|
|
|
| |
| | | | | | | |
| |
Zesde tafreel
Gerechtszaal
Op de estrade der rechters wacht de bode op het binnenkomen van het gerechtshof. Onder het volk, dat komt om aanklachten in te dienen, de prins Samsthanaka in een schitterend kleed
Gebaad in water, vloeistof, vocht en nat,
heb ik in park en bosch en woud gezeten
bij vrouwen, meisjes, maagden, jongedochters,
fier op de pracht en welstand van mijn leden.
Ik draag mijn haar in krullen, in een vlecht,
gekuifd, loshangend of in schommellokken,
wiss'lend, afwiss'lend, nu eens dit dan dat,
een geestige onrust en een speelsch vernuft
zoo ben ik, ik de prins Samsthánaka. -
Ik heb, als wormen in een lotosknop,
gezocht naar leegte en leegte ook gevonden,
hier in mij zelf. Wie was het, wie ook weer,
die ik de schuld wou geven van dit dwaas,
dit jammerlijk bedrijf?... Ik weet het thans.
Op Carudátta wordt het afgeschoven,
Zijn armoe doet ook een verzonnen kwaad
terstond geloof en gretigen ingang vinden.
De zetels staan gereed, de rechters komen,
Hier zet ik mij en wacht een oogenblik.
De heeren rechters zullen zitting nemen!
Rechters met gildemeester, griffier en anderen komen op
| | | |
Gij, Heeren Gildemeester en griffier!
Bezwaarlijk is het ambt des rechters, gansch
in de gedachten, in de handelingen
van anderen vervat, afhankelijk
van wisselvalligheid, dat af moet gaan
op des gedings verwarring; onbewezen
vermoedens worden voorgebracht; verzwegen
de eigen schuld; voorliefde, vijandschap
doorvlamt het woord en hitte van den strijd,
waar samenstaat in hachlijken balans
partij, tegenpartij, belangendienst,
invloed en vorstengunst. En valt ten laatste
het scheidend vonniswoord, dan is gemeenlijk
elk der gedaagden gram en onvoldaan
en niemand prijst het oordeel van den rechter.
En toch, hoe veel verlangend is zijn ambt!
Het wetboek moet hij kennen, alle paden
van de ontduiking weten na te gaan,
zijn woord moet treffend zijn, hij zelf gelaten
bij vriend en vijand eender van gedrag,
den boozen schrik, den zwakken toevluchtshaven,
den grooten ontoegankelijke rots,
voor hun beloften doof, onaangerand
door vreesbedreigingen ook van den troon,
en eindelijk niet tot een wetsverklaren
en tot der rechtspraak uiterlijken gang
en regelmatigheid zich zelf bepalend
maar innerlijk verband en samenhang
in alles nagaand, met zijn hart aanvaardend
der dingen heiligste waarachtigheid.
| | | |
Ook in de hoogste deugden zijn gebreken
en in het maanlicht zelf is duisternis.
Bode, ga thans en vraag met luider stem,
wie er een aanklacht in te dienen heeft.
Het hoog gerechtshof kondigt af en vraagt,
wie er een aanklacht in te dienen heeft.
Ik, man van aanzien, ik, een god op aarde,
ik, prins Samsthánaka, de Koningszwager,
ik wensch hier zelf een aanklacht in te dienen.
De prins Samsthánaka komt met een aanklacht.
De prins als eerste? Dat verkondigt onheil
als zonsverduistering bij vroegen morgen.
Heer, de rechtbank wacht u.
Míj gaat het wel; of ik dat ú zal wenschen,
staat ter beschikking van mijn willekeur.
| | | |
luide Gelieve plaats te nemen.
De grond behoort aan mij en ik neem plaats
legt zijn hand op het hoofd des rechters hier
zet zich op den grond hier ga ik zitten.
Vergun, dat ik het fluistere in uw oor.
Ik ben geboren uit zeer hoog geslacht,
mijn vader is schoonvader van den Koning;
de Koning is een schoonzoon van mijn vader;
ik ben de zwager van den Koning; hij,
de Koning, is mijn zusters man.
is ons bekend en niet ter zake dienend.
Geboorte geldt hier niet; de vetste grond
draagt soms het meeste onkruid. Zeg uw aanklacht.
| | | |
Ik spreek. Ook als ik iets misdreven had,
laat mij de Koning ongestraft. Welnu,
hij dan, mijn zusters echtgenoot, hij heeft
uit overgroote liefde aan mij geschonken
het schoone park Pushpakarándaka
om er te wandlen, rond te gaan, te spelen.
Ik kom er dagelijks en zie er toe
of er gewied wordt en gesnoeid, tot dat
door noodlot's toedoen ik er moest ontmoeten
het lichaam van een vrouw, het doode lijk.
Is het bekend, wie de ontzielde was?
Hoe zou het niet? Het pronkjuweel der stad,
een vrouw met kostbaarheden volgehangen,
met goud en sieraad overladen. Hoort!
terwille van haar geld is onverhoeds
Vasantaséna in het eenzaam park
vermoord, verwurgd door onbekenden dader,
na half te hebben uitgesproken legt hij zijn hand op de mond
der stadsbewakers! - Gildemeester, schrijver,
gij hebt het ook gehoord: maar niet door mij.
