fortuin van mij heeft afgezien?
Maitreya omlaag ziende, ter zijde
Hij ziet naar den hemel op, hij zucht... Terwijl ik hem wilde terughouden, merk ik dat ik zijn verlangen nog heb doen toenemen. Er wordt dan toch wel terecht gezegd: ‘Dwars van zin is de min, zij gaat tegen alle wijsheid in.’ luide En, vriend, ook heeft zij nog gezegd: ‘Bericht aan Carudátta, dat ik vanavond hem bezoeken wil.’ Ik maak er uit op, dat zij het parelsnoer niet mooi genoeg vindt en dat zij er iets anders voor komt vragen.
Laat haar komen, vriend, zij zal bevredigd heen gaan.
Kumbhilaka komt op in den tuin
Ik ben nat tot op mijn rug van den regen en koud van de wind
| | | |
tot in het merg van mijn beenderen. En dan word ik uitgestuurd bij dit weer met een boodschap van niemendal: zeg aan den edelen Carudátta, dat zij vanavond komen wil. Alsof daar zoo'n haast bij was. Kijk, daar zit hij; en daar is zoowaar ook die kwajongen van een Brahmaan. Wacht, ik zal me bij hem eens eerst aandienen. gooit met een kluitje naar Maitreya
Wie is dat? Kijk, daar is Kumbhílaka. hij daalt in den tuin af. Wees welkom, Kumbhílaka, en kom binnen.
Vertel eens, waarvoor kom je bij zulk weer en in donker hier?
Slavinnenzoon, wat doe je toch als de voorlooper van een Koning, die aldoor uitroept, op zij, menschen, op zij, op zij!
En jij als een eentonig vogelstemmetje, wiedewiet, wiedewiet.
| | | |
Komaan, je moet er eens naar raden. In welk jaargetijde loopen de mangoboomen uit?
Wat zal ik dan antwoorden? Laat ik het aan Carudátta gaan vragen. luid Wacht hier een oogenblik. gaat naar Carudatta Vriend, ik moet u eens wat vragen; in welk jaargetijde loopen de mangoboomen uit?
Maitreya terugkomend, tot Kumbhilaka
Domoor, in de vasanta!
Pas op, nu komt de tweede vraag. Wie zingt er in de dorpen van de veiligheid?
De stadswacht in de dorpen? Neen vriend, weer mis, weer mis.
Ik begrijp er niets van. Kom, ik zal het nog eens aan Carudátta vragen. luid Heer, wie zorgt er voor de veiligheid in de dorpen?
| | | |
Maitreya terugkomend, tot Kumbhilaka
De sena, slavinnenzoon.
Voeg nu die twee bij elkaar en spreek ze vlug uit.
Domoor, de onderdeelen moet je omkeeren.
Maitreya de voeten omdraaiend
Sena Vasanta.
Ach neen, de onderdeelen van het woord!
Maitreya denkt na, verheugd
Vasantasena!
Eindelijk. Welnu, die is op komst. Bericht aan Carudátta, dat zij op weg is, dat zij al zoo goed als hier is. Kan ik dat aan u overlaten?
| | | |
Ik zal het zeggen. Kumbhilaka af Heer, er komt een schuldeischer om u te manen.
Hoe komt er tot ons huis een schuldeischer?
Hij staat al bijna aan de deur. Aanstonds komt Vasantaséna en heeft bericht vooruit gestuurd.
Mijn waarde, nooit hebt ge blijder boodschap gebracht. Kom, laten we ons op haar bezoek voorbereiden.
Carudatta en Maitreya af
Vasantasena, in het schitterend gewaad van een abhisârikâ, een slavin, een schermdraagster en de hoveling komen op in den tuin
Vasantasena, zie op topgebergte
rusten de wolken, aan een zilver draad
is de aarde opgehangen; vorschen slaken
den moddermond, de pauw roept uitgelaten,
een zachte lamp tintelt de nipaboom.
Als een verborgen schande schuilt de maan
weg achter wolken en de bliksem siddert,
gejaagd als een verdoolde, rusteloos.
O meester, goed gesproken, immers zie,
de nacht als booze medeminnares
| | | |
verspert den weg mij met een donderwoord:
ontzinde! als de liefste rusten wil
bij mij, wier wolken boezems tegen zwellen,
Wijs haar terecht, mejonkvrouw.
Waartoe? zij kent den aard der vrouwen nict.
Laat wolken regenen, laat de dondersteen
de aarde splijten, laat het bliksemvuur
de atmosfeer verzengen, laat de wind
zich zelf te barsten blazen in zijn drift,
hitte noch kou, opstand der elementen,
hemelrumoer, het deert de vrouwen niet,
wier hart is toegekeerd naar den beminde.
Daarom, o regen, wat verspert gij mij
den weg en randt mij aan met druppelhanden,
en waarom, donder, met uw leeuwenstem
brult gij mij toe en vlamt gij, bliksemstralen?
Vermenigvuldigt u! het baat u niet,
de liefste wacht en ik, ik moet wel komen.
Genoeg, genoeg, hier is zijn woning. - Hé!
laat iemand aan den eedlen Carudátta melden:
in deze ure zwoel van nachtjasmijn
komt de beminde naar des liefsten huis.
Met haren vochtig van het regenwater
en sidderende door het bliksemlicht
staat zij en spoelt de ranke voeten schoon
van slijk, dat kleeft aan gouden enkelspangen.
| | | |
komt op met Maitreya op de veranda
Vriend, ga eens hooren, wie daar is.
