terug  begin  verderprepost
[p. 388]

Derde bedrijf

[p. 389]

Zesde tafreel

Gerechtszaal
Op de estrade der rechters wacht de bode op het binnenkomen van het gerechtshof. Onder het volk, dat komt om aanklachten in te dienen, de prins Samsthanaka in een schitterend kleed
Prins
 
Gebaad in water, vloeistof, vocht en nat,
 
heb ik in park en bosch en woud gezeten
 
bij vrouwen, meisjes, maagden, jongedochters,
 
fier op de pracht en welstand van mijn leden.
 
Ik draag mijn haar in krullen, in een vlecht,
 
gekuifd, loshangend of in schommellokken,
 
wiss'lend, afwiss'lend, nu eens dit dan dat,
 
een geestige onrust en een speelsch vernuft
 
zoo ben ik, ik de prins Samsthánaka. -
 
Ik heb, als wormen in een lotosknop,
 
gezocht naar leegte en leegte ook gevonden,
 
hier in mij zelf. Wie was het, wie ook weer,
 
die ik de schuld wou geven van dit dwaas,
 
dit jammerlijk bedrijf?... Ik weet het thans.
 
Op Carudátta wordt het afgeschoven,
 
Zijn armoe doet ook een verzonnen kwaad
 
terstond geloof en gretigen ingang vinden.
 
De zetels staan gereed, de rechters komen,
 
Hier zet ik mij en wacht een oogenblik.
Bode
 
De heeren rechters zullen zitting nemen!
Rechters met gildemeester, griffier en anderen komen op
[p. 390]
Rechter
 
Gij, Heeren Gildemeester en griffier!
 
Bezwaarlijk is het ambt des rechters, gansch
 
in de gedachten, in de handelingen
 
van anderen vervat, afhankelijk
 
van wisselvalligheid, dat af moet gaan
 
op des gedings verwarring; onbewezen
 
vermoedens worden voorgebracht; verzwegen
 
de eigen schuld; voorliefde, vijandschap
 
doorvlamt het woord en hitte van den strijd,
 
waar samenstaat in hachlijken balans
 
partij, tegenpartij, belangendienst,
 
invloed en vorstengunst. En valt ten laatste
 
het scheidend vonniswoord, dan is gemeenlijk
 
elk der gedaagden gram en onvoldaan
 
en niemand prijst het oordeel van den rechter.
 
En toch, hoe veel verlangend is zijn ambt!
 
Het wetboek moet hij kennen, alle paden
 
van de ontduiking weten na te gaan,
 
zijn woord moet treffend zijn, hij zelf gelaten
 
bij vriend en vijand eender van gedrag,
 
den boozen schrik, den zwakken toevluchtshaven,
 
den grooten ontoegankelijke rots,
 
voor hun beloften doof, onaangerand
 
door vreesbedreigingen ook van den troon,
 
en eindelijk niet tot een wetsverklaren
 
en tot der rechtspraak uiterlijken gang
 
en regelmatigheid zich zelf bepalend
 
maar innerlijk verband en samenhang
 
in alles nagaand, met zijn hart aanvaardend
 
der dingen heiligste waarachtigheid.
[p. 391]
Gildemeester
 
Ook in de hoogste deugden zijn gebreken
 
en in het maanlicht zelf is duisternis.
Rechter
 
Bode, ga thans en vraag met luider stem,
 
wie er een aanklacht in te dienen heeft.
Bode tot het volk
 
Het hoog gerechtshof kondigt af en vraagt,
 
wie er een aanklacht in te dienen heeft.
Prins
 
Ik, man van aanzien, ik, een god op aarde,
 
ik, prins Samsthánaka, de Koningszwager,
 
ik wensch hier zelf een aanklacht in te dienen.
Bode tot den rechter
 
De prins Samsthánaka komt met een aanklacht.
Rechter
 
De prins als eerste? Dat verkondigt onheil
 
als zonsverduistering bij vroegen morgen.
 
tot de bode
 
Zeg, dat hij voorkomt.
Bode tot den prins
 
Heer, de rechtbank wacht u.
Prins
 
Míj gaat het wel; of ik dat ú zal wenschen,
 
staat ter beschikking van mijn willekeur.
[p. 392]
Rechter ter zijde
 
Een kiesche groet.
 
luide Gelieve plaats te nemen.
Prins
 
De grond behoort aan mij en ik neem plaats
 
waar mij behaagt,
 
tot den griffier hier
 
legt zijn hand op het hoofd des rechters hier
 
zet zich op den grond hier ga ik zitten.
Rechter
 
Hebt gij een aanklacht?
Prins
 
Ja.
Rechter
 
Van welken inhoud?
Prins
 
Vergun, dat ik het fluistere in uw oor.
 