Laat dat voorloopig worden opgeteekend.
| | | |
O wee! zooals een al te gretig eter
verslik ik mij aan eigen gulzigheid.
luid Griffier, ik heb gezegd: door mij gezien,
maar niet door mij vermoord. Waartoe dat schrijven?
hij verscheurt het protokol
Hoe weet gij, dat zij om haar geld gewurgd is?
Dat weet ik uit haar opgezwollen hals
en het gemis van voet- en vingerringen.
Goddank, ik ben herleefd.
Ga, roep de moeder van Vasantaséna.
De moeder van Vasantasena!
tot de moeder van Vasantaséna
de rechtbank wenscht uw tegenwoordigheid.
Heil u, achtbare Heeren des gerechts!
| | | |
Dank, oude koppelaarster!
Zijt gij Vasantaséna's moeder?
luid Al is men rechter, zoo iets vraagt men niet.
Niet ik, maar het geding zelf vraagt het u.
Er steekt geen kwaad in, zeg het ons gerust.
Hoe? het geding? welnu dan, heeren rechters,
De koopman Carudátta is zijn naam,
bij hem geniet mijn kind haar jonge jaren.
| | | |
Gij hoort het! laat dat worden opgeteekend!
Den koopman Carudátta klaag ik aan.
Dat hij haar vriend is, is toch geen vergrijp.
Laat men den koopman Carudátta roepen.
De koopman Carudatta, de Brahmaan!
achter de schermen herhaald
Carudatta komt op, ter zijde
Is 't uitgekomen, dat ik Árjaka
den herder met mijn draagstoel heb gered?
De vogels schreeuwen, trillen doet mijn oog
en dwars kroop er een giftslang op den weg.
Heer, wil mij volgen naar het hoog gerecht.
Zoo is het aangezicht der zonde niet.
Heil u, achtbare rechters en beambten!
Wees welkom. Bode, zet een zetel neer.
Wel ja, een zetel voor den moordenaar.
| | | |
Wij wenschen, edele Carudátta, dit te weten:
is u de dochter dezer oude vrouw
Carudatta tot Vasantasena's moeder
Mijn zoon, ik wensch u allen voorspoed.
mijn meisje weet haar keuze goed te doen.
Spreek, is de bajadere uw vriendin?
Carudatta zwijgt beschaamd
De valschaard zwijgt uit angst. Hier staat een man,
een hooggeborene, die weet te spreken.
De zaak is vol verstoring. Laat uw schaamte
zijn afgelegd, zoo eischt het het geding.
Heb ik een rechtsgeding? met wie?
| | | |
Met ú? Het valt mij moeilijk dát te dragen.
O, moordenaar, gij hebt Vasantaséna,
die was getooid met honderde juweelen
met eigen hand gedood en nu ontkent ge
en loochent het, bedrieger, die gij zijt.
Al wat gij zegt, is onzin.
genoeg van hem; zeg ons de waarheid, is
Naar huis gegaan? Wanneer? In wiens gezelschap?
Zij is naar huis gegaan; meer weet ik niet.
| | | |
Naar 't oude park Pushpakarándaka,
daar heeft hij ze gebracht en om haar geld
gewurgd met eigen handen en nu zegt hij:
en ongerijmd, verward en tegenstrijdig
is uw verhaal en het weerlegt zich zelf.
Rechter tot gildemeester en griffier
Der bergen top te tillen in zijn hand,
den wind te grijpen en de wereldzee
dwars te doorvaren, het is even licht
als dezen hier, den eedlen Carudátta,
van misdaad te betichten. Zie hem aan
en zeg, is dat het uiterlijk der zonde?
Te hulp, te hulp! Hier wordt de wet verkracht!
Zot, scheer u weg! gij waagt het hier te spreken
van wet en wetsverkrachting en uw tong
is nog niet weggeschrompeld in uw mond?
Gij ziet den middagzon in 't aangezicht
en nog vergaan uw oogen niet? Gij steekt
uw hand in vuur en vlammen en zij valt
níet brandend af? Gij waagt het Carudátta
zijn goeden naam te ontstelen en de aarde
verslindt u niet het eigen oogenblik?
| | | |
Hij, die de schatten aller oceanen
te saam verworven had, zoodat de zee
alleen haar eb en vloed, haar leege daling,
haar vruchtelooze stijging over had,
en die die weelde en ongetelde rijkdom
aan anderen om niet heeft weggeschonken,
hij zou een daad, die door een vijand zelfs
verafschuwd wordt, moedwillig gaan bedrijven
Hier wordt de wet verkracht!
Ellendeling! hij die daar staat, hij heeft,
toen hem een kistje goud, een onderpand
ontstolen was, daarvoor een parelsnoer,
het puik der oceanen aangeboden,
zijn laatst bezit en om een poover geld
zou hij nu zóó icts doen? weenend
waar zijt ge? ach, kom hier! waar blijft ge toch?
