De prins Samsthánaka, de zwager des Konings heeft mij gelast: ‘Sthaváraka, kom spoedig met den draagstoel naar het oude park Pushpakarándaka.’ Tegen den middag moet ik daar wezen. Maar wat is daar voor een gedrang en een rumoer? Wel, een koninklijke omroeper! Laat ik eens hooren water voor nieuws is.
De Koningszwager, Samsthánaka, laat bekend maken: de jonge koeherder Árjaka is door den koning, opdat men geen geloof zou slaan aan de voorspelling, dat hij Koning zal worden, van het veepark weggehaald en in boeien gekluisterd. Maar heden morgen heeft hij den kerker verbroken, den stokbewaarder gedood, zijn ketenen verbrijzeld en zóó ontsnapt is hij voortvluch-
tig geworden. Ieder der poortwachters zij op zijn hoede en blijve op zijn post. Grijpt hem, grijpt hem.
Daar is de draagstoel van Carudátta om naar het park te gaan. Meisje, gij kunt thuis blijven en nog wat uitrusten.
Zooals de jonkvrouw beveelt.
Wat een drukte en een gedrang. Laat ik vlug instappen.
Er is een heele opschudding in de stad, laat ik daarom maken dat ik weg kom. Op zij, lomperds, op zij! Wat zeg je? Van wie deze draagstoel is? Van Samsthánaka, de zwager des Konings. En daarom vlug op zij, uit de weg, uit de weg!
Daar kom ik eindelijk. Ik moest het zitkussen nog gaan halen en wat heeft mij dat lang opgehouden!
Kijk, daar komt een draagstoel dezen kant uit. Zou ze misschien leeg zijn en door het toeval gezonden om mij in veiligheid te brengen?
Hé daar, laat er iemand aan de jonkvrouw zeggen, dat de draagstoel klaar staat om haar naar het oude park Pushpakarándaka te brengen.
Een bajaderendraagstoel en voor buiten de stad bestemd? Kom, ik stap in. hij bestijgt de draagstoel
Ik hoor gerinkel van voetringen, de jonkvrouw zal zijn ingestapt. Dan vooruit, want ik heb mij verlaat en Carudátta zal al wel op ons wachten. hij zet zich in beweging
Opgepast allen, zie niets over het hoofd, onderzoekt allen en iedereen, de herdersjongen mag ons niet ontsnappen.
Zie eens, daar komt een draagstoel met de gordijnen neer.
Halt daar! Van wie is die draagstoel, wie is er in gestapt en waar gaat hij naar toe?
De draagstoel is van den edelen Carudátta. De bajadere Vasantaséna is er ingestapt en wordt naar het oude park Pushpakarándaka gebracht om zich daar met Carudátta te vermaken.
Gij kunt doorgaan.
Ongevisiteerd?
Zeker.
Op wiens verantwoording?
Op verantwoording van den edelen Carudátta.
Wie is dan wel die edele Carudátta en wie is Vasantaséna, dat zij ongevisiteerd door mag gaan?
Wat? Kent gij Carudátta niet en Vasantaséna niet? Dan kent ge ook niet aan den hemel de maan en haar begeleidend schijnsel,
dan kent ge de lotosbloem niet, edelste der planten, noch de parel, puik der vier oceanen. Twee zijn er roemenswaard hier in de stad om hun voortreffelijkheden. Dat zijn die beiden.
Zeker ken ik Carudátta, en Vasantaséna ken ik en van maan en lotosbloem en parel heb ik ook wel eens gehoord. Maar in de uitoefening van mijn koninklijken dienst ken ik zelfs mijn eigen vader niet.
Gij zijt een voortreffelijk hoofdman en in het vertrouwen van den koning. Visiteer gij dan de draagstoel.
Gij zijt ook een uitmuntend hoofdman en 's Konings vertrouweling, onderzoek gij hem dus.
Wat door mij gevisiteerd is, is dat zoo goed als ook door u gevisiteerd?
Wat door u is gevisiteerd, is door den Koning zelf gevisiteerd.
Voerman, laat mij eens kijken. bestijgt de draagstoel
Ik vraag bescherming en beveiliging!
Bescherming hem die ze begeert!
Kijk, de vogel, die den valk ontkomen was, is toch nog den vogelaar in handen gevallen. ter zijde Hij is onschuldig, hij is een smeekeling, hij zit in den draagstoel van Carudátta. Hij is de vriend van Çarvíluka, die mij vroeger het leven heeft gered. Maar aan de andere kant staat het bevel des Konings. Wat dien ik te doen? Welaan, hij is mijn beschermeling, ik moet hem helpen, er kome wat er komen moet. Hij stapt uit de draagstoel Ik heb hem... ik bedoel, ik heb haar gezien. Zij vraagt, is dat nu welvoegelijk, dat ik op straat word lastig gevallen?