Ik ben geboren uit zeer hoog geslacht,
 
mijn vader is schoonvader van den Koning;
 
de Koning is een schoonzoon van mijn vader;
 
ik ben de zwager van den Koning; hij,
 
de Koning, is mijn zusters man.
Rechter
 
Dat alles
 
is ons bekend en niet ter zake dienend.
 
Geboorte geldt hier niet; de vetste grond
 
draagt soms het meeste onkruid. Zeg uw aanklacht.
[p. 393]
Prins
 
Ik spreek. Ook als ik iets misdreven had,
 
laat mij de Koning ongestraft. Welnu,
 
hij dan, mijn zusters echtgenoot, hij heeft
 
uit overgroote liefde aan mij geschonken
 
het schoone park Pushpakarándaka
 
om er te wandlen, rond te gaan, te spelen.
 
Ik kom er dagelijks en zie er toe
 
of er gewied wordt en gesnoeid, tot dat
 
door noodlot's toedoen ik er moest ontmoeten
 
het lichaam van een vrouw, het doode lijk.
Rechter
 
Is het bekend, wie de ontzielde was?
Prins
 
Hoe zou het niet? Het pronkjuweel der stad,
 
een vrouw met kostbaarheden volgehangen,
 
met goud en sieraad overladen. Hoort!
 
terwille van haar geld is onverhoeds
 
Vasantaséna in het eenzaam park
 
vermoord, verwurgd door onbekenden dader,
 
maar niet door mij...
 
na half te hebben uitgesproken legt hij zijn hand op de mond
Rechter
 
O, droevig plichtverzuim
 
der stadsbewakers! - Gildemeester, schrijver,
 
gij hebt het ook gehoord: maar niet door mij.
 
Laat dat voorloopig worden opgeteekend.
[p. 394]
Prins ter zijde
 
O wee! zooals een al te gretig eter
 
verslik ik mij aan eigen gulzigheid.
 
luid Griffier, ik heb gezegd: door mij gezien,
 
maar niet door mij vermoord. Waartoe dat schrijven?
 
hij verscheurt het protokol
Rechter
 
Hoe weet gij, dat zij om haar geld gewurgd is?
Prins
 
Dat weet ik uit haar opgezwollen hals
 
en het gemis van voet- en vingerringen.
Gildemeester
 
Volkomen juist.
Prins ter zijde
 
Goddank, ik ben herleefd.
Rechter tot den bode
 
Ga, roep de moeder van Vasantaséna.
Bode tot het volk
 
De moeder van Vasantasena!
 
tot de moeder van Vasantaséna
 
Volg mij,
 
de rechtbank wenscht uw tegenwoordigheid.
Moeder
 
Heil u, achtbare Heeren des gerechts!
Rechter
 
Dank, moedertje.
[p. 395]
Prins
 
Dank, oude koppelaarster!
Rechter
 
Zijt gij Vasantaséna's moeder?
Moeder
 
Zeker.
Rechter
 
Waar is uw dochter?
Moeder
 
Bij een vriend in huis.
Rechter
 
Hoe heet die vriend?
Moeder ter zijde
 
Dat gaat toch al te ver.
 
luid Al is men rechter, zoo iets vraagt men niet.
Rechter
 
Niet ik, maar het geding zelf vraagt het u.
Gildemeester
 
Er steekt geen kwaad in, zeg het ons gerust.
Moeder
 
Hoe? het geding? welnu dan, heeren rechters,
 
De koopman Carudátta is zijn naam,
 
bij hem geniet mijn kind haar jonge jaren.
[p. 396]
Prins
 
Gij hoort het! laat dat worden opgeteekend!
 