De hoofdman van de stadswacht, Víraka!
Wees welkom, Víraka. Wat brengt u hier?
Ik groet de Heeren van het hoog gerechtshof!
Toen na de vlucht des herders Árjaka
ik acht gaf den ontkomene te vangen,
| | | |
en er een draagstoel kwam met toegesloten
gordijnen, die ik onderzoeken wilde,
toen ben ik door Candánaka, den hoofdman,
getrapt, geschopt en met den voet getreden.
Ziedaar mijn klacht. Aan u thans de beslissing.
Weet gij, van wie de draagstoel was?
Van dezen hier, den eedlen Carudátta.
‘Vasantaséna is er in, zij gaat,
naar 't oude park Pushpakarándaka
tot haar beminde’ aldus sprak de voerman.
Hoort gij het andermaal, o Heeren rechters?
Verduistering bedekt de blanke maan,
De oever stort en troebel wordt het water.
luide Uw zaak zal worden onderzocht. Maar thans
nog dit: heeft soms de manschap van de wacht
in 't oude park Pushpakarándaka
het lijk gevonden van een vrouw?
het voetpad opgewoeld, bloemen en gras
geknakt en stukgetreden; op den grond
de flarden van een lijfdoek en een tres
| | | |
en danken u ten zeerste. Gij kunt gaan.
Zooals op bloesems bij hun eerst ontluiken
een zwerm van bijen dorstende zich stort,
zoo vallen ramp en tegenspoed bij drommen
dicht op mij neer; is eens de scheur ontdekt,
dan dringt het onheil onweerstaanbaar binnen.
Spreek, Carudátta, zeg ons thans de waarheid.
Wat een boosaardig man, verblind door afgunst,
verhit door hartstocht en belust op moord,
met valschen toeleg heeft in een gezet,
wordt dat voetstoots geloofd en aangenomen?
Ik, die geen bloesemtak, die geen liane
omlaag zou halen, gretig naar den bloem,
ik zou het zachte, lange vrouwenhaar,
glanzend als bijenvleugels, met mijn handen
gaan plunderen? Ik zou een teere vrouw
weerloos en weenend, driftig aan gaan grijpen
en wurgen in den jammerenden keel?
Wordt hier gerechtigheid gedaan en mag
die schurk nog op zijn zetel blijven zitten?
Bode, gij hoort het woord des prinsen.
| | | |
verlaat den zetel op uitnoodiging van den bode en gaat op
danst van vreugde en gaat op den zetel van Carudatta zitten
ter zijde Zie zoo, het kwaad
door mij gedaan, is op hem neergekomen
en ik kom op zijn eereplaats terecht.
luid Wel, Carudátta, zie mij nu eens aan
en zeg het maar: ze is door mij gedood.
Nog eens, o rechters, wat wraakgierigheid
en haat verzonnen heeft en uitgedacht,
wordt dat geloofd en blindlings aangenomen?
ter zijde Helaas, Maitréya, welk een onheilsdag!
Ach, Rohaséna, kind dat speelt en dartelt
en lacht in onschuld bij de schuld des vaders!
Ik heb Maitréya naar haar huis gezonden
om de juweelen door haar neergelegd
in 't speelgoed van mijn kind terug te brengen.
Maitreya komt op, ter zijde
Er gaat een vreemd gerucht. Het zeggen is,
dat Carudátta voor den hoogen rechter
gedaagd en opontboden is. Voorzeker
geldt het een zaak van ongewoon gewicht.
luid Heil u, mijn vriend! Hoe ziet ge zoo ontsteld?
Wat legt men u ten laste?
| | | |
Ik immers, zwelgend in verdorvenheid
en onbekommerd om mijn eeuwig leven,
ík heb een vrouw of liever de godin
der liefde zelf... het overige zegt deze.
Carudatta fluistert hem wat in
Niet deze hier, het noodlot zelf, bij monde
van hem, draagt tegen mij die aanklacht voor.
En zegt ge niet: ze is naar huis gegaan?
Het ís gezegd, maar door de vijandschap
en de vervolging van mijn booze noodlot
wordt het niet aangenomen.
Een man, een burger, door wien Ujjayíni
versierd is met gebouwen, kloosters, tuinen,
godshuizen en gedrenkt met watervijvers
en springfonteinen, zulk een medeburger
| | | |
zou om der wille van een schamel geld
een daad gaan doen, verfoeid, vervloekt in deze,
ter eeuwigheid verdoemd in de andere wereld?
Wel, Koninklijke prins, Samsthánaka,
opborrelende bron van lastertaal
en geile aap met klatergoud behangen,
zeg nóg eens in mijn aangezicht, wat zou
mijn vriend misdreven hebben?
met Carudátta heb ik een geding
Wacht, koppelaarsterzoon,
Hier met mijn stok, krom als jouw slinksche streken,
sla ik je hoofd in duizend gruizels!
jij kraaipootschedelkop! wou jij mijn hoofd,
het hooggezalfde, met jouw vuile handen
benaderen? Pas op, slavinnezoon,
kwajongen van Brahmaan! Zij vechten en uit den gordel
van Maitreya vallen de sieraden van Vasantasena
de kostbaarheden van Vasantaséna,
het bloedgeld, loon en oorzaak van den moord!
