|
|
|
| |
| | | |
Maria-Theresia Leuker & Herman Roodenburg
‘Die dan hare wyven laten afweyen’
Overspel, eer en schande in de zeventiende eeuw
| |
[1]
Als wij op zeventiende-eeuwse kluchten mogen afgaan, hebben onze
voorouders om weinig mannen zozeer gelachen als om de
‘hoorndrager’: de man die weet dat zijn vrouw met een ander slaapt
maar daar eenvoudig niets aan doet. Steeds weer ontmoeten wij in deze kluchten
de ‘hoorndrager’, de cornutus of de ‘koekoek’.
Uiteraard vormen overspel en vooral alle ontwikkelingen hieromheen ook nu nog
een dankbaar gegeven voor een komedie, maar het personage van de hoorndrager
zullen wij niet meer zo gauw tegenkomen. Uit ons huidige taalgebruik is zelfs
het scheldwoord nagenoeg verdwenen, zoals ook het corresponderende gebaar -
twee gespreide vingers boven het hoofd van het onwetende slachtoffer - volledig
lijkt uitgestorven. Het scheldwoord was dan ook verbonden met noties van eer en
schande die in de zeventiende eeuw, in tegenstelling tot nu, nog steeds een
belangrijke rol vervulden in de dagelijkse omgang. Zij reguleerden het gedrag
van mannen en vrouwen overeenkomstig hun gender, hun sociale en
culturele sekse.
1
Slechts in mediterrane gebieden, met name in een aantal traditionele
herdersgemeenschappen, komt de hoorndrager, met de daaraan verbonden noties van
eer en schande, nog steeds voor.
Het lijkt daarom zinvol om een aantal antropologische studies over
deze gemeenschappen ter hand te nemen, als wij iets van de gevoelens willen
achterhalen die in de zeventiende-eeuwse Republiek rond dit scheldwoord hebben
bestaan. Wij denken hier met name aan de studies van Pitt-Rivers over de
Andalusische Sierra, van Campbell over de Griekse Sarakatsani en van Blok over
het binnenland van West-Sicilië.
2
| | | | Als bronnen voor de Republiek hebben wij,
behalve een grote reeks kluchten, verscheidene moraalgeschriften geraadpleegd.
Hierin wordt naast een groeiende nadruk op het individuele geweten nog steeds
zeer veel aandacht besteed aan noties van eer en schande, een aspect van de
moraalgeschriften dat tot nu toe vrijwel over het hoofd is gezien. Ook hebben
wij gebruik gemaakt van een aantal juridische geschriften.
3
| |
[2]
Ook voor de genoemde antropologen moet de
‘hoorndrager’ een nagenoeg onbekend begrip zijn geweest. Zo
interpreteerde Pitt-Rivers de horens van de hoorndrager behalve als een symbool
van de duivel juist als een symbool van mannelijkheid. Via een
‘merkwaardige omkering’, zo meende Pitt-Rivers, werden de horens
van de overspelige man overgebracht op de bedrogen echtgenoot.
4 Campbell nam deze verklaring met enige voorzichtigheid over.
5
Blok benadrukt echter dat het geen toeval is dat zowel in Spanje
als in Italië de termen ‘hoorndrager’ (Sp. cornudo; It.
cornuto) en ‘bok’ (Sp. cabrón, It.
becco) door elkaar worden gebruikt. Immers, in tegenstelling tot een
andere bekende hoorndrager in deze gebieden, de ram, laat de bok ook andere
mannetjes bij de wijfjes toe. Blok betoogt dat in de collectieve voorstellingen
binnen deze herdersgemeenschappen de ram en de bok een binaire oppositie
vormen. Zij constitueren de sym- | | | | bolen, waarin andere binaire
opposities, zoals eer en schande, mannelijkheid en vrouwelijkheid, kracht en
zwakheid worden uitgedrukt. De symboliek van ram en bok moet al buitengewoon
oud zijn. Blok verwijst naar Homerus, Herodotus en de droomduider Artemidorus.
6
Zoeken wij in de genoemde en enige andere studies over het
mediterrane gebied naar de gemeenschappelijke noties achter de schande van de
hoorndrager, dan lijken drie, nauw met elkaar samenhangende noties van belang.