Candánaka, nu begin ik toch te twijfelen!
Hoe zoo?
Uw stem was onzeker en verder, eerst zeidet ge hem en toen haar, dat is verdacht.
Wat een wantrouwendheid! Wij uit het Zuiden, wij spreken allerlei buitenlandsche talen en we zijn niet zoo precies in onze woordenkeus. Wij zeggen van een koe, ik heb hem of ik heb haar gemolken zooals dat voor de mond komt. Moeten we nu
daarover gaan kibbelen en gaan muggeziften over mannelijk, vrouwelijk en onzijdig?
Ik wil toch zelf ook graag visiteeren. En buitendien, het is het bevel van den Koning en ik ben zijn vertrouwde.
Ben ik dan zijn vertrouwde niet meer?
Is het niet het uitdrukkelijk bevel van onzen vorst?
Als het bekend wordt, dat hij in de draagstoel van Carudátta is ontsnapt, zal de Koning er dien op aanspreken. Wat te doen? Ik zal ruzie gaan maken, dat kunstje verstaan wij in het Zuiden ook zoo goed. luid Zeg, Víraka, ik, Candánaka, heb al gevisiteerd en nu wil jij het nog eens doen? Wie ben je wel?
En jij dan? Voor wie zie jij jezelf aan?
Je hebt nu een geëerde en geachte betrekking, maar wat je geweest bent, daar denk je liever niet aan.
Wel, wat ben ik dan geweest?
Dat zal ik maar liever niet zeggen.
O, zeg het gerust. Candanaka maakt een veelbeteekenend gebaar Nu, wat moet dat beteekenen?
Dat beteekent een oude, afgesleten slijpsteen, dat beteekent een scheermes, dat beteekent krulletjes draaien en haar opmaken. En zóó ben jij hoofdman geworden.
En jij dan, Candánaka? Nu heb jij ook een eervolle betrekking, maar vroeger, man, maar vroeger? Niet waar?
Hoe zoo, vroeger? Ik weet niet, dat ik mij over vroeger heb te schamen.
Mag ik het zeggen?
Ga je gang. Viraka maakt een veelbeteekenend gebaar Nu, wat is dat?
Je moeder is een pauk, je vader een trommelvel en je broer een tamboerijn; zoo ben jij hoofdman geworden.
Wat? Ik een leerlooier? Ik Candánaka? Visiteer den draagstoel eens, als je durft!
Dat durf ik zeker. Voerman, halt! Laat mij er eens in kijken.
Hij wil instappen, maar Candanaka grijpt hem onverhoeds bij de haren, werpt hem neer en schopt hem. Opstaande. In de uitoefening van mijn ambt, terwijl ik het bevel des Konings uitvoer, ben ik bij de haren gegrepen en met voeten getrapt! Als ik je niet midden in de rechtzaal laat vierendeelen, heet ik geen Víraka!
Ga naar de rechtzaal of wat mij betreft naar het koninklijke paleis!
Afgesproken! af
Vooruit, voerman, vooruit! En als iemand je staande houdt, zeg dan dat de stoel gevisiteerd is door Candánaka en Víraka. Edele Vasantaséna, dit geef ik u als paspoort! reikt Arjaka een zwaard toe
Zie zoo, hier is het park, laat ik binnengaan. Hé daar, Maitréya!
Slavinnenzoon, waar zijt ge zoo lang gebleven?
Edele Maitréya, wees niet boos; ik bedacht mij, dat ik het zitkussen had vergeten en zoo moest ik teruggaan en ben daardoor zoo lang weggebleven.
Maitréya, help de jonkvrouw bij het uitstappen!
Wat? Heeft zij een ketting aan haar voet, dat ze niet alleen kan uitstappen?
Hij schuift de gordijnen terug Wel, dat is geen jonkvrouw maar een jonkman!
Ik heb deze pij met rooden kleur geverfd, laat ik ze nu gaan uitspoelen in de vijver van het park.
Halt daar, gemeene bedelmonnik, blijf staan.
O wee, daar is de Koningszwager, Samsthánaka. Omdat één-
maal een bedelmonnik hem heeft beleedigd, houdt hij iedere anderen, die hij tegenkomt, aan en laat hem den neus doorboren als een trekstier. Waar zal ik, verlatene, bescherming zoeken? Laat Buddha zelf dan mijn beschermheer zijn.
Halt daar, ellendige bedelaar, blijf staan, blijf staan. Ik zal je hoofd verbrijzelen als een roode radijs op een drinkgelag.
slaat hem.
Zot, het heeft geen pas een bedelmonnik te slaan, iemand die het roode kleed draagt van de zelfverloochening.
Heil u, wees mij genadig, leekebroeder!
Meester, hoort gij het? Hij scheldt mij uit, hij noemt mij zijn broeder.
Ik, de broeder van dien schooier?
Hij noemt u leekebroeder, dat is toch een lofspraak.
Ga door met uw loftuitingen, ga door, monnik.
Gij zijt een verkorene, gij zijt een der gerechten.
Wat? ben ik van koren, en een der gerechten? ben ik een graan-
schuur, ben ik een schotel of een pottebakker? En waarom ben je hier gekomen?
Om mijn pij uit te spoelen.
Jou vuile bedelaar! In dit mooiste park van allen, dit overschoone Pushpakarándaka, dat mij geschonken is door mijn eigen zusters man, en in den vijver waar de honden en de jakhalzen uit komen drinken, waar ik, het pronkjuweel der schepping, het toonbeeld van mannelijkheid, mij niet waag te baden, daar zul jij je stinkende lompen, je pij van beschimmelde erwtensoep gaan uitspoelen. Daar heb je ten minste één slag voor verdiend.
slaat hem
Eere zij den Buddha!
Wat hebt ge er aan, die stumper te slaan. Laat hem los, laat hem loopen.
Nu, wacht dan terwijl ik overleg.
Overleggen? Met wie?
Met mijn eigen hart. - Zoontje, mijn hartje, zoontjelief, moet deze monnik gaan of blijven? ‘Hij moet niet blijven en hij moet niet gaan.’ Meester, ik heb overlegd en mijn hart zegt...
Wat zegt het wel?
Hij moet niet blijven, hij moet niet gaan, hij moet niet uitademen, hij moet niet inademen, hier ter plaatse moet hij onmiddellijk neer vallen en worden afgemaakt.
Eere zij Buddha! bescherming, bescherming!
Laat hem toch gaan.
Nu, op één voorwaarde dan.
Op welke?
Dat hij het vuil weggooit zonder het water troebel te maken; of neen, dat hij het water bij mekaar hoopt en dan het vuil troebel maakt.
Wat bedoelt hij?
Hij prijst uw goedheid.
Prijs mij, prijs mij een en andermaal!
Ik zit in angst, de zon staat al in het Zuiden, als de Koningszwager maar niet boos op mij is.
Daar komt de draagstoel.
Eindelijk! Sthaváraka, mijn vriend, kom eens hier met den stoel Meester, gij mijn leeraar, mijn hooggeschatte leeraar, dien ik met eerbied beschouw als mijn vertrouwden vriend en als mijn meerdere, stap gij het eerst in.
Zooals gij wilt. maakt aanstalten de draagstoel te bestijgen
Wat? hebt gij den draagstoel van uw vader geërfd, is het een familiestuk, dat gij het eerst instapt? Ik ben de eigenaar en ik stap het eerst in.
Maar u zei toch zelf...
Ook al zeg ik het, dan moet gij toch zoo beleefd zijn van te antwoorden: Edele, stap in, als 't u blieft.
Nu dan, Edele, stap in, als 't u blieft.
Juist, zóó zal ik instappen.
hij stapt in, ziet Vasantasena, springt haastig af en valt den hoveling om den hals
Meester, meester, we zijn verloren, we zijn des doods. Er zit een duivel in den stoel of een dief. Als het een duivel is dan worden we bestolen en als het een dief is, dan eet hij ons op met haar en huid.
Och wat, hoe zou er een duivel in een draagstoel komen? Uw oog is nog verblind door het felle licht of een zonnesteek heeft u in de war gebracht.
Neen, neen, meester, er zit een vrouw in den draagstoel.
Een vrouw? Kom, laat ik eens gaan zien.
Hoe nu? Komt de hinde tot den tijger? Heeft de zwaan haar blanke gade op het eiland in den stroom verlaten en zich begeven tot de kraaien? luide Vasantaséna, dat is niet gepast noch voegzaam, eerst hem hoogmoedig te versmaden en nu van wege het geld en omdat uw moeder het wil...
Neen, neen, door een verwisseling der draagstoelen ben ik hier gekomen; bescherming, bescherming!
Wees onbevreesd, ik zal hem wat wijs maken. - Heerschap, jongemensch, het ís waar, er zit een duivel in den draagstoel.
Hoe komt het dan, dat hij u niet heeft opgegeten?
Wie kent den duivel en zijn kuren? Maar zouden we niet te voet naar de stad gaan langs de buitenplaatsen?
Mij wel. Sthaváraka, slaaf, breng de draagstoel naar huis. - Maar neen, wacht eens, wacht eens even. Voor het oog van Goden en Brahmanen zal ik te voet gaan? Neen, neen, ik ga met den draagstoel. Dan zullen ze mij van verre ziende zeggen: ‘Daar gaat de Koningszwager, de groote Heer!’
Vergift is kwaad tot medicijn te maken, toch wil ik het beproeven.
luide Jongmensch, Vasantaséna is hier gekomen om u te ontmoeten!
Dat verhoede de hemel.