De rechters blijven allen met het hoofd naar omlaag gewend
Carudatta ter zijde tot Maitreya
Deze juweelenschat, door noodlot's toedoen
uw ríem ontvallen, brengt ook ons ten val.
| | | |
Verhaal de gansche toedracht toch!
zwak is het oog des Konings, niet doordringend
de werkelijkheid; een woord, dat geen geloof
noch ingang vinden kan, voegt aan den dood
slechts smaad en schande toe.
een ongeluksgesternte is opgegaan!
tot de moeder van Vasantasena
Vrouwtje, is dit het sieraad van uw dochter?
Het lijkt er op, hetzelfde is het niet.
Bedriegster, met uw oogen zegt ge ja,
Laat mij met rust, schavuit!
Behoort dit goud aan ú toe, Carudátta?
| | | |
Zeg thans de waarheid, Carudátta! Zie,
waarheid, het zijn twee enkele syllaben,
maar al ons zielsheil is er in vervat.
Ik ken het goudwerk niet, ik heb het nooit
gezien, het hoort Vasantaséna toe,
zie daar al wat ik weet en ook nog dit,
dat het bij mij uit huis komt.
zeg thans de waarheid nog, vóór dat de zweep,
met felle slagen op uw lichaam vallend,
de hulsels weg doet vallen van uw hart!
Ik ben gelijk mijn vader was, onschuldig,
onschuldig ben ik, zoo van hart als hand.
| | | |
Maar dan, als allen mij van kwaad verdenken,
wat baat het dan, dat ik onschuldig ben? -
ter zijde En ook, het walgt mij langer nog te twisten,
te vechten om een leven dat te loor
en doelloos is geworden sinds haar dood.
luid Welaan dan, Heeren rechters, zonder omhaal
spreek ik het uit en in beknopten vorm:
ik, slechtaard, in een zondenpoel gedompeld
en ongedachtig mijn geluk in deze
en mijn toekomstig heil in gene wereld,
ik heb een vrouw of liever de godin
der liefde zelf... het overige zegt deze.
Kom, zeg het nu ook zelf maar: omgebracht.
Luistert, Heeren rechters, luistert
en schrijft het op: door dezen omgebracht.
En thans, nu twijfel niet meer mooglijk is,
wordt hij nu niet in hechtenis genomen?
Het zij zoo. Wachters, grijpt dien Carudátta!
De uitspraak over schuld of onschuld staat
aan ons, de straf bepaling aan den Koning.
Bode, bericht aan Koning Pálaka
ons oordeel en herinner hem den tekst
van Manu's wetboek; dat men geen Brahmaan
mag dooden, schoon hij staat in alle zonden,
| | | |
noch zijn bezit ontnemen; ballingschap,
uitstooting uit het rijk, dat zij zijn deel.
Genade, Heeren rechters, weest genadig!
Is dan misschien mijn dochter omgebracht,
ik kan aan dezen hier geen kwaad toewenschen.
En ook nog dit: is hier een rechtsgeding,
van klager en beklaagde, dan moet ik
de klager zijn en heb den eisch te stellen,
en ik bezweer u, rechter, laat hem vrij!
Wachters, geleidt haar weg!
Ach Carudátta! Kind! Mijn eigen zoon! weenende af
Ik heb een werk voleindigd mijner waardig,
mijn taak is afgeloopen, ik kan gaan. af
Helaas, Maitréya, welk een onheilsdag!
Ach, Rohaséna, kind, dat speelt en dartelt
en lacht in onschuld, bij de schuld uws vaders.
Hier is het vonnis, Heeren des gerechts!
| | | |
Aldus vonnist koning Pálaka:
Hij, die terwille van een schamel geld
Vasantaséna heeft vermoord, hij worde
behangen met het eigen goudsieraad
en onder trommelslag geleid ter rechtplaats
en aan de paal onthoofd! Een iegelijk,
die waagt een zelfde misdaad te bedrijven,
moge zich wachten voor de zelfde straf!
Ach, blindlings handelt Koning Pálaka.
Zoo worden vorsten door hun wanberaders
in 't vuur van wetsverkrachting en geweld
en onschuldonderdrukking neergestort,
en gaan ten laatste troon en rijksregeering
te recht in vlammen op. - Maitréya, ga
en wil mijn zoon in uw bescherming nemen.
Waartoe den boom beschermen, als de wortel
Vriend, spreek niet aldus!
Zie in den zoon het evenbeeld des vaders,
en laat uw liefde hém zijn toegewijd.
Breng hem nog éénmaal voor mijn aangezicht.
Ik zal uw wensch bezorgen.
| | | |
den dienaar weg Maitreya af. en wachters, overhandigt
den schuldige aan de knechten van den beul.
Niet wij, de Koning is 't die zoo beveelt.
Hoe? zonder godsoordeel en zonder proef
van gift en water, brandend vuur of weegschaal
wordt roekeloos mijn lichaam onderworpen
aan dood en foltering? Gevloekte Koning,
gij waagt het, afgaand op een enkel woord
gesproken door een vijand, aan te randen
het onaantastbaar lijf van een Brahmaan?
Te midden van de hel, van vuur en vlammen,
van angst en wroeging en verdoemenis
komt gij terecht ter marteling, gij zelf,
kind en kindskind in alle eeuwigheid! -
Bloedknechts, ik ben gereed.
| |
| | | |
Zevende tafreel
Plein in de nabijheid der rechtplaats Carudatta komt op, geleid door twee beulsknechten. Volk
Op zij, Edelen, gaat op zij! Hier komt de Koopman Carudátta, omhangen met oleandersnoeren en door de beulsknechten ter terechtstelling geleid. Zijn einde nadert allengs, allengs, als van een lamp, die te weinig olie heeft.
Kom, Carudátta, wees goedsmoeds en heb op ons vertrouwen. Wij zijn uitmuntend in ons vak en handig en bedreven in de nieuwste soorten van terechtstellingen. En van onthoofden en radbraken hebben wij bizonder werk gemaakt.
Mijn lichaam is als van een offerdier
bestrooid met meel, gezalfd met rooden sandel,
van tranen nat en bont van kerkhofbloemen:
gekras van raven klinkt het tegemoet.
Op zij, Edelen, gaat op zij! Waarom gaapt ge den goeden man hier aan, die wij, dragers van den bijl, des doods zullen doen sterven? Kom, Carudátta, kom.
Zie toch eens, mijn waarde ambtsbroeder, is het niet, of de hemel schreit, zoo stroomen de tranen van het vrouwvolk. De weg is er zoo waar van besproeid en van stof zullen we geen last hebben.
| | | |
O, wankel, wisselvallig lot des menschen
en's levens bittere onbestendigheid!
Nu dezen hier mijn lichaam zien, gelaten
zuchten zij in zich zelf: wat is de mensch!
wenden zich af, halen de schouders op
en zijn tot hulp onmachtig. Halverwegen
gebogen uit een raam van het paleis
en tranen stortende als waterbeken
preev'len de vrouwen: arme Carudátta!
en moedeloos versterft hun fluisterwoord.
Dit is de plaats der afkondiging. Slaat den trommel en laat ons het vonnis afkondigen. Trommelslag
Hoort, Edelen, hoort! De Koopman Carudátta
heeft om haar schamel geld Vasantaséna
in 't oude park Pushpakarándaka
vermoord met voorbedachten rade.
Hij is bevonden in bezit des diefstals
en heeft bekend. Hierover uitspraak doend'
laat koning Pálaka hem door de beulen
onthoofden aan den paal. Een iegelijk,
die waagt een zelfde misdaad te bedrijven,
moge zich wachten voor dezelfde straf!
Carudatta zich de ooren toehoudende
Mijn naam, die eens genoemd werd in gebeden,
die in den tempel vroom werd opgezegd,
wordt nu den volke door den mond der beulen
| | | |
verkondigd in de holle taal des doods. -
opziende Vasantaséna! in wier pareltanden,
en lippen als verrukkelijk koraal
mijn zielsverlustiging bestond, ik heb
den nektar van uw aangezicht gedronken
en bitter smaakt mij nu der schande gif.
rondziende Daar gaan mijn vrienden! Met het overkleed
bedekken zij het hoofd en langs een omweg
ontwijken zij mijn blik; een vreemde wordt
verwant en vriend van wie in welstand leven,
in rampspoed wordt een vriend een vreemdeling.
Eerste beul tot tweeden beul
Er is ruimte gemaakt, de hoofdstraat is vrij. Voer hem den weg naar de rechtplaats!
Rohasena achter de schermen
en laagste kaste, maar nog niet zoo laag
als het gedrag van Koning Pálaka,
ik wensch van u een gave te ontvangen
en bij uw volgend leven vraag ik u:
laat mij het aangezicht van mijnen zoon
| | | |
Rohasena achter de schermen
Maitreya komt op met Rohasena
Haast u, jongen, haast u wat!
Uw vader wordt ter rechtplaats heengevoerd.
Mijn vriend, mijn vriend, hoe moet ik u ontmoeten!
Ach, kind, mijn poover kind, hoezeer beroofd,
en arm en eenzaam wordt gij nagelaten!
Wat geef ik u? beziet zich zelf
het offerkoord; een snoer, van parels niet,
niet van goud, maar heilig lijfsieraad
van den Brahmaan en dat u aandeel geeft
in onzer vaadren oude godsvereering.
geeft het offerkoord aan Rohasena
Waar brengt gij vader heen?
den krans van oleander om den hals,
den schandpaal op den schouder, in het harte
angst en ontzetting; als een offerdier
| | | |
ter wreede slachtbank, word ik heengeleid
De uitspraak van den Koning,
Doodt míj, laat vader los!