Zooals u beveelt. hij daalt in den tuin af. Heil u, jonkvrouw!
Ik groet u, Edele! tot den hoveling Meester, deze schermdraagster staat u ten dienste.
Handig bedacht om mij mijn afscheid te geven. luid Zoo zij het, geachte Vasantaséna. hoveling en schermdraagster af.
Maitréya, waar is uw speler?
Daar mag mijn meester zich wel door gevleid voelen, dat zij hem een speler noemt. luide Hij is thuis, geachte, treed binnen.
Vasantasena terzijde tot de slavin
Wat moet ik zeggen, waarmee hem begroeten?
Zeg: speler, brengt de avond u geluk?
En verder? hoe vervolg ik het gesprek?
Dat wijst het oogenblik u zelf wel aan.
zij zijn op de veranda gekomen
| | | |
Vasantasena Carudatta met een bloem slaande
Speler, brengt u de avondstond geluk?
Carudatta staat vol vreugde op
De avond brengt mij zuchten en verlangen,
De nacht heeft waken en verdriet gebracht,
maar nu, grootoogige, gij komen wildet,
nu brengt de avond einde van mijn leed.
Wees welkom, zet u neder! zij gaan zitten
Van de Kadambabloesem langs het oor
bedruppelt regenvocht haar éénen boezem,
een jonge prins, die wordt tot vorst gezalfd. tot Maitreya
Blijf, vriend Maitréya, ík zal haar bedienen.
Maitreya ter zijde tot Carudatta
Mag ik de jonkvrouw eens een vraag doen?
Waarom, geëerde, zijt gij hier gekomen
bij zulk een onweer en zoo duistren nacht?
Jonkvrouw, de dienaar is wel zeer vrijmoedig.
| | | |
den prijs vernemen van uw parelsnoer...
Maitreya ter zijde tot Carudatta
Heb ik niet juist gezien? zij vindt de parels
te weinig waard en komt iets anders vragen.
immers, zij heeft het snoer in goed vertrouwen
beschouwend als haar blijvend eigendom
verloren bij het spel; de speelbankhouder
is daarop met een koninklijke opdracht
op reis en niemand weet waarheen gegaan.
Mij dunkt, die woorden heb ik meer gehoord.
Neem dus in plaats daarvan dit kistje aan.
Waarom bekijkt ge het? Kent ge het van vroeger?
De kunstige bewerking boeit mijn oog.
Uw oog bedriegt u; 't is hetzelfde kistje.
Maitreya tot Carudatta, verheugd
Heer, Heer! het is hetzelfde sieraadkistje,
dat door de dieven ons ontstolen werd!
| | | |
Dezelfde list, dien wij uit nood verzonnen,
wordt tegen ons nu toegepast.
Zoowaar als ik Brahmann ben, 't is hetzelfde.
Dat ware een hoogst gewenschte samenloop.
Zal ik haar nog eens vragen?
Maitreya ter zijde tot de slavin
Zoo is 't. zij fluistert Maitreya iets toe
Wat wordt daar door die twee
tesaam behandeld? Ben ik uitgesloten?
Is dit waarlijk 't zelfde kistje?
| | | |
Nooit heb ik blijde boodschap
zonder haar loon gelaten. Neem mijn ring...
hij ziet zijn hand zonder ringen en schaamt zich
Hoe innig lief heb ik hem weer hierom. luid
Heer Carudátta, was het wel gepast
door zending van het parelsnoer te toonen,
dat ge ons van argwaan jegens u verdacht?
Vasantaséna, wie had hier de waarheid
geloof geschonken? Armoede is, helaas,
een zwakke borg en uitteraard verdacht.
nu wordt uw vragen al te openhartig?
Meester, als om de minnenden te storen
komt druppelend de regengod hier binnen.
Waarlijk, in stroomen zijgt de regen neer!
Geliefde, zie, gezalfd met vochte wolken,
| | | |
bewaaierd door den geurenden avondwind
wordt thans de jonge bruigom van den hemel
omstrengeld door den bliksemvlam, de bruid,
die rozeblozend tot de liefste komt.
Vasantasena zinkt aan zijn borst
O, donder, onweer, met een dieper toon
door uw genâ mag mijn gefolterd hart
huivrend herademen in dezen ure,
ontplooit mijn ziel zich, zendt haar reuken uit
als nachtjasmijn van den Kadambaboom!
Donder, slavinnenzoon, een lomperd zijt ge,
die zóó de jonkvrouw met uw stem verschrikt.
Mijn vriend, wees niet verbolgen op het onweer.
Laat honderd jaar met onverpoosde slagen
de donder bulderen, bliksemstralen schieten
nu dat de nooit gehoopte, moeitevol
verworvene mij in haar armen sloot.
Rijkzalig, onvolprezen is de man,
die zij met vochte, regenkoele leden
Het afdak buigt in zijn bouwvalligheid,
De sparren kraken van het zware water,
de pleister brokkelt, weeker wordt de muur,
kom dan, geliefdste, laat ons binnen gaan!
En nu, ruisch regen, val in stroomen neer
Stil op de takken, ritslend op de blaren,
| | | |
dof op de steenen, helder in het meer,
als harpenklank, als luiten en gezang,
als smachtende muziek van tokkelsnaren,
ruisch, regen, nu en val in stroomen neer.
allen af
|
|
|