Den koopman Carudátta klaag ik aan.
Gildemeester
 
Dat hij haar vriend is, is toch geen vergrijp.
Rechter
 
Laat men den koopman Carudátta roepen.
Bode tot het volk
 
De koopman Carudatta, de Brahmaan!
 
achter de schermen herhaald
Carudatta komt op, ter zijde
 
Is 't uitgekomen, dat ik Árjaka
 
den herder met mijn draagstoel heb gered?
 
De vogels schreeuwen, trillen doet mijn oog
 
en dwars kroop er een giftslang op den weg.
Bode
 
Heer, wil mij volgen naar het hoog gerecht.
Rechter ter zijde
 
Zoo is het aangezicht der zonde niet.
Carudatta
 
Heil u, achtbare rechters en beambten!
Rechter
 
Wees welkom. Bode, zet een zetel neer.
Prins
 
Wel ja, een zetel voor den moordenaar.
[p. 397]
Rechter
 
Wij wenschen, edele Carudátta, dit te weten:
 
is u de dochter dezer oude vrouw
 
wellicht bekend?
Carudatta
 
Van welke oude vrouw?
Rechter
 
Van deze hier.
Carudatta tot Vasantasena's moeder
 
Eerbiedig groet ik u.
Moeder
 
Mijn zoon, ik wensch u allen voorspoed.
 
ter zijde Waarlijk,
 
mijn meisje weet haar keuze goed te doen.
Rechter
 
Spreek, is de bajadere uw vriendin?
 
Carudatta zwijgt beschaamd
Prins
 
De valschaard zwijgt uit angst. Hier staat een man,
 
een hooggeborene, die weet te spreken.
Rechter
 
De zaak is vol verstoring. Laat uw schaamte
 
zijn afgelegd, zoo eischt het het geding.
Carudatta
 
Heb ik een rechtsgeding? met wie?
[p. 398]
Prins op hoogen toon
 
Met mij!
Carudatta
 
Met ú? Het valt mij moeilijk dát te dragen.
Prins
 
O, moordenaar, gij hebt Vasantaséna,
 
die was getooid met honderde juweelen
 
met eigen hand gedood en nu ontkent ge
 
en loochent het, bedrieger, die gij zijt.
Carudatta
 
Al wat gij zegt, is onzin.
Rechter
 
Edele,
 
genoeg van hem; zeg ons de waarheid, is
 
Vasantaséna uw vriendin?
Carudatta
 
Zij is het.
Rechter
 
Waar is zij thans?
Carudatta
 
Zij is naar huis gegaan.
Gildemeester
 
Naar huis gegaan? Wanneer? In wiens gezelschap?
Carudatta
 
Zij is naar huis gegaan; meer weet ik niet.
[p. 399]
Prins
 
Naar 't oude park Pushpakarándaka,
 
daar heeft hij ze gebracht en om haar geld
 
gewurgd met eigen handen en nu zegt hij:
 
ze is naar huis gegaan.
Carudatta
 
Onsamenhangend
 
en ongerijmd, verward en tegenstrijdig
 
is uw verhaal en het weerlegt zich zelf.
Rechter tot gildemeester en griffier
 
Der bergen top te tillen in zijn hand,
 
den wind te grijpen en de wereldzee
 
dwars te doorvaren, het is even licht
 
als dezen hier, den eedlen Carudátta,
 
van misdaad te betichten. Zie hem aan
 
en zeg, is dat het uiterlijk der zonde?
Prins
 
Te hulp, te hulp! Hier wordt de wet verkracht!
Rechter streng
 
Zot, scheer u weg! gij waagt het hier te spreken
 
van wet en wetsverkrachting en uw tong
 
is nog niet weggeschrompeld in uw mond?
 