Een leven van geluk verdient ge, kind,
onder tranen zijn zoon omhelzend
gelijkelijk van rijke en arme vaders,
hoe zachte balsem is zij voor het hart!
Op zij daar, gaat op zij! Kom Carudátta!
Zuur vleesch en bitter vleesch heb ik genoten
en kervelsoep en specerij en visch
en rijst en rijstebrij en rijst van rijst. -
Wat hoor ik? Als muziek na tafel klinkt
| | | |
de galm van doodstrom en van pauken. Kijk,
de schooierkoopman wordt ter dood gebracht!
Dat wil ik zien; een vijand's ondergang
is streelende voldoening voor het hart.
Wat een gedrang van menschen! en dat alles
om zulk een bedelaar, om Carudátta!
Hoe zouden ze dan loopen, als ik zelf,
prins van den bloede, zwager van den Koning,
de stad werd rondgeleid tusschen de beulen
en openlijk onthoofd? - Sthaváraka!
Hij zal toch niets verraden? Zoontje, vriend,
Sthaváraka, kom mee, wat doen wij hier?
Wat? is de aanslag op Vasantaséna
voor u nog niet genoeg en wilt ge thans
den lieveling der menschen, Carudátta,
O, neen! - Hoort, edelen, hoort allen toe!
Ik, onheilskind, ik heb Vasantaséna
door een verwisseling van onzen draagstoel
naar 't park Pushpakarándaka gebracht.
Daar is zij door mijn braven meester hier,
den prins Samsthánaka, met eigen hand
gegrepen en gewurgd. Zij was hem niet
terwille, dáárom heeft hij haar vermoord.
Hij is de moordenaar, niet Carudátta!
| | | |
Wat moet ik zeggen? Kan ik niets bedenken,
vind ik niet iets, dat zijn verhaal weerlegt?
Wie is het die, terwijl ik reeds omsingeld,
omsnoerd ben door de strikken van den dood,
als regenwolken voor het dorstig graan
voor mij verschenen is? Meer dan den dood
vrees ik de schande; wordt mijn naam gezuiverd
ook in de laatste ure, dan is sterven
mij welkom als geboorte van een zoon.
Sthaváraka, gij zegt ons toch de waarheid?
Ik zeg niets dan de waarheid en uit vrees
dat ik de waarheid eenmaal uit zou brengen,
ben ik door hem geboeid en op den omgang
hij liegt u voor, ík zal de waarheid zeggen.
De slaaf hier is door mij onlangs betrapt
op diefstal en geslagen en gedood
en zoekt zich nu te wreken. Op een diefstal
is hij betrapt, geslagen en gedood!
Beulen, bekijkt zijn rug eens.
| | | |
Tweede beul den slaaf beziende
Hier zijn de teekenen. Het vuur der striemen
schijnt na te gloeien in zijn booze taal.
O vloek der slavernij, dat zij bij niemand
geloof kan vinden! Edele Carudátta,
ik heb gedaan al wat ik kon. valt Carudatta te voet
Gij die u hebt ontfermd over een vreemde
en zijt geworden tot een bloedverwant,
groot was uw offer, maar helaas, het noodlot
aanvaardt het niet; hier neemt uw dienst een eind.
Eerste beul tot den prins
Heer, drijf dien slaaf van hier!
naar uw gevangenis! Komt, beulen, aan uw werk!
Brengt míj ter dood! laat vader leven!
| | | |
't is beter, dat gij hier niet blijft. Maitréya,
zorg voor hem, breng hem weg!
hoe kan ik leven zonder u, behoeftig,
berooid en hulpeloos? Kom, kind, wij gaan.
Welaan, waarde ambtsgenoot, het is vandaag uw beurt om het vonnis te voltrekken.
Dat zullen we eens even narekenen. zij makeen telgebaren. Nu, als het dan mijn beurt is, dan mag hij nog een kort oogenblikje wachten.
Wel, toen mijn vader zaliger ten hemel voer, zei hij: mijn zoon, Víraka, zei hij, als de beurt aan u is om iemand terecht te stellen, help hem dan niet onmiddellijk naar de andere wereld.
Misschien dat de een of andere brave ziel er geld voor over heeft en hem loskoopt. Misschien dat de Koning een kind krijgt en alle straffen worden kwijtgescholden. Misschien, dat er een olifant op hol gaat en in de verwarring de veroordeelde kans ziet te ont-
| | | |
snappen. Misschien dat er een revolutie plaats heeft en de nieuwe Koning alle veroordeelden in vrijheid stelt.
Wat praat gij van een revolutie? Kom,
vlug aan uw werk, maak voort en spaart hem niet!
Welaan dan. Carudátta, 's Konings uitspraak,
niet wij zijn schuld aan wat gebeuren zal.
Wenscht gij nog iets te zeggen, zeg het dan.
Zoo nog mijn goede werken iéts vermogen
in deze ure van vernedering,
verhoor dan mijn gebed, Vasantaséna,
verhoor mijn smeekingen in Indra's woning,
of waar gij zijt; wisch met uw hemelglans
en met uw loutering mijn smetten weg,
o kom, o kom en weer van mij de schande! -
Waarheen beveelt gij mij te zien?