Allereerst, zoals Blok en Jane Schneider hebben opgemerkt, worden vrouwen
binnen deze en andere mediterrane herdersgemeenschappen als bezit ervaren:
vóór het huwelijk als het bezit van hun mannelijke bloedverwanten
en na het huwelijk als het bezit van hun echtgenoten. In feite maken vrouwen
deel uit van het patrimonium van mannen. Omdat eer, mannelijkheid en kracht
nauw verbonden zijn met de bescherming van het eigen bezit, betekent een
aantasting van dit bezit - de diefstal van gewassen of vee, maar toch vooral de
verleiding van een dochter, zuster of echtgenote - dat de eer van de mannen,
die hun bezit hadden moeten beschermen, tegelijk wordt aangetast. Kortom, de
mannelijke eer ligt met name besloten in de maagdelijkheid van een dochter of
zuster en in de kuisheid van een echtgenote.
7
Een tweede, steeds terugkerend gevoelen is dat de vrouwen deze
bewaking ook absoluut nodig hebben. Vrouwen worden in sterke mate als
slachtoffers van hun eigen seksualiteit gezien. Juist daarom, zo is de
overtuiging van de mannen, zullen zij zich maar al te gauw in een overspelige
relatie storten. Met hun seksualiteit, steevast geassocieerd met de duivel,
vormen vrouwen een voortdurende bedreiging voor de mannelijke eer.
8 Zelf kunnen zij echter deze bedreiging
verminderen door hun ‘schaamte’ te tonen, door zich in woord,
gedrag en kleding zedig te gedragen. In die zin vormt het vrouwelijk
schaamtegevoel de tegenhanger van mannelijkheid en eer. Vrouwen tonen hun
schaamte vooral door zich weinig buitenshuis te begeven. Pitt-Rivers citeert
een oud Spaans gezegde: ‘La mujer honrada, la pierna quebrada y en
casa’ (de eerbare vrouw: opgesloten in huis met een gebroken been).
Dat | | | | zou de ideale oplossing zijn.
9 Gaan de vrouwen toch het huis uit, dan dienen zij zich
teruggetrokken en zedig te gedragen.
10
Een derde notie achter de schande van de hoorndrager valt het
beste te omschrijven als de ‘dubbele standaard’: de overtuiging dat
het een man mag worden vergeven als hij vóór of buiten zijn
huwelijk seksuele relaties aangaat, maar dat het als een ernstige misstap moet
worden beschouwd als een vrouw zich hieraan waagt. Ook dit gevoelen ligt in de
tegengestelde idealen van ‘mannelijkheid’ en ‘schaamte’
besloten. Terwijl mannen, ook getrouwde mannen, met hun seksuele veroveringen
juist hun mannelijkheid kunnen bewijzen, verliezen vrouwen, als zij ook maar
één keer vóór of buiten hun huwelijk seksuele
gemeenschap hebben gehad, voorgoed hun schaamte. Tegelijk maken zij, zolang zij
nog ongetrouwd zijn, hun mannelijke verwanten te schande. Zijn zij getrouwd,
dan beroven zij bovenal hun echtgenoten van hun eer: het zijn de overspelige
vrouwen en niet hun minnaars die hun de horens opzetten.
11
De genoemde antropologen hebben steeds gewezen op het nauwe
verband tussen dit mediterrane eerbegrip en de fysieke persoon.
12 Ook rond de hoorndrager
vinden wij dit verband. Immers, waar de kuisheid van de vrouw wordt aangetast,
wordt zowel haar reputatie als die van haar verwant of echtgenoot aangetast.
Deze kan zijn schande echter uitwissen als hij overgaat tot fysiek geweld.
13 Campbell heeft daarvan een paar voorbeelden gegeven. In
één geval, dat plaatsvond in 1948, doodde een vader zowel zijn
eigen dochter als de man die haar onder valse trouwbeloften zwanger had
gemaakt.
14
Ter verklaring van deze nauwe samenhang tussen de morele en de
fysieke integriteit heeft Blok gewezen op het ontbreken binnen deze
gemeenschappen van een min of meer stabiel en onpersoonlijk centraal gezag. In
dergelijke samenlevingen zijn mensen voor de bescherming van zichzelf en hun
bezit in de eerste plaats op eigen krachten, op | | | |
Selbsthilfe,
aangewezen. De sociale positie van een man en van de door hem beschermde
familie, zijn reputatie en zijn eer worden dan ook in grote mate bepaald door
zijn fysieke weerbaarheid, zijn mannelijkheid en moed.
15
In de zeventiende-eeuwse Republiek hebben wij met een geheel
andere situatie te maken. Evenals in andere delen van West-Europa had zich hier
sinds de late middeleeuwen een betrekkelijk stabiel gezag ontwikkeld, waarbij
een rechtssysteem dat nog in hoge mate door Selbsthilfe werd gekenmerkt,
langzamerhand door een onpersoonlijk, door de staat beheerst rechtssysteem
vervangen werd: ‘community law’, om met Lenman en Parker te
spreken, maakte geleidelijk plaats voor ‘state law’.
16 De conventie (die in ieder geval nog
tot voor kort onder de Sarakatsani bestond) om de aangedane schande uit te
wissen middels fysiek geweld treffen wij in de Republiek niet meer aan. Doodde
bijvoorbeeld een man zijn vrouw en haar minnaar, nadat hij hen bij de daad had
betrapt, dan ging hij zeker niet vrijuit. Wel kon hij met succes om gratie
vragen.
17
Zoals wij echter in de volgende paragrafen zullen zien, bleven begrippen als
eer en schande, mannelijkheid en schaamte in hoge mate bepalend voor de wijze
waarop mannen en vrouwen zich behoorden te gedragen, zich moesten houden binnen
hun eigen gender.
| |
[3]
Sommige zeventiende-eeuwse auteurs blijken de oorspronkelijke
betekenis van het scheldwoord ‘hoorndrager’ nog zeer goed te
kennen. De Dordtse arts
Daniel Jonctys bijvoorbeeld gaf er in zijn
Tooneel der Jalouzyen, een onderhoudend traktaat
over de jaloezie binnen het huwelijk, een omschrijving van. Volgens hem waren
de termen ‘cornuto’ of ‘becco cornuto’ afgeleid van de
bok, omdat alleen dit dier, aldus Jonctys, ‘zeer geduldig een medemaat in
de Venustochten lyd’. En hij vervolgt: | | | | ‘die dan met
oogluiking, uit inzigt van winst of voordeel, hare wyven laten afweyen, deze
zyn 't die met recht door dezen naam gehoont werden, en niet de zoodanige die
daarover in yverzugt ontvlammen’.
18
Zowel de term als de verklaring moeten al langere tijd gemeengoed zijn geweest.
Zo lezen wij in de
Ketiuicheyt der menscheliker natueren, een boekje
dat rond 1500 werd geschreven: ‘Hy is als een cornuyt begeckt, / Die zijn
wyfs vuylheyt ghedoocht, of deckt’.
19 Interessant is dat ook
Jonctys voor de tegenstelling tussen ram en bok naar
Artemidorus verwijst. Toen een man bij de droomduider te
rade ging, nadat hij gedroomd had ‘dat hy, rydende op een ram, voorover
afgesmeten wierd’, had deze hem uitgelegd ‘dat hy zou gehoornt
werden: dat is, dat zyn wyf de hoer zou spelen, hetwelk ook naderhand wel
kenbaarlik gebeurde’.
20
Het is opvallend dat wij in de zestiende en zeventiende eeuw naast
de binaire oppositie van ram en bok een aantal andere opposities aantreffen die
sterk herinneren aan de opposities in de mediterrane herdersgemeenschappen. In
verscheidene moralistische geschriften werden de vrouw steeds weer deugden als
schaamte en eerbaarheid ingeprent. Volgens de Spaanse humanist
Juan Luis Vives in zijn
De institutione foeminae christianae, dat in 1553
in het Nederlands werd vertaald, hoeven vrouwen in feite maar één
deugd te bezitten, namelijk de ‘reynicheyt’ of ‘eerbaer
suyverheydt’, terwijl mannen tal van deugden moeten bezitten, zoals
‘wijsheyt, welsprekentheyt, memorie, rechtvaardicheyt, sterckheyt,
miltheyt, grootmoedicheyt, ende andere wetenschap om te mogen leven, ende ook
cloecheyt om te weten te regeren het ghemeyne welvaren’.