Gij ziet den middagzon in 't aangezicht
 
en nog vergaan uw oogen niet? Gij steekt
 
uw hand in vuur en vlammen en zij valt
 
níet brandend af? Gij waagt het Carudátta
 
zijn goeden naam te ontstelen en de aarde
 
verslindt u niet het eigen oogenblik?
[p. 400]
 
Hij, die de schatten aller oceanen
 
te saam verworven had, zoodat de zee
 
alleen haar eb en vloed, haar leege daling,
 
haar vruchtelooze stijging over had,
 
en die die weelde en ongetelde rijkdom
 
aan anderen om niet heeft weggeschonken,
 
hij zou een daad, die door een vijand zelfs
 
verafschuwd wordt, moedwillig gaan bedrijven
 
om geld? om geld?
Prins schreeuwt
 
Hier wordt de wet verkracht!
Moeder
 
Ellendeling! hij die daar staat, hij heeft,
 
toen hem een kistje goud, een onderpand
 
ontstolen was, daarvoor een parelsnoer,
 
het puik der oceanen aangeboden,
 
zijn laatst bezit en om een poover geld
 
zou hij nu zóó icts doen? weenend
 
Mijn kind, mijn dochter,
 
waar zijt ge? ach, kom hier! waar blijft ge toch?
Bode
 
De hoofdman van de stadswacht, Víraka!
Rechter
 
Wees welkom, Víraka. Wat brengt u hier?
Viraka
 
Ik groet de Heeren van het hoog gerechtshof!
 
Toen na de vlucht des herders Árjaka
 
ik acht gaf den ontkomene te vangen,
[p. 401]
 
en er een draagstoel kwam met toegesloten
 
gordijnen, die ik onderzoeken wilde,
 
toen ben ik door Candánaka, den hoofdman,
 
getrapt, geschopt en met den voet getreden.
 
Ziedaar mijn klacht. Aan u thans de beslissing.
Rechter
 
Weet gij, van wie de draagstoel was?
Viraka
 
Welzeker.
 
Van dezen hier, den eedlen Carudátta.
 
‘Vasantaséna is er in, zij gaat,
 
naar 't oude park Pushpakarándaka
 
tot haar beminde’ aldus sprak de voerman.
Prins
 
Hoort gij het andermaal, o Heeren rechters?
Rechter ter zijde
 
Verduistering bedekt de blanke maan,
 
De oever stort en troebel wordt het water.
 
luide Uw zaak zal worden onderzocht. Maar thans
 
nog dit: heeft soms de manschap van de wacht
 
in 't oude park Pushpakarándaka
 
het lijk gevonden van een vrouw?
Viraka
 
Wij vonden
 
het voetpad opgewoeld, bloemen en gras
 
geknakt en stukgetreden; op den grond
 
de flarden van een lijfdoek en een tres
 
lang vrouwenhaar.
[p. 402]
Rechter
 
Wij weten thans genoeg,
 
en danken u ten zeerste. Gij kunt gaan.
 
Viraka af
Carudatta ter zijde
 
Zooals op bloesems bij hun eerst ontluiken
 
een zwerm van bijen dorstende zich stort,
 
zoo vallen ramp en tegenspoed bij drommen
 
dicht op mij neer; is eens de scheur ontdekt,
 
dan dringt het onheil onweerstaanbaar binnen.
Rechter
 
Spreek, Carudátta, zeg ons thans de waarheid.
Carudatta
 
Wat een boosaardig man, verblind door afgunst,
 
verhit door hartstocht en belust op moord,
 
met valschen toeleg heeft in een gezet,
 
wordt dat voetstoots geloofd en aangenomen?
 
Ik, die geen bloesemtak, die geen liane
 
omlaag zou halen, gretig naar den bloem,
 
ik zou het zachte, lange vrouwenhaar,
 
glanzend als bijenvleugels, met mijn handen
 
gaan plunderen? Ik zou een teere vrouw
 
weerloos en weenend, driftig aan gaan grijpen
 
en wurgen in den jammerenden keel?
Prins
 
Wordt hier gerechtigheid gedaan en mag
 
die schurk nog op zijn zetel blijven zitten?
Rechter
 
Bode, gij hoort het woord des prinsen.
[p. 403]
Carudatta
 
Rechter,
 
bedenk wel wat gij doet!
 
verlaat den zetel op uitnoodiging van den bode en gaat op
 
den grond zitten
Prins
 
danst van vreugde en gaat op den zetel van Carudatta zitten
 
ter zijde Zie zoo, het kwaad
 
door mij gedaan, is op hem neergekomen
 
en ik kom op zijn eereplaats terecht.
 
luid Wel, Carudátta, zie mij nu eens aan
 
en zeg het maar: ze is door mij gedood.
Carudatta
 
Nog eens, o rechters, wat wraakgierigheid
 
en haat verzonnen heeft en uitgedacht,
 
wordt dat geloofd en blindlings aangenomen?
 
ter zijde Helaas, Maitréya, welk een onheilsdag!
 
Ach, Rohaséna, kind dat speelt en dartelt
 
en lacht in onschuld bij de schuld des vaders!
 
Ik heb Maitréya naar haar huis gezonden
 
om de juweelen door haar neergelegd
 
in 't speelgoed van mijn kind terug te brengen.
 
Waar mag hij blijven?
Maitreya komt op, ter zijde
 
Er gaat een vreemd gerucht. Het zeggen is,
 
dat Carudátta voor den hoogen rechter
 
gedaagd en opontboden is. Voorzeker
 
geldt het een zaak van ongewoon gewicht.
 
luid Heil u, mijn vriend! Hoe ziet ge zoo ontsteld?
 
Wat legt men u ten laste?
[p. 404]
Carudatta
 
Ik immers, zwelgend in verdorvenheid
 
en onbekommerd om mijn eeuwig leven,
 
ík heb een vrouw of liever de godin
 
der liefde zelf... het overige zegt deze.
Maitreya
 
Wát? Wát?
Carudatta fluistert hem wat in
 
Zoo is het.
Maitreya
 
En wie durft dat zeggen?
Carudatta
 
Niet deze hier, het noodlot zelf, bij monde
 
van hem, draagt tegen mij die aanklacht voor.
Maitreya
 
En zegt ge niet: ze is naar huis gegaan?
Carudatta
 
Het ís gezegd, maar door de vijandschap
 
en de vervolging van mijn booze noodlot
 
wordt het niet aangenomen.
Maitreya
 
Heeren Rechters!
 
Een man, een burger, door wien Ujjayíni
 
versierd is met gebouwen, kloosters, tuinen,
 
godshuizen en gedrenkt met watervijvers
 
en springfonteinen, zulk een medeburger
[p. 405]
 
zou om der wille van een schamel geld
 
een daad gaan doen, verfoeid, vervloekt in deze,
 
ter eeuwigheid verdoemd in de andere wereld?
 
Wel, Koninklijke prins, Samsthánaka,
 
opborrelende bron van lastertaal
 
en geile aap met klatergoud behangen,
 
zeg nóg eens in mijn aangezicht, wat zou
 
mijn vriend misdreven hebben?
Prins
 
Houd uw mond!
 
met Carudátta heb ik een geding
 
en niet met u.
Maitreya
 
Wacht, koppelaarsterzoon,
 
Hier met mijn stok, krom als jouw slinksche streken,
 
sla ik je hoofd in duizend gruizels!
Prins
 
Wat?
 
jij kraaipootschedelkop! wou jij mijn hoofd,
 
het hooggezalfde, met jouw vuile handen
 
benaderen? Pas op, slavinnezoon,
 
kwajongen van Brahmaan! Zij vechten en uit den gordel
 
van Maitreya vallen de sieraden van Vasantasena
 
O, ziet, o ziet
 
de kostbaarheden van Vasantaséna,
 
het bloedgeld, loon en oorzaak van den moord!
 
De rechters blijven allen met het hoofd naar omlaag gewend
Carudatta ter zijde tot Maitreya
 
Deze juweelenschat, door noodlot's toedoen
 
uw ríem ontvallen, brengt ook ons ten val.
[p. 406]
Maitreya
 
Verhaal de gansche toedracht toch!
Carudatta
 
Mijn vriend,
 
zwak is het oog des Konings, niet doordringend
 
de werkelijkheid; een woord, dat geen geloof
 
noch ingang vinden kan, voegt aan den dood
 
slechts smaad en schande toe.
Rechter
 
Helaas, helaas,
 
een ongeluksgesternte is opgegaan!
Gildemeester
 
tot de moeder van Vasantasena
 
Vrouwtje, is dit het sieraad van uw dochter?
Moeder
 
Het lijkt er op, hetzelfde is het niet.
Prins
 
Bedriegster, met uw oogen zegt ge ja,
 
al zwijgt uw mond.
Moeder
 
Laat mij met rust, schavuit!
Rechter
 
Behoort dit goud aan ú toe, Carudátta?
Carudatta
 
Neen, neen.
[p. 407]
Rechter
 
Aan wie dan?
Carudatta
 
Aan Vasantaséna.
Rechter
 
En komt het uit uw huis?
Carudatta
 
Bij mij uit huis.
Rechter
 
Zeg thans de waarheid, Carudátta! Zie,
 
waarheid, het zijn twee enkele syllaben,
 
maar al ons zielsheil is er in vervat.
Carudatta
 
Ik ken het goudwerk niet, ik heb het nooit
 
gezien, het hoort Vasantaséna toe,
 
zie daar al wat ik weet en ook nog dit,
 
dat het bij mij uit huis komt.
Rechter
 
Carudátta,
 
zeg thans de waarheid nog, vóór dat de zweep,
 
met felle slagen op uw lichaam vallend,
 
de hulsels weg doet vallen van uw hart!
Carudatta
 
Ik ben gelijk mijn vader was, onschuldig,
 
onschuldig ben ik, zoo van hart als hand.
[p. 408]
 
Maar dan, als allen mij van kwaad verdenken,
 
wat baat het dan, dat ik onschuldig ben? -
 
ter zijde En ook, het walgt mij langer nog te twisten,
 
te vechten om een leven dat te loor
 
en doelloos is geworden sinds haar dood.
 
luid Welaan dan, Heeren rechters, zonder omhaal
 
spreek ik het uit en in beknopten vorm:
 
ik, slechtaard, in een zondenpoel gedompeld
 
en ongedachtig mijn geluk in deze
 
en mijn toekomstig heil in gene wereld,
 
ik heb een vrouw of liever de godin
 
der liefde zelf... het overige zegt deze.
Prins
 
Kom, zeg het nu ook zelf maar: omgebracht.
Carudatta
 
Gij zegt het.
Prins
 
Luistert, Heeren rechters, luistert
 
en schrijft het op: door dezen omgebracht.
 
En thans, nu twijfel niet meer mooglijk is,
 
wordt hij nu niet in hechtenis genomen?
Rechter
 
Het zij zoo. Wachters, grijpt dien Carudátta!
 
De uitspraak over schuld of onschuld staat
 
aan ons, de straf bepaling aan den Koning.
 
Bode, bericht aan Koning Pálaka
 
ons oordeel en herinner hem den tekst
 
van Manu's wetboek; dat men geen Brahmaan
 
mag dooden, schoon hij staat in alle zonden,
[p. 409]
 
noch zijn bezit ontnemen; ballingschap,
 
uitstooting uit het rijk, dat zij zijn deel.
 
Bode af
Moeder
 
Genade, Heeren rechters, weest genadig!
 
Is dan misschien mijn dochter omgebracht,
 
ik kan aan dezen hier geen kwaad toewenschen.
 
En ook nog dit: is hier een rechtsgeding,
 
van klager en beklaagde, dan moet ik
 
de klager zijn en heb den eisch te stellen,
 
en ik bezweer u, rechter, laat hem vrij!
Prins
 
Ga heen, zottin!
Rechter
 
Wachters, geleidt haar weg!
Moeder
 
Ach Carudátta! Kind! Mijn eigen zoon! weenende af
Prins
 
Ik heb een werk voleindigd mijner waardig,
 
mijn taak is afgeloopen, ik kan gaan. af
Carudatta
 
Helaas, Maitréya, welk een onheilsdag!
 
Ach, Rohaséna, kind, dat speelt en dartelt
 
en lacht in onschuld, bij de schuld uws vaders.
Bode komt op
 
Hier is het vonnis, Heeren des gerechts!
[p. 410]
Rechter
 
Hoort!
 
Aldus vonnist koning Pálaka:
 
Hij, die terwille van een schamel geld
 
Vasantaséna heeft vermoord, hij worde
 
behangen met het eigen goudsieraad
 
en onder trommelslag geleid ter rechtplaats
 
en aan de paal onthoofd! Een iegelijk,
 
die waagt een zelfde misdaad te bedrijven,
 
moge zich wachten voor de zelfde straf!
Carudatta
 
Ach, blindlings handelt Koning Pálaka.
 
Zoo worden vorsten door hun wanberaders
 
in 't vuur van wetsverkrachting en geweld
 
en onschuldonderdrukking neergestort,
 
en gaan ten laatste troon en rijksregeering
 
te recht in vlammen op. - Maitréya, ga
 
en wil mijn zoon in uw bescherming nemen.
Maitreya
 
Waartoe den boom beschermen, als de wortel
 
wordt afgehouwen?
Carudatta
 
Vriend, spreek niet aldus!
 
Zie in den zoon het evenbeeld des vaders,
 
en laat uw liefde hém zijn toegewijd.
 
Breng hem nog éénmaal voor mijn aangezicht.
Maitreya
 
Ik zal uw wensch bezorgen.
[p. 411]
Rechter
 
Bode, voer
 
den dienaar weg Maitreya af. en wachters, overhandigt
 
den schuldige aan de knechten van den beul.
 
beulsknechten komen op
 
Niet wij, de Koning is 't die zoo beveelt.
 
Rechter af
Carudatta
 
Hoe? zonder godsoordeel en zonder proef
 
van gift en water, brandend vuur of weegschaal
 
wordt roekeloos mijn lichaam onderworpen
 
aan dood en foltering? Gevloekte Koning,
 
gij waagt het, afgaand op een enkel woord
 
gesproken door een vijand, aan te randen
 
het onaantastbaar lijf van een Brahmaan?
 
Te midden van de hel, van vuur en vlammen,
 
van angst en wroeging en verdoemenis
 
komt gij terecht ter marteling, gij zelf,
 
kind en kindskind in alle eeuwigheid! -
 
Bloedknechts, ik ben gereed.
 
allen af
[p. 412]

Zevende tafreel

Plein in de nabijheid der rechtplaats Carudatta komt op, geleid door twee beulsknechten. Volk
Eerste beul

Op zij, Edelen, gaat op zij! Hier komt de Koopman Carudátta, omhangen met oleandersnoeren en door de beulsknechten ter terechtstelling geleid. Zijn einde nadert allengs, allengs, als van een lamp, die te weinig olie heeft.

Tweede beul

Kom, Carudátta, wees goedsmoeds en heb op ons vertrouwen. Wij zijn uitmuntend in ons vak en handig en bedreven in de nieuwste soorten van terechtstellingen. En van onthoofden en radbraken hebben wij bizonder werk gemaakt.

Carudatta
 
Mijn lichaam is als van een offerdier
 
bestrooid met meel, gezalfd met rooden sandel,
 
van tranen nat en bont van kerkhofbloemen:
 
gekras van raven klinkt het tegemoet.
Eerste beul

Op zij, Edelen, gaat op zij! Waarom gaapt ge den goeden man hier aan, die wij, dragers van den bijl, des doods zullen doen sterven? Kom, Carudátta, kom.

Tweede beul

Zie toch eens, mijn waarde ambtsbroeder, is het niet, of de hemel schreit, zoo stroomen de tranen van het vrouwvolk. De weg is er zoo waar van besproeid en van stof zullen we geen last hebben.

[p. 413]
Carudatta
 
O, wankel, wisselvallig lot des menschen
 
en's levens bittere onbestendigheid!
 
Nu dezen hier mijn lichaam zien, gelaten
 
zuchten zij in zich zelf: wat is de mensch!
 
wenden zich af, halen de schouders op
 
en zijn tot hulp onmachtig. Halverwegen
 
gebogen uit een raam van het paleis
 
en tranen stortende als waterbeken
 
preev'len de vrouwen: arme Carudátta!
 
en moedeloos versterft hun fluisterwoord.
Eerste beul

Dit is de plaats der afkondiging. Slaat den trommel en laat ons het vonnis afkondigen. Trommelslag

Tweede beul
 
Hoort, Edelen, hoort! De Koopman Carudátta
 
heeft om haar schamel geld Vasantaséna
 
in 't oude park Pushpakarándaka
 
vermoord met voorbedachten rade.
 
Hij is bevonden in bezit des diefstals
 
en heeft bekend. Hierover uitspraak doend'
 
laat koning Pálaka hem door de beulen
 
onthoofden aan den paal. Een iegelijk,
 
die waagt een zelfde misdaad te bedrijven,
 
moge zich wachten voor dezelfde straf!
Carudatta zich de ooren toehoudende
 
Mijn naam, die eens genoemd werd in gebeden,
 
die in den tempel vroom werd opgezegd,
 
wordt nu den volke door den mond der beulen
[p. 414]
 
verkondigd in de holle taal des doods. -
 
opziende Vasantaséna! in wier pareltanden,
 
en lippen als verrukkelijk koraal
 
mijn zielsverlustiging bestond, ik heb
 
den nektar van uw aangezicht gedronken
 
en bitter smaakt mij nu der schande gif.
 
rondziende Daar gaan mijn vrienden! Met het overkleed
 
bedekken zij het hoofd en langs een omweg
 
ontwijken zij mijn blik; een vreemde wordt
 
verwant en vriend van wie in welstand leven,
 
in rampspoed wordt een vriend een vreemdeling.
Eerste beul tot tweeden beul

Er is ruimte gemaakt, de hoofdstraat is vrij. Voer hem den weg naar de rechtplaats!

Rohasena achter de schermen
 
O, vader, vader!
Carudatta
 
Hoofd der minst geëerde
 
en laagste kaste, maar nog niet zoo laag
 
als het gedrag van Koning Pálaka,
 
ik wensch van u een gave te ontvangen
 
en bij uw volgend leven vraag ik u:
 
laat mij het aangezicht van mijnen zoon
 
nog éénmaal zien!
Eerste beul
 
Wij weigeren het niet.
 
Aldus geschiede.
[p. 415]
Rohasena achter de schermen
 
Vader, vadertje!
Tweede beul
 
Kom hier, kind!
Maitreya komt op met Rohasena
 
Haast u, jongen, haast u wat!
 
Uw vader wordt ter rechtplaats heengevoerd.
 
tot Carudatta
 
Mijn vriend, mijn vriend, hoe moet ik u ontmoeten!
Carudatta
 
Ach, kind, mijn poover kind, hoezeer beroofd,
 
en arm en eenzaam wordt gij nagelaten!
 
Wat geef ik u? beziet zich zelf
 
Dit is mijn eenigste,
 
het offerkoord; een snoer, van parels niet,
 
niet van goud, maar heilig lijfsieraad
 
van den Brahmaan en dat u aandeel geeft
 
in onzer vaadren oude godsvereering.
 
Laat dat mijn gave zijn.
 
geeft het offerkoord aan Rohasena
Rohasena
 
Zegt, vreemde mannen,
 
Waar brengt gij vader heen?
Carudatta
 
Mijn kind, ik draag
 
den krans van oleander om den hals,
 
den schandpaal op den schouder, in het harte
 
angst en ontzetting; als een offerdier
[p. 416]
 
ter wreede slachtbank, word ik heengeleid
 
naar de gerechtplaats.
Rohasena
 
Waarom wilt ge vader
 
ter dood gaan brengen?
Eerste beul
 
De uitspraak van den Koning,
 
niet wij zijn schuld.
Rohasena
 
Doodt míj, laat vader los!
Tweede beul
 
Een leven van geluk verdient ge, kind,
 
om wat ge zegt!
Carudatta
 
onder tranen zijn zoon omhelzend
 
O, deze liefde, schat
 
gelijkelijk van rijke en arme vaders,
 
hoe zachte balsem is zij voor het hart!
Eerste beul
 
Op zij daar, gaat op zij! Kom Carudátta!
 
Trommelslag
Prins komt verheugd op
 
Zuur vleesch en bitter vleesch heb ik genoten
 
en kervelsoep en specerij en visch
 
en rijst en rijstebrij en rijst van rijst. -
 
Wat hoor ik? Als muziek na tafel klinkt
[p. 417]
 
de galm van doodstrom en van pauken. Kijk,
 
de schooierkoopman wordt ter dood gebracht!
 
Dat wil ik zien; een vijand's ondergang
 
is streelende voldoening voor het hart.
 
Wat een gedrang van menschen! en dat alles
 
om zulk een bedelaar, om Carudátta!
 
Hoe zouden ze dan loopen, als ik zelf,
 
prins van den bloede, zwager van den Koning,
 
de stad werd rondgeleid tusschen de beulen
 
en openlijk onthoofd? - Sthaváraka!
 
Hij zal toch niets verraden? Zoontje, vriend,