Naar gindsche kant, naar de Zuiderbegraafplaats, een uitzicht, waar ter dood veroordeelden spoedig het leven bij inschieten. Ziet ge daar het lijk van den laatsten terechtgestelde? De eene helft wordt door de jakhalzen verscheurd en de andere hangt nog aan de paal en grijnst u toe met een vroolijke lach op de lippen.
| | | |
Maak u niet bang, sterven is iets, dat dagelijks voorvalt. Zelfs maan en zon, hoe hoog ook aan den hemel, zijn gedoemd tot ondergang, hoe zou het dan met ons anders wezen? En bovendien, de mensch staat op om te vallen, maar ook: de mensch valt om weer op te staan, geboren worden is sterven en de dood is geboorte van een nieuw bestaan, wisseling van leven als wisseling van kleeren. Bedenk dat en heb goeden moed.
roert den trommel en leest voor de laatste maal het vonnis voor. Trommelslag
Hoort, Edelen, hoort! De Koopman Carudátta
heeft om haar schamel geld, Vasantaséna
in 't oude park Pushpakarándaka
vermoord met voorbedachten rade.
Hij is bevonden in bezit des diefstals
en heeft bekend. Hierover uitspraak doend'
laat Koning Pálaka hem door de beulen
onthoofden aan den paal. Een iegelijk,
die waagt een zelfde misdaad te bedrijven,
moge zich wachten voor denzelfden straf!
Houd uw gezicht omhoog en blijf stil staan. Wees niet bang, met één slag brengen wij u in den hemel.
Carudatta in hoogsten nood
Als van de goede werken in mijn leven
één enkele nog iets vermag, verhoor,
verhoor, Vasantaséna, mijn gebed, verschijn,
O kom, o kom en weer de schande af!
| | | |
Bedelmonnik komt op met Vasantasena
Haast u, dienstmaagd des Heeren, haast u, snel!
Op zij! Houdt op, houdt op! Hier ben ik zelf,
ik zelf, Vasantaséna, om wie deze
Vasantaséna leeft! O, heerlijk wonder!
Leeft zij, de dochter der slavin? Helaas,
dan is mijn spel verloren. Weg van hier! af
Hij leeft, hij leeft, de liefste! O, ik heradem!
Heb ik niet gezegd, dat er nog wat tusschenbeide kon komen? Heb ik geen gelijk gehad met mij niet te overhaasten?
Laat ons wat er is voorgevallen, gaan berichten aan den Koning, hij is in den offertuin op dit uur van den dag. Beulen af
Is dit een andere Vasantaséna?
Is het dezelfde, die uit Indra's hemel
is afgedaald? Of speelt een zinsbedrog
misleidend voor mijn oog?
| | | |
ik ben het zelf, de roekelooze vrouw,
die u in doodsnood bracht.
Carudatta met gesloten oogen
Vasantaséna zelf! Den boezem badende
in tranenvocht en bevende van leden,
kust zij mijn aangezicht! Van waar, van waar
zijt gij verschenen voor den hopelooze?
Geliefdste, zoetste vrouw, om uwentwil
ten doode toegezegd, is dit mijn lijf
door uwen weldaad ook gered. O macht
der wederzijdsche liefde en alvermogen,
die zelfs een doode in het leven riep!
En zie, beminde, is het niet alsof
dit roode doodsgewaad, deze oleander
een feestkleed werden en een huwlijkstooi
en of de roffel van den doodentrom
opklinkt als op een bruiloft paukenklank?
O, zeg mij, wie u heeft ten val gebracht?
Samsthánaka, de prins, bewerende,
| | | |
Vasantasena zich de ooren toehoudend
hij is het zelf, die mij heeft aangegrepen,
die mij verwurgd heeft en door hém gedood
ben ik door dezen hier tot blijder leven
Wie zijt gij, onbekende vriend?
Kent gij mij niet? Kent gij uw ouden dienaar,
den badknecht, niet terug? Uit spelershand
heeft mij de Buddhadienares gekocht
en vrij gegeven. Thans tot boetedoening
en tot vergelding voor mijn booze spel,
ben ik een monnik van den Çákya.
Stemmen achter de schermen. Volk komt op
God Çiva overwint, hij overwint,
de Drager van zesvoudig aangezicht,
de splijter der demonen, Kartikéya!
En over heel de aarde, wier banier
het blanke sneeuwveld is van Himalaya
wordt overwinnaar koning Árjaka,
nu hij zijn valschen vijand heeft geveld!
Çarvilaka komt haastig op
Op zij, op zij! - Ach, Carudátta leeft!
Hij is gered! Den Goden zij gedankt!
Geteisterd op een oceaan van rampen
| | | |
is hij aan land gebracht door de beminde
als op een hecht en welgetimmerd schip.
De nacht zinkt weg, het hemellicht verschijnt! -
Hoort thans de boodschap, die ik konden mag:
de herder Árjaka, eer zij zijn naam!,
heeft als een slachtstier bij het godenoffer
den boozen Pálaka geveld en al
het volk heeft hem erkend en uitgeroepen
En dit heeft hij gewild als eerste daad
en als geluksbegin van zijn regeering,
dat hij u aldus toespreekt door mijn mond:
Ik, Árjaka, die troon en scepter dank
aan uw bescherming, aan uw dienst en deugden,
ik schenk u als geringe wederdienst
het koningschap der stad Kuçávati
en haar provincie. Wil dit eerste blijk
aanvaarden van mijn gunst en weiger niet.
Den troon te danken aan mijn dienst?
Stemmen achter de schermen
Samsthánaka, vooruit! Kom, Koningszwager,
pluk nu de vruchten van uw schandelijkheid.
Duwt hem vooruit, den edelen prins!
| | | |
Prins komt op, bewaakt door stadswachter, de armen op den rug gebonden
ik was al weggeloopen als een ezel
en ben gegrepen als een dolle hond
en rondom ingesloten, ik, de zwager
des Konings! Niemand staat mij bij en elk
beschimpt en valt mij aan. Waar vind ik steun,
wie wil mij helpen? - Edele Carudátta!
wees gíj mijn toevlucht, red mij!
Scheurt hem het lijf van een en gooit de stukken
de honden voor, zaagt hem doormidden, vilt
en steekt hem aan den paal, ter dood, ter dood!
Prins valt Carudatta te voet
Genade, Carudátta, heb genade
en doe met mij naar uw grootmoedigheid
en niet naar mijn verdienste, wees mijn hulp,
ik zal u nooit weer lasteren, breng redding
en spaar uw dienstknecht, o grootmachtig Heer!
Weg met den valschen schurk, ter dood, ter dood!
Vasantasena neemt den doodskrans van Carudatta's hals
en hangt hem den koningszwager om
Slavinnendochtertje, heb medelijden,
ik zal u nooit weer wurgen, wees gerust!
| | | |
Kom, zeg ons, Carudátta, wat gij wilt,
Wordt mijn woord volbracht,
Bescherming hem, die om bescherming vraagt!
Een vijand, die te voet gevallen is
en zich vernederd heeft, hem mag men niet
verslaan met zwaar of wapen.
hem dan verscheuren en zijn lijf verslinden.
Neen, neen, wij moeten anders hem verslaan:
Hoe moet ik dat begrijpen?
Heer, ik acht uw woord. -
Neemt hem de boeien af! De Koning wil het.
| | | |
Kijk, kijk, ik ben gered. Dat is tot dusver
goed afgeloopen. Maar nu gauw van hier,
het mocht hem eens berouwen. af
Vasantaséna! in goedgunstigheid
ontbindt de Koning u van uwen stand,
en naam en sluier van gehuwde vrouw
verleent hij u. doet Vasantasena den sluier om
Zoo is dan ook het laatste,
dat nog te wenschen overbleef, vervuld.
Hoe kunnen wij den monnik hier beloonen?
Zeg ons, wat wordt door u op prijs gesteld?
Nu ik zoo groot een omkeer heb gezien
en wisselvalligheid in deze dingen,
nu wordt het monniksleven dubbel hoog
door mij gesteld en dubbel uitverkoren.
Vriend, zijn besluit staat vast. Zoo maak hem dan
tot hoofd van alle kloosters in den lande,
geef aan Candánaka het opperambt
der stadsbewaking, eindlijk, laat den slaaf
Sthaváraka de vrijheid zijn geschonken.
| | | |
Zoo zij het, naar uw woord. Blijft nog iets over,
waarmede ik u blijdschap geven kan?
De hoogste blijdschap is alreeds mijn deel!
Mijn naam is rein en smetteloos gezuiverd,
de Koning Árjaka ontwortelde
zijn tegenstander en beheerscht de aard,
de liefste is herkregen, en met u
ben ik, de vriend is met den vriend vereenigd.
Wat, dat dan nog te wenschen overblijft?
Wij menschen rijzen, zinken, worden opgevoerd
tot lichten luister, gaan in schaduw onder,
de kruiken lijkend van het waterrad,
omhoog, omlaag, bij beurten vol en ledig
in schakelgang gebonden. Wat vijandig
en tegenstrijdig is tesamenvoerend,
het eigene vervreemdend, wat zich zoekt
en aan ging hangen scheidend, elk begrip
en inzicht storende begaat het Noodlot
zijn zinloos spel; zijn speelgoed is de mensch.
Nochtans, er moge om dit gebeden zijn:
dat zegen op het vee en op den akker
zij toebedeeld met lafenis van regen
in het getij en adem van den wind;
dat wijze en rechtvaardige Brahmanen
in vrede wandelen; dat het geslacht
der trotsche Koningen, de wetten eerend,
| | | |
hun volkeren in majesteit regeeren,
hun vijanden weerstaan in vasten stand;
en eindelijk, dat al wat adem heeft
bespaard van leed en vrij van rampen zij!
|
|
|