21 Ruim honderd jaar later schreef Jonctys' collega
Johan van Beverwijck: ‘Beyde, de schaemte ende de
eerbaerheyt zyn eygen ende 't vrouwelick geslacht byna aengeboren’. In
mannen worden deze deugden echter verfoeid: ‘In een man wert de kuysheyt
ende maeghdelicke suyverheyt voor schande gerekent’.
Jonctys en
Cats dachten er niet anders over.
22
| | | |
Als wij in de zeventiende-eeuwse Republiek nog zo'n duidelijke
scheidslijn tussen de beide genders aantreffen, vinden wij dan achter de
schande van de hoorndrager misschien noties die verwant zijn aan die welke
Pitt-Rivers en anderen tijdens hun onderzoek in het mediterrane gebied
aantroffen? Werd bijvoorbeeld in de zeventiende eeuw de kuisheid van vrouwen
nog als het ‘bezit’ van mannen beschouwd?
Volgens Keith Thomas gold dit in ieder geval voor het vroeg-moderne
Engeland. In zijn artikel over de dubbele standaard verwerpt hij de
contemporaine redenering dat het overspel van de echtgenote nu eenmaal
onduidelijkheid brengt over het nageslacht en daarom als vele malen erger moet
worden beschouwd dan het overspel van de echtgenoot Volgens hem ging het om
meer dan dat: ‘fundamentally, female chastity has been seen as a matter
of property; not, however, the property of legitimate heirs, but the property
of men in women’. Het toenmalige taalgebruik attendeert ons ook hierop.
Thomas citeert
The Whole Duty of Man, een zeer populair
moraalgeschrift uit die tijd. Daarin lezen wij: ‘The corrupting of a
man's wife, enticing her to a strange bed, is by all acknowledged to be the
worst sort of theft, infinitely beyond that of goods.’
23
Vives was dezelfde mening toegedaan. Volgens hem
behoort de maagdelijkheid van een nog ongetrouwde vrouw slechts aan haar vader,
terwijl haar kuisheid, nadat zij is getrouwd, aan haar echtgenoot behoort. Ter
illustratie citeerde bij
Plutarchus'
Moralia.
24 Toen een man trachtte een gehuwde Spartaanse vrouw tot overspel
te bewegen, gaf zij hem het volgende waardige antwoord: ‘Is 't dat ghy
begheerde dat myn is, ick soude u gaerne te wille zyn, maer dye suyverheyt dye
ick gehadt hebbe doe ick noch maecht was, die behoorde mijnen vader toe ende nu
behoort dye reynicheyt mijnen man toe.’
25 Vives liet er
geen twijfel over bestaan dat, als de vrouw op de avances van de man was
ingegaan, zij haar echtgenoot in oneer zou hebben gestort, zoals een meisje dat
voor haar huwelijk met een man slaapt ‘schande en oneere’ over haar
familie brengt. De man zou zelfs gevaar lopen door de familie te worden
‘dootghesmeten’.
26
| | | |
Toch is het de vraag of
The Whole Duty of Man en
Vives' verhandeling over het huwelijk wel representatief
mogen worden genoemd voor de gevoelens die in de zeventiende-eeuwse Republiek
over de maagdelijkheid en kuisheid van vrouwen leefden. Volgens Thomas heeft de
dubbele standaard in Engeland, met name in haar wetgeving, een grotere rol
gespeeld dan in andere protestantse landen in die tijd.
27 Ook lijkt
het aannemelijk dat Vives vooral opvattingen heeft verwoord die in het begin
van de zestiende eeuw in zijn geboorteland Spanje hebben bestaan. Zijn
opmerking over het doden van de verleider maant in ieder geval tot
voorzichtigheid, evenals het feit dat zijn in het Latijn geschreven boek
slechts éénmaal in het Nederlands werd vertaald.
Het is waarschijnlijk geen toeval dat de zeventiende-eeuwse
moralisten, wanneer zij dit onderwerp aansnijden, niet expliciet de vrouwelijke
kuisheid als het ‘eigendom’ van de mannelijke verwanten of de
echtgenoot beschrijven. Uiteraard was ook voor hen de man de leidsman van de
vrouw. Toch is het opvallend dat zij zich in meer gematigde termen uitdrukten
dan Vives. Zo schreef bijvoorbeeld
Jonctys hoogstens dat mannen jaloerser zijn dan hun
vrouwen, omdat zij nu eenmaal ‘als der vrouwen overhoofden meerder machts
en vermogen hebben om haren nayver door uitterlijke daden van bewaken,
beschuitten, en diergelijke aan de wereld kenbaar te maken’. En hij voegt
eraan toe: ‘Hetwelke by d'Italianen en andere volkeren, die meerder
machts over hare vrouwen gebruiken dan wy, seer kenlik te bespeuren is.’
28 Eenzelfde
gematigde formulering vinden wij in een juridisch geschrift, de
Hedendaegse rechtsgeleertheyt van
Ulricus Huber. Volgens hem bestond er geen vrouwelijk
equivalent voor de scheldnaam ‘hoorndrager’, ‘omdat de man
verstaen wort te moeten beletten dat hem geen overspel werde gespeelt, hetwelke
soo in de macht van de vrouwe niet en is’.
29
Aan de noodzaak van bewaking wordt echter door geen van de
moralisten getwijfeld. Had de vrouw ook maar één keer van het
overspel, van de ‘buitelusten’ geproefd, dan zou zij alle
beheersing verliezen. Volgens
Jonctys zou de vrouw, ‘eenmaal de palen van de
schaamte deurboort en hare eerbaarheid (hoewel maar met eenen hulpvaardigen
Jupijn) verkracht hebbende’ de ene minnaar na de andere nemen,
‘verlekkert’ als zij was geworden op deze ‘buitelusten’
en ‘van de weerhou- | | | | wende schaamte ontbloot’.
30
Cats dacht er niet anders over. Had de vrouw eenmaal
haar schaamte verloren, trad zij buiten dit ‘gebot’: ‘Soo
wort haer teere schoot een deure sonder slot’.
31
Vrouwen werden dan ook, evenals in de mediterrane gemeenschappen,
als seksueel onverzadigbare wezens beschouwd. In medische geschriften die in de
zeventiende-eeuwse Republiek veel gelezen werden, bijvoorbeeld Van Beverwijcks
Schat der Ongesontheydt, werd, in navolging van
Plato, de baarmoeder afgeschilderd als een dier dat
hongert naar het mannelijk zaad.
32
Van Beverwijck was zeker niet de enige die zulke
ideeën verwoordde. Dezelfde opvattingen vinden wij vóór Van
Beverwijck in het populaire
Medecyn-boeck van de Duitse arts
Christoph Wirtsung
33 en na
Van Beverwijck in een ander veelgelezen boek,
Venus' Minsieke Gasthuis van de Franse arts
Nicolas Venette. De baarmoeder is onverzadigbaar, zo
meende Venette: ‘noch de hel, noch het vyer, noch de aerde zyn soo
verslindende niet als dit orgaan’.
34 Hiermee haalde hij
slechts een middeleeuws spreekwoord aan.
35 Teruggrijpend op
Galenus zagen de drie artsen bovendien een duidelijk
verband tussen de hongerige baarmoeder en hysterie. Naar Galenus' opvatting dat
ook vrouwen zaad bezitten, waarschuwden zij dat de baarmoeder steeds mannelijk
zaad wil ontvangen, omdat het vrouwelijk zaad zich anders zou ophopen. Het zou
verrotten en de vrouwen uiteindelijk tot razernij brengen. Volgens de drie
artsen was hysterie vooral een ziekte van ongetrouwde vrouwen: van nonnen, oude
vrijsters en weduwen.
36 Hier lijkt de angst voor
weduwen door te klinken die Pitt-Rivers en Brandes in Andalusië
aantroffen.
37 Weliswaar stak de
chirurgijn
Jean Palfyn in 1708 de draak met zulke noties: ‘si
les femmes savoient que des philo- | | | | sophes et des medecins ont cru
serieusement tant de sottises, elles auroient raison de s'en moquer’.
38 Maar wij weten dat vrouwen deze opvattingen deelden, bijvoorbeeld
Isabella de Moerloose, de auteur van een opmerkelijke
autobiografie.
39
Toch verschilden zeventiende-eeuwse moralisten als
Cats en
Jonctys in die zin van
Vives, dat zij ervoor waarschuwden de vrouwen al te
streng te bewaken. Volgens Jonctys voerden de Italianen een te hard regime over
hun vrouwen, ‘die doorgaans opsluittende en van 't manvolk afgescheiden
houdende, zelfs ook binnen hare kerkken’.
40 Beiden verwachtten van een dergelijke aanpak
eerder een averechts effect, als deze aanpak met de gemeenzame omgang tussen
mannen en vrouwen in de Republiek al mogelijk was. Cats adviseerde dan ook:
‘Denkt vry dat mennig wyf is uit den band gesprongen,
Omdat se veel te zeer was in den band gedwongen.
Van hier dan alle dwang: ons Neerland is te vry:
Geen deugd en werd geleert door harde slaverny.’
41
In het bewaken, zo vonden hij en de andere zeventiende-eeuwse
moralisten, konden de mannen het beste een ‘matige middelmaat’
houden.
Ook in de Republiek konden vrouwen hun reputatie en daarmee de eer
van hun man het beste bewaren door hun ‘schaamte’ te tonen. Volgens
Vives was niets zo teer als de ‘fame’ van een vrouw. Haar reputatie
hing voortdurend aan een ‘siden draet’. Zij hoefde maar de minste
aanleiding tot een gerucht te geven om daarmee haar hele leven te worden
achtervolgd.
42 Vives gaf
daarom strenge regels hoe een vrouw en met name een nog ongetrouwde vrouw zich
diende te gedragen. De laatste mocht slechts als het noodzakelijk was het huis
verlaten en dan alleen in gezelschap van haar moeder of van andere deugdzame
personen. Op | | | | straat moest zij haar ogen neergeslagen houden, weinig
spreken en een ‘prijselijcke vreese ende heylighe schaemte’ tonen.
Ook moest zij zich zedig kleden, zoals zij zich ook niet op haar schoonheid
mocht laten voorstaan of er behagen in scheppen dat een man haar aanzag.
Banketten en danspartijen moest zij uiteraard vermijden vanwege de talrijke
‘vrijagien ende amoureusheden’ die daar plachten voor te vallen.
43
De gevoelens van
Cats,
Van Beverwijck en
Jonctys komen duidelijk overeen met die van
Vives. Vrouwen moesten niet teveel uithuizig zijn of,
zoals Cats het formuleerde: ‘Een echtevrouw en kan haer eer niet beter
styven, / Als met in huys te zyn, en uit den woel te blyven.’
44 Jonctys haalt zelfs een spreekwoord aan, dat een meer vriendelijke
versie lijkt van het gezegde dat Pitt-Rivers in Andalusië noteerde:
‘Quade beenen, goede wyven / Dienen wel in huys te blyven.’
45
Toch wordt ook hier erkend dat ‘in onse vrye
Nederlanden’ de vrouwen meer vrijheid hebben dan elders. Zij worden
zonder argwaan buitenshuis gezien, zowel ‘tot vermaeck als uit
noodzaaklikheid’.
46 Het zou zinloos zijn
hun deze vrijheid alsnog te ontnemen. Wel krijgen de vrouwen talrijke
aanwijzingen hoe zij zich tijdens maaltijden en danspartijen hebben te
gedragen. Een eerbare vrouw zal zich wapenen met een ‘eerbaer
gelaat’ en een ‘stil en sedig wesen’. Als zij spreekt, moet
zij dit ‘in alle schaamte en zedigheid’ doen. Zij zal zich
bovendien wachten voor een ‘vuile mond’, een ