|
|
|
| |
| | | | | | | |
| |
Vierde tafreel
Straat voor het huis van Carudatta als in het eerste tafreel Vasantasena komt op in doeken gehuld, slaapdronken, leunend op de dienares
Word wakker eindlijk, jonkvrouw, het is dag!
Hoe zegt ge? is de nacht reeds dag geworden?
Waar is dan onze speler, dienares?
Heen naar het park Pushpakarándaka
en liet de opdracht achter, dat de draagstoel
gereed zij u ook naar het park te brengen.
Vannacht kon ik ternauwernood hem zien,
nu zal mijn oog bij daglicht hem aanschouwen
en zich vermeien in zijn aangezicht.
Radanjka komt op met den kleinen Rohasena
Kom, zoontje, laat ons met den wagen spelen.
Wat moet ik met dat leemen wagentje?
ik wil een wagentje van goud.
hoe komen wíj aan goud? Als vader rijk wordt,
| | | |
dan zul je spelen met een gouden wagentje...
ik breng hem naar haar toe, dat leidt hem af.
Wiens zoontje is dit? Simpel is zijn kleeding
en toch, zijn lief gelaat verheugt mijn hart.
't Is Carudátta's zoontje, Rohaséna.
Vasantasena neemt den jongen op schoot
Kom, kus mij kind! hij evenaart zijn vader
en in aanleg en in deugd,
hij is zijns vaders trots.
Hij heeft ééns met een wagentje gespeeld
van goud, dat toehoorde aan een buurmanskind.
Toen die het weer naar huis had meegenomen,
heb ik dit leemen wagentje gemaakt,
maar hij: wat moet dat wagentje van leem?
ik wil een gouden wagentje.
| | | |
een kind reeds schreit om anderman's geluk!
Noodlot, gij speelt met's menschen lot als wind
met waterdroppels op de lotosblaren. in tranen tot Rohasena
Kom, schrei niet langer, luister eens, ge krijgt
Een slavin, kind, van uw vader,
die hij zich heeft gewonnen door zijn deugd.
De jonkvrouw is uw moeder.
Radánika, als zij mijn moeder is,
hoe komt ze dan aan die juweelen?
uw kinderlijke mond zegt harde dingen.
zij legt schreiend haar sieraden af
Kijk, nu ben ik uw moeder; neem dit aan,
neem mijn juweelen, laat u daarvan maken
| | | |
Vasantasena haar tranen afwisschend
Ik zal niet langer schreien, zoontje.
zij vult met haar sieraden het wagentje
Zoo, laat u hier een wagentje van maken
van klinkklaar goud, zie zoo, en ga nu spelen.
Radanika en Rohasena af
Zeidet gij niet, dat ons de draagstoel wacht?
Kom, meisje, laat ik mij gereed gaan maken.
Vasantasena en slavin gaan in huis
komt op met de draagstoel van den koningszwager
De prins Samsthánaka, de zwager des Konings heeft mij gelast: ‘Sthaváraka, kom spoedig met den draagstoel naar het oude park Pushpakarándaka.’ Tegen den middag moet ik daar wezen. Maar wat is daar voor een gedrang en een rumoer? Wel, een koninklijke omroeper! Laat ik eens hooren water voor nieuws is.
Hij laat den draagstoel voor het huis van Carudatta staan en mengt zich onder het volk
komt op met veel volk waaronder Çarvilaka
De Koningszwager, Samsthánaka, laat bekend maken: de jonge koeherder Árjaka is door den koning, opdat men geen geloof zou slaan aan de voorspelling, dat hij Koning zal worden, van het veepark weggehaald en in boeien gekluisterd. Maar heden morgen heeft hij den kerker verbroken, den stokbewaarder gedood, zijn ketenen verbrijzeld en zóó ontsnapt is hij voortvluch-
| | | |
tig geworden. Ieder der poortwachters zij op zijn hoede en blijve op zijn post. Grijpt hem, grijpt hem.
af en herhaalt de afkondiging in de verte
Vasantasena komt op met de slavin
Daar is de draagstoel van Carudátta om naar het park te gaan. Meisje, gij kunt thuis blijven en nog wat uitrusten.
Zooals de jonkvrouw beveelt.
Wat een drukte en een gedrang. Laat ik vlug instappen.
Zij gaat de draagstoel binnen en laat de gordijnen zakken, slavin af
Er is een heele opschudding in de stad, laat ik daarom maken dat ik weg kom. Op zij, lomperds, op zij! Wat zeg je? Van wie deze draagstoel is? Van Samsthánaka, de zwager des Konings. En daarom vlug op zij, uit de weg, uit de weg!
af met de draagstoel. Volk af
Wat roept hij om? Is Árjaka ontvlucht?
is onze list gelukt? Is hij, mijn vriend,
dien Pálaka uit angst voor eigen troon
in onverdienden boei gebonden heeft,
is hij ontsnapt? Dan hem te hulp, te hulp
en voortgezet, wat eenmaal is begonnen!
Ik zal verwanten, vrienden, hovelingen,
dienaren van den Koning, die hun smaad
zwijgend verbeten maar den wrok bewaarden,
| | | |
en armen, die op eigen deugd vertrouwend
bij gunstelingen moesten achterstaan,
hen allen zal ik rondgaan, overreden,
opruien, woorden spreken in hun oor,
dat sluimerende schande op gaat leven,
dat de vernedering brandt in hun ziel
en klimt tot razernij. Tesaam verbonden
bestormen wij met plotselinge macht
des Konings wrakken stand en brengen redding
aan hem, den vriend, die roekeloos gevat
en lust moest koelen van een laffen vijand
en die wij thans uit boosheid gaan bevrijden
gelijk de maan uit Rahu's donkren muil!
komt op in groote haast, vermomd en met een gebroken boei aan de voet
Schipbreukeling, ontkomen aan de zee,
den oceaan van ongeval en ramp,
die koninklijke kerker wordt geheeten,
sleep ik, een losgebroken olifant,
den ketting mede aan mijn voet, den boei
waarin mij Koning Pálaka deed klinken,
de doodelijke kluistering, waaruit
mijn vriend Çarvílaka mij heeft bevrijd.
Zoo toebeschikt is, al wat gaat gebeuren,
vooraf bepaald, wat weiflend wordt voorspeld,
wat is mijn schuld dan, wat heb ik misdreven
en ook, wat is de zin dan van mijn straf?
Geen die de lotsvervulling af kan keeren,
Koningen deinzen af, als daar verschijnt
het ongenaakbaar noodlot, tegenstander
| | | |
van machtigen en grooten dezer aard'. -
Hier is een huis met ongesloten grendels,
oud en bouwvallig; het verraadt een heer,
getroffen door een lot zooals het mijne
Laat ik hier binnen gaan.
komt op met de draagstoel van Carudatta
Daar kom ik eindelijk. Ik moest het zitkussen nog gaan halen en wat heeft mij dat lang opgehouden!
Kijk, daar komt een draagstoel dezen kant uit. Zou ze misschien leeg zijn en door het toeval gezonden om mij in veiligheid te brengen?
Hé daar, laat er iemand aan de jonkvrouw zeggen, dat de draagstoel klaar staat om haar naar het oude park Pushpakarándaka te brengen.
Een bajaderendraagstoel en voor buiten de stad bestemd? Kom, ik stap in. hij bestijgt de draagstoel
Ik hoor gerinkel van voetringen, de jonkvrouw zal zijn ingestapt. Dan vooruit, want ik heb mij verlaat en Carudátta zal al wel op ons wachten. hij zet zich in beweging
Viraka en Candanaka komen op met koninklijke wachten
Opgepast allen, zie niets over het hoofd, onderzoekt allen en iedereen, de herdersjongen mag ons niet ontsnappen.
| | | |
Zie eens, daar komt een draagstoel met de gordijnen neer.
Halt daar! Van wie is die draagstoel, wie is er in gestapt en waar gaat hij naar toe?
De draagstoel is van den edelen Carudátta. De bajadere Vasantaséna is er ingestapt en wordt naar het oude park Pushpakarándaka gebracht om zich daar met Carudátta te vermaken.
Op verantwoording van den edelen Carudátta.
Wie is dan wel die edele Carudátta en wie is Vasantaséna, dat zij ongevisiteerd door mag gaan?
Wat? Kent gij Carudátta niet en Vasantaséna niet? Dan kent ge ook niet aan den hemel de maan en haar begeleidend schijnsel,
| | | |
dan kent ge de lotosbloem niet, edelste der planten, noch de parel, puik der vier oceanen. Twee zijn er roemenswaard hier in de stad om hun voortreffelijkheden. Dat zijn die beiden.
Zeker ken ik Carudátta, en Vasantaséna ken ik en van maan en lotosbloem en parel heb ik ook wel eens gehoord. Maar in de uitoefening van mijn koninklijken dienst ken ik zelfs mijn eigen vader niet.
Gij zijt een voortreffelijk hoofdman en in het vertrouwen van den koning. Visiteer gij dan de draagstoel.
Gij zijt ook een uitmuntend hoofdman en 's Konings vertrouweling, onderzoek gij hem dus.
Wat door mij gevisiteerd is, is dat zoo goed als ook door u gevisiteerd?
Wat door u is gevisiteerd, is door den Koning zelf gevisiteerd.
Voerman, laat mij eens kijken. bestijgt de draagstoel
Ik vraag bescherming en beveiliging!
Bescherming hem die ze begeert!
| | | |
van goden en van menschen, en veracht,
verafschuwd, voor een ieder walg en spot
is wie een smeekeling geen hulp verleent!
Kijk, de vogel, die den valk ontkomen was, is toch nog den vogelaar in handen gevallen. ter zijde Hij is onschuldig, hij is een smeekeling, hij zit in den draagstoel van Carudátta. Hij is de vriend van Çarvíluka, die mij vroeger het leven heeft gered. Maar aan de andere kant staat het bevel des Konings. Wat dien ik te doen? Welaan, hij is mijn beschermeling, ik moet hem helpen, er kome wat er komen moet. Hij stapt uit de draagstoel Ik heb hem... ik bedoel, ik heb haar gezien. Zij vraagt, is dat nu welvoegelijk, dat ik op straat word lastig gevallen?
Candánaka, nu begin ik toch te twijfelen!
Uw stem was onzeker en verder, eerst zeidet ge hem en toen haar, dat is verdacht.
Wat een wantrouwendheid! Wij uit het Zuiden, wij spreken allerlei buitenlandsche talen en we zijn niet zoo precies in onze woordenkeus. Wij zeggen van een koe, ik heb hem of ik heb haar gemolken zooals dat voor de mond komt. Moeten we nu
| | | |
daarover gaan kibbelen en gaan muggeziften over mannelijk, vrouwelijk en onzijdig?
Ik wil toch zelf ook graag visiteeren. En buitendien, het is het bevel van den Koning en ik ben zijn vertrouwde.
Ben ik dan zijn vertrouwde niet meer?
Is het niet het uitdrukkelijk bevel van onzen vorst?
Als het bekend wordt, dat hij in de draagstoel van Carudátta is ontsnapt, zal de Koning er dien op aanspreken. Wat te doen? Ik zal ruzie gaan maken, dat kunstje verstaan wij in het Zuiden ook zoo goed. luid Zeg, Víraka, ik, Candánaka, heb al gevisiteerd en nu wil jij het nog eens doen? Wie ben je wel?
En jij dan? Voor wie zie jij jezelf aan?
Je hebt nu een geëerde en geachte betrekking, maar wat je geweest bent, daar denk je liever niet aan.
Wel, wat ben ik dan geweest?
Dat zal ik maar liever niet zeggen.
| | | |
O, zeg het gerust. Candanaka maakt een veelbeteekenend gebaar Nu, wat moet dat beteekenen?
Dat beteekent een oude, afgesleten slijpsteen, dat beteekent een scheermes, dat beteekent krulletjes draaien en haar opmaken. En zóó ben jij hoofdman geworden.
En jij dan, Candánaka? Nu heb jij ook een eervolle betrekking, maar vroeger, man, maar vroeger? Niet waar?
Hoe zoo, vroeger? Ik weet niet, dat ik mij over vroeger heb te schamen.
Ga je gang. Viraka maakt een veelbeteekenend gebaar Nu, wat is dat?
Je moeder is een pauk, je vader een trommelvel en je broer een tamboerijn; zoo ben jij hoofdman geworden.
Wat? Ik een leerlooier? Ik Candánaka? Visiteer den draagstoel eens, als je durft!
Dat durf ik zeker. Voerman, halt! Laat mij er eens in kijken.
| | | |
Hij wil instappen, maar Candanaka grijpt hem onverhoeds bij de haren, werpt hem neer en schopt hem. Opstaande. In de uitoefening van mijn ambt, terwijl ik het bevel des Konings uitvoer, ben ik bij de haren gegrepen en met voeten getrapt! Als ik je niet midden in de rechtzaal laat vierendeelen, heet ik geen Víraka!
Ga naar de rechtzaal of wat mij betreft naar het koninklijke paleis!
Vooruit, voerman, vooruit! En als iemand je staande houdt, zeg dan dat de stoel gevisiteerd is door Candánaka en Víraka. Edele Vasantaséna, dit geef ik u als paspoort! reikt Arjaka een zwaard toe
Een zwaard, een zwaard! o, dank, ik ben gered!
Jonkvrouw, ik heb u uit den nood gered.
wil daarom later Cándana gedenken!
Het noodlot heeft u tot mijn vriend gemaakt.
Ik zal den eedlen Cándana gedenken,
als eenmaal de voorspelling is vervuld.
De draagstoel naar rechts af.
Dat Çiva, Vishnoe, Brahma u beschermen,
Ravi en Candra uwen vijand slaan! -
| | | |
Ik heb den hoofdman Víraka, des konings
vertrouwde, tot mijn doodsvijand gemaakt.
Er blijft slechts één ding over. Met mijn zoons,
met al mijn broeders, vrienden, bloedverwanten
kies ik partij en huldig Árjaka!
allen af
| |
| | | |
Vijfde tafreel
In het park Pushpakarandaka
Carudatta komt op met Maitreya
O, heerlijk park Pushpakarándaka!
De boomen staan als kooplui, bloesems zijn
hun handelswaar, de bijen tollenaars.
Zet u op dezen platten steen. Hoe edel
is hij van welving en geslepenheid! zij gaan zitten
Mijn vriend, waar blijft toch Vardhamánaka?
Slaaf van Carudatta komt op met de draagstoel waarin Arjaka
Zie zoo, hier is het park, laat ik binnengaan. Hé daar, Maitréya!
Slavinnenzoon, waar zijt ge zoo lang gebleven?
Edele Maitréya, wees niet boos; ik bedacht mij, dat ik het zitkussen had vergeten en zoo moest ik teruggaan en ben daardoor zoo lang weggebleven.
Maitréya, help de jonkvrouw bij het uitstappen!
Wat? Heeft zij een ketting aan haar voet, dat ze niet alleen kan uitstappen?
| | | |
Hij schuift de gordijnen terug Wel, dat is geen jonkvrouw maar een jonkman!
Vriend, laat die grappen. Liefde is ongeduldig.
Maar kom, ik wil haar zelf behulpzaam zijn.
ziet Arjaka in den draagstoel
Árjaka, de herdersjongen,
die smeekend om bescherming vraagt.
die door den Koning is gevat? Aan wien
de troon voorspeld is, naar men zegt?
Het noodlot zelve heeft u hier gevoerd
onder mijn oogen. Eerder wil ik sterven
dan hem verraden, die bescherming zoekt.
Neem hem den boei af, Vardhamánaka!
Het is geschied, de boeien zijn geslaakt.
Maar sterkere hebt gij mij omgeslagen,
de banden van den vriendschap.
| | | |
hij is de boeien kwijt, die wij gaan dragen.
Heer, zoo gij goedvindt, wensch ik thans te gaan.
Ga heen, maar stap niet uit. Ge kunt uw voet,
den pas ontkluisterden, nog nauw bewegen.
Gedenk mij in uw woorden.
mij zelven dan die mij behouden heeft.
En nu, van hier! de wachten loopen rond,
de wegen zijn bezet, voort, voort!
Nu dit gebeurd is, schijnt het niet geraden
hier lang te blijven. - Werp de boei, Maitréya,
in de oude put, des Konings oog ziet ver.
| | | |
Ach, hoe verlang ik naar Vasantaséna,
want er verrijzen booze voorgevoelens
en ramp en onheil kondigen zich aan.
Carudatta en Maitreya af
komt op met een roode pij in de hand
Tracht goede werken te vergaren,
den wellust vliedt en zijn gevaren,
ontwaakt, wordt wakker bij den trom
van boete doen; de lust gaat om
en steelt naar boozen dievenaard
de werken, die zijn opgegaard.
Wie de vijf zinnen heeft gedood,
en hunne toegangspoorten sloot,
vernietigd heeft zijn onverstand,
zijn lichaam houdt in strengen band,
zijn eigen ikheid af doet sterven,
hij zal het hemelrijk beërven.
Het hoofd geschoren, het gezicht,
en niet de geest?... het is niets uitgericht.
Maar wie den geest heeft kaal geschoren,
hij heeft terecht zijn schedelhaar verloren.
Ik heb deze pij met rooden kleur geverfd, laat ik ze nu gaan uitspoelen in de vijver van het park.
Halt daar, gemeene bedelmonnik, blijf staan.
O wee, daar is de Koningszwager, Samsthánaka. Omdat één-
| | | |
maal een bedelmonnik hem heeft beleedigd, houdt hij iedere anderen, die hij tegenkomt, aan en laat hem den neus doorboren als een trekstier. Waar zal ik, verlatene, bescherming zoeken? Laat Buddha zelf dan mijn beschermheer zijn.
Prins komt op met den Hoveling, die een zwaard draagt
Halt daar, ellendige bedelaar, blijf staan, blijf staan. Ik zal je hoofd verbrijzelen als een roode radijs op een drinkgelag.
slaat hem.
Zot, het heeft geen pas een bedelmonnik te slaan, iemand die het roode kleed draagt van de zelfverloochening.
Heil u, wees mij genadig, leekebroeder!
Meester, hoort gij het? Hij scheldt mij uit, hij noemt mij zijn broeder.
Ik, de broeder van dien schooier?
Hij noemt u leekebroeder, dat is toch een lofspraak.
Ga door met uw loftuitingen, ga door, monnik.
Gij zijt een verkorene, gij zijt een der gerechten.
Wat? ben ik van koren, en een der gerechten? ben ik een graan-
| | | |
schuur, ben ik een schotel of een pottebakker? En waarom ben je hier gekomen?
Om mijn pij uit te spoelen.
Jou vuile bedelaar! In dit mooiste park van allen, dit overschoone Pushpakarándaka, dat mij geschonken is door mijn eigen zusters man, en in den vijver waar de honden en de jakhalzen uit komen drinken, waar ik, het pronkjuweel der schepping, het toonbeeld van mannelijkheid, mij niet waag te baden, daar zul jij je stinkende lompen, je pij van beschimmelde erwtensoep gaan uitspoelen. Daar heb je ten minste één slag voor verdiend.
slaat hem
Wat hebt ge er aan, die stumper te slaan. Laat hem los, laat hem loopen.
Nu, wacht dan terwijl ik overleg.
Met mijn eigen hart. - Zoontje, mijn hartje, zoontjelief, moet deze monnik gaan of blijven? ‘Hij moet niet blijven en hij moet niet gaan.’ Meester, ik heb overlegd en mijn hart zegt...
| | | |
Hij moet niet blijven, hij moet niet gaan, hij moet niet uitademen, hij moet niet inademen, hier ter plaatse moet hij onmiddellijk neer vallen en worden afgemaakt.
Eere zij Buddha! bescherming, bescherming!
Nu, op één voorwaarde dan.
Dat hij het vuil weggooit zonder het water troebel te maken; of neen, dat hij het water bij mekaar hoopt en dan het vuil troebel maakt.
O, aarde! hoe met dwazen zwaar beladen
zijt ge en dicht begroeid, alsof hun vleesch
uw loofgeboomte en hun beenderstel
de logge klomp van uw gesteente was.
de Bedelmoonik beschimpt den prins door gebaren
Prijs mij, prijs mij een en andermaal!
de Bedelmonnik herhaalt zijn grimassen; af
| | | |
O, zomerweelde der volgroeide boomen!
Hun takken zijgen neer, hun overvloed
is uitgestort op alle paden, bloesems
hangen in trossen neer en honigzeem
drupt uit de kelken, aan de oppertwijgen
glanzen de strakke vruchten in den zon
en papegaaien strijken neer en zwelgen
in overdaad van sap, een apenvolk
afgunstig krijschend grist het gouden ooft,
bijt in de wangen, zuigt het druipend vleesch
en spilt de pitten en de wrange schillen.
En zij, de zwijgenden, de forsche reuzen,
door smachtende lianen vastomklemd,
als mannen bij hun vrouw, zoo staan zij roerloos,
wondervervuld, verzonken in genot. -
Hier is een steen, zet u hier neder.
Nog altijd denk ik aan Vasantaséna,
als een boosaardig woord, een giftigheid,
zoo zit zij etterende in mijn hart.
Hij denkt aan haar, hoezeer ook afgewezen.
De dwaas! zijn onvergolden liefde vindt
rijkdom in derven, voedsel in ontbering.
Waar mag Sthaváraka zijn met den draagstoel?
Mijn maag is knorrig, het wordt etenstijd
| | | |
en een van onzen stand kan niet te voet
naar huis gaan in de heete uren. Zie,
de middagzon, een boozen aap gelijk,
is nauwlijks aan te zien; de aarde kwijnt.
De runderkudde dommelt in de schaduw
terwijl het gras den tragen mond ontvalt,
de woudgazel slurpt uit de warme poelen,
verlaten ligt de heerweg in de zon
en ook de draagstoel schuilt, vermoed ik, ergens.
De zonnesteek doorboort mijn suffend hoofd,
vogels, gevleugelden en pluimgediert,
rust op de takken, warm en hijgend zuchten
de menschen, mannen, lieden en personen
in woning, huis, verblijf en toevluchtsoord.
Meester, nog altijd komt de slaaf niet, meester,
ik wil tot tijdverdrijf iets zingen. hij zingt
hebt ge gehoord, wat ik gezongen heb?
Het klonk als engelen in den hemel.
Met duivelsdrek, anijs, cyper, komijn,
kruidnagels, suiker, drooge gemberwortel,
en koekoeksvleesch bestrooid met pepergruis
pleeg ik mijn heet verhemelte te streelen,
| | | |
hoe zou ik dan niet hemelsch van geluid zijn?
Ach, meester, komt de slaaf nog altijd niet?
Slaaf komt op met den draagstoel, waarin Vasantasena
Ik zit in angst, de zon staat al in het Zuiden, als de Koningszwager maar niet boos op mij is.
Eindelijk! Sthaváraka, mijn vriend, kom eens hier met den stoel Meester, gij mijn leeraar, mijn hooggeschatte leeraar, dien ik met eerbied beschouw als mijn vertrouwden vriend en als mijn meerdere, stap gij het eerst in.
Zooals gij wilt. maakt aanstalten de draagstoel te bestijgen
Wat? hebt gij den draagstoel van uw vader geërfd, is het een familiestuk, dat gij het eerst instapt? Ik ben de eigenaar en ik stap het eerst in.
Ook al zeg ik het, dan moet gij toch zoo beleefd zijn van te antwoorden: Edele, stap in, als 't u blieft.
Nu dan, Edele, stap in, als 't u blieft.
| | | |
Juist, zóó zal ik instappen.
hij stapt in, ziet Vasantasena, springt haastig af en valt den hoveling om den hals
Meester, meester, we zijn verloren, we zijn des doods. Er zit een duivel in den stoel of een dief. Als het een duivel is dan worden we bestolen en als het een dief is, dan eet hij ons op met haar en huid.
Och wat, hoe zou er een duivel in een draagstoel komen? Uw oog is nog verblind door het felle licht of een zonnesteek heeft u in de war gebracht.
Neen, neen, meester, er zit een vrouw in den draagstoel.
Een vrouw? Kom, laat ik eens gaan zien.
Hij stapt in en ziet Vasantasena, ontsteld, ter zijde
Hoe nu? Komt de hinde tot den tijger? Heeft de zwaan haar blanke gade op het eiland in den stroom verlaten en zich begeven tot de kraaien? luide Vasantaséna, dat is niet gepast noch voegzaam, eerst hem hoogmoedig te versmaden en nu van wege het geld en omdat uw moeder het wil...
Neen, neen, door een verwisseling der draagstoelen ben ik hier gekomen; bescherming, bescherming!
Wees onbevreesd, ik zal hem wat wijs maken. - Heerschap, jongemensch, het ís waar, er zit een duivel in den draagstoel.
| | | |
Hoe komt het dan, dat hij u niet heeft opgegeten?
Wie kent den duivel en zijn kuren? Maar zouden we niet te voet naar de stad gaan langs de buitenplaatsen?
Mij wel. Sthaváraka, slaaf, breng de draagstoel naar huis. - Maar neen, wacht eens, wacht eens even. Voor het oog van Goden en Brahmanen zal ik te voet gaan? Neen, neen, ik ga met den draagstoel. Dan zullen ze mij van verre ziende zeggen: ‘Daar gaat de Koningszwager, de groote Heer!’
Vergift is kwaad tot medicijn te maken, toch wil ik het beproeven.
luide Jongmensch, Vasantaséna is hier gekomen om u te ontmoeten!
Komt ze om mij, den menschgeworden God?
Ik heb haar kort geleden boos gemaakt,
nu zal ik haar te voeten vallen, smeeken,
klagen met zoete stem: jonkvrouw, excuus!
| | | |
Meester, let op mijn voetval!
Moedertje, zusjelief, verhoor mijn bede!
Zie mij, grootoogige, aan uw voeteneind,
tweebeenige, tienteenige, ik heb
u in uw eer getast, uw toorn gekitteld,
vergiffenis, verstoot uw dienaar niet!
Ga heen, onwaardig spreekt ge, weg van hier!
stoot hem met de voet
Dit hoofd, gekust door maatje en papaatje,
dat voor de Goden zelfs niet buigen zal,
wordt als een kreng met voeten weggestooten!
Sthaváraka, waar komt die meid vandaan?
Bij 't huis van Carudátta hield ik stil
om het gedrang der menschen. Onderwijl
zal bij vergissing ze zijn ingestapt.
Wat? bij vergissing? niet om mij te zien?
Er uit! Vlug uit den draagstoel! Carudátta,
den bedelaar, den schooier zoekt gij op
en in míjn draagstoel! Uitgestapt, slavin!
| | | |
‘Den eedlen Carudátta zoekt gij op’
zoo zegt hij. O, hoe streelend, hoe vereerend
is mij dat woord. Thans kome wat er wil.
Met eigen handen, met tien lotosvingers
haal ik u bij uw haren uit den stoel.
Laat haar met rust! En gij, Vasantaséna,
Stap uit, ik zal u helpen.
Vasantasena stapt uit en blijft terzijde staan
ontstoken reeds door haar hooghartig woord,
nu is die door haar voeten aangewaaid
tot vol uitslaande vlam. Ter dood, ter dood
hebt ge in een mantel trek, met breede franje
afhangend en versierd met honderd tressen,
of in gebraden vleesch, hè hè, hè hè? bootst smakken na
| | | |
wel neen, welneen. Zeg, meester, maak gij even
sieraad der stad, van af komst bajadere,
maar niet van aard uit bajaderenstand?
Als ik haar om zou brengen, welke boot
zet mij dan over naar het volgend leven?
Den boot zal ík bezorgen. Buitendien,
wie ziet het hier in deze eenzaamheid?
De Goden zien het, de tien hemelstreken,
de maan en vlammende van toom de zon,
de wind, de hemel en het hart hier binnen,
de aarde ziet het, die ons werk aanschouwt.
Dek dan den grond toe met een mantelslip,
Vervloekte zot, zwijg stil!
| | | |
De oude man is bang. Ik zal den slaaf
luid Zeg, mijn vriend, Sthaváraka,
ik zal er op gaan zitten.
| | | |
door mij onedele is die edele vrouw
slechts bij vergissing naar het park gevoerd.
Wat? slaaf, heb ik ook over u geen macht?
Over mijn lijf, niet over mijn geweten
Genade, Heer! zie, ik ben bang.
ge zijt mijn slaaf toch. Waarvoor zijt ge bang?
Heer, voor het volgend leven.
De uitkomst, Heer, van goede en slechte daden.
Hoe is van goede de uitkomst?
| | | |
Prachtig van goud en sieraad.
Die is als ík ben, zwoegend en gedoemd
het brood van anderen te eten. Heer,
Wat? wil je niet? slaat hem
Zal ik uit dit onwaardig slavenleven
ingaan tot nog ellendiger bestaan?
Heer, sla mij dood! een misdaad doe ik niet!
Goed zoo, Sthaváraka! O, zinloos toeval,
dat jij de slaaf en hij de heer moet zijn!
De oude sul is angstig voor de zonde,
de slaaf vreesachtig voor een nabestaan,
maar ik, de Koningszwager, god op aarde,
ik ben voor niemand bang.
ga weg van hier en neem den draagstoel mede.
| | | |
Jonkvrouw, al wat ik kon,
heb ik gedaan; thans is mijn macht ten einde.
af met den draagstoel
Ik heb een middel klaar. Den ouden sukkel
stuur ik met een verzonnen reden weg
en dood dan zelf Vasantaséna. luid
meester, zeg, dacht ge inderdaad, dat ik,
geboren uit een zoo beroemd geslacht,
die daad zou doen? ik zei dat alles maar,
om haar gedwee te maken. Zie, ze schaamt zich
voor derden en ze is onhandelbaar
door uw aanwezigheid. Laat ons alleen.
Zou slechts mijn bijzijn haar weerhouden? Zoekt
grijpt den hoveling bij den slip van zijn kleed
Ik zeg u toch, ik zoek bescherming!
vrees niet, Vasantaséna! ik verlaat
| | | |
u slechts voor kort. - Jongmensch, Vasantaséna
wordt in uw handen als een pand gelegd.
en in mijn handen zal ze blijven, dat beloof ik.
Ja, in waarheid. ter zijde
speel ik den smoorlijke. hij plukt bloemen en tooit zich
Kijk, welk een teeder minnaar, vleiend, smachtend
en vol bezorgdheid. Kom, ik ben gerust. af
Ik zal u goud, ik zal u sieraad geven,
de liefste noemen, uitgelezen taal,
en zie, mijn hoofd, mijn Koninklijke tulban,
ik wil ze u ten voeten leggen. - Wat?
jij wilt mij niet? O, heet begeerlijke,
bedwelmende, onweerstaanbare, wat meent ge,
zijn wij van hout, wij mannen, of van steen?
Bronwel van laagheid, poel van vuile lusten,
die hier met geld mij om te koopen tracht,
wat dacht gij? dat de honigbij verliet
den marmerkelk der zuivre lotosplant?
| | | |
Ik heb den rijken mangoboom genoten
en mag den dorren pijnboom niet.
Die bedelaar wordt mangoboom voor u
en ik een pijnboom? als ge mij beschimpt,
denkt ge aldoor aan den schooier Carudátta?
Hoe zou ik niet? hij woont diep in mijn hart.
Diep in uw hart? Pas op, dan zal ik daar,
diep in uw hart, hem met uzelf verworgen,
wacht, minnares van den berooiden koopman!
O zeg nog eens, nog eens dat zalig woord,
ja, minnares van den berooiden koopman!
Waar blijft hij nu, uw lieve Carudátta,
Was hij een God, een zoon
van Hemelingen, een roemruchte held,
een fabelwezen, ongekend van kracht,
| | | |
hij zou niet kunnen hindren, dat mijn handen
Waar zijt ge toch? O, liefste Carudátta,
nog voor ons beider wenschen zijn vervuld,
word ik hier omgebracht! Ik roep om hulp,
te hulp! maar neen, ik wil niet schreeuwend sterven,
eere den eedlen Carudátta!
Nog altijd noemt zij dien vervloekten naam? wurgt haar
Denk je nog aan hem, slet? denk je nog aan hem?
Eere den eedlen Carudátta!
Slavinnendochter! Vasantasena valt bewusteloos neer
die korf vol zonden, die verzamelplaats
van ontucht, hitte en losbandigheid,
gekomen om haar wulpschen zoetelief,
genomen door een ander, door een hooghartstochtlijk
medeminnaar, in wiens arm
zij is bestorven van vervoering. - Zie,
de trotsche is in een oogwenk neergeveld,
en door mijn adem is zij uitgeblazen
als schijnsel van een lamp. O, vader, moeder,
| | | |
helaas! dat ge niet meer beleven moogt
uw zoon's manmoedigheid en heldendaden!
Hoveling komt op, ter zijde
De vlucht der vogels zegt niets goeds en vrees
verwart mijn denken. luid
Naar rechts, naar links, naar alle kanten.
Wartaal is wat gij zegt en het verschrikt
ik zweer het, meester, bij uw hoofd en voeten,
| | | |
mijn woorden niet? Zie hier mijn daden dan:
de heldendaden van Samsthánaka!
bij de doodgewaande Vasantasena, droevig
De stroom der liefelijkheid is heengevloeid,
de vreugde is geslonken tot haar bron
en de rivier, met eilanden van lach,
met oevers van geluk, is weggeborgen
in haren oorsprongschoot. Ai zie, de lust
en hartstocht onzer oogen, edel spel
onzer gedachten, kroning onzer blijdschap,
troost onzer droefheid, het is al verloren,
verloren Kama's minnemarkt, waarop
als kostelijke koopwaar opgehoopt
deemoed bij adel, eer bij schoonheid lag.
Helaas, helaas, om welk armzalig doel,
heeft hier een booswicht deze schuldelooze
geschonden, deze schutsgodin der stad?
Ik geef u goudgeld en ook kopergeld,
en lekker eten, honderden van dingen,
mijn trouwe vriendschap en ruimschoots een aandeel
in dit stout waagstuk van Samsthánaka!
Dat blijve eigendom van u alleen!
Lach niet! voortaan is enkel vijandschap
en haat en afschuw tusschen ons, vervloekt
| | | |
is alle vriendschap en ik laat u achter
veracht en afgewezen als een boog,
die slap en nutteloos wordt weggeworpen.
Kom, meester, wees niet driftig, kom, wij gaan
te samen naar de stad; ik weet een vroolijk
en dolpleizierig dobbelhuis, ga mee.
Raak mij niet aan, bandiet!
O, dat gij in het volgende bestaan
in al uw vroegere luister wierdt herboren,
maar niet in vroegeren stand, maar als een kind
van onbevlekt geslacht, door zorgende ouders
beschermd, bewaard in welbehoede jeugd!
Waarheen? Waar vlucht ge heen, jij moordenaar,
die in mijn park Pushpakarándaka
die vrouw vermoord hebt? Vriendlief, gij gaat mee
en zult uw loon ontvangen van mijn zwager!
Ah zoo, was dat uw plan? Wacht, schurk!
Prins bevreesd wegloopend
wanneer ge bang zijt, ga dan, ga gerust!
| | | |
Gaan zal ik, ja, maar niet waarheen gij denkt.
Ik ga naar waar mijn andre vrienden zijn,
waar alle edelen zich samen vinden,
naar Árjaka den Koning! af
in uw verderf!... De meester is verdwenen,
den slaaf, den tweeden medeweter leg ik vast
in boeien op den omgang van den toren,
zoo wordt door allen het geheim bewaard,
of deze hier moest spreken? Vasantasena beziende
zíj is voor goed verstomd. Kom, met mijn mantel
dek ik haar toe. Of neen, hij is met teeken
en naam gemerkt... met deze dorre blaren,
verworpelingen van den wervel wind,
met zulk een lijkkleed wordt zij toegedekt. - doet aldus
En thans naar het gerechtshof om terstond
een sluwe aanklacht op te laten schrijven:
Terwille van haar geld heeft Carudátta,
de koopmanszoon, een jonge bajadere
Vasantaséna met zich mee gelokt
naar 't oude park Pushpakarándaka
en heeft haar daar gegrepen en vermoord.
Zoo is het goed bedacht en uitgerekend
tot Carudátta's ondergang. hij wil gaan
Waarheen ik ga, komt overal die monnik,
die duivel met zijn roodgedoopten pij,
mij tegemoet. Hoe kom ik weg? Welaan,
| | | |
over dit brokstuk ingestorten muur
spring ik met een verheven sprong als Hamman
de apenkoning en zweef triumfeerend
en vliegensvlug door 't ongemeten ruim!
hij springt over een stuk muur. Af
Mijn mantel heb ik uitgespoeld; zal ik ze nu aan een tak te drogen hangen? Dan halen de apen ze weg. Of uitspreiden op den grond? Dan wordt ze vuil van het stof. Wacht, ik zal ze hier neerleggen, op deze hoop droge blaren. Doet aldus Eere den Buddha! gaat zitten. Kom, ik zal de woorden der wet opzeggen:
Wie de vijf zinnen heeft gedood
en hunne toegangspoorten sloot,
vernietigd heeft zijn onverstand,
zijn lichaam houdt in strengen band,
zijn eigen ikheid af doet sterven,
hij zal het hemelrijk beërven.
Maar hoe kan ik denken aan hemel en zaligheid, zoolang ik die dienares van Buddha den dienst niet heb vergolden, die zij mij heeft aangedaan door mij voor tien goudstukken los te koopen uit de handen van den speelbankhouder; sedert dat oogenblik beschouw ik mij als haar slaaf en eigendom. Vasantasena komt tot bewustzijn. Wat zucht daar onder die blaren? Mijn mantel heeft ze zeker vochtig gemaakt, dat zij trillen als vleugelen en als veeren. Maar neen, er komt een hand te voorschijn, een vrouwenhand, met ringen en juweelen. Het is of ik ze ken! Laat ik eens nader zien. Hij woelt de blaren op. Zij is het, zij is het, de dienares van Buddha! Vasantasena verlangt te drinken. Zij vraagt om water. Wat zal ik doen? De vijver is te ver af; wacht ik zal mijn
| | | |
pij boven haar uitwringen. doet aldus. Vasantasena tot bewustzijn gekomen richt zich op
de dienares van Buddha niet meer mijner,
dien zij heeft losgekocht voor tien soevarna's?
Uw aangezicht is mij bekend, uw woorden
versta ik niet, ach ware ik toch gestorven!
Zuster in Buddha, welk een vreemde wensch!
Een wensch wel passend aan een bajadere.
Sta op, sta op, dienstmaagd van Buddha, richt u
omhoog aan deze hangende liane.
Buigt een liane neer, Vasantasena grijpt haar en staat op
Ginds in het klooster woont een vrome vrouw;
als zij u heeft verkwikt met lafenis,
zult gij gesterkt weer huiswaarts kunnen keeren.
Ga zachtjes, zachtjes dan, dienstmaagd des Heeren!
Een jonge vrouw, een bedelmonnik, o!
hoe groot een aanstoot voor het oog der wereld.
| | | |
Wie hart en mond en zinnen kan bedwingen.
hij blijft onaangetast van aardsche dingen,
Paleis noch scepter heeft voor hem bestand,
De Eeuwigheid ligt veilig in zijn hand!
|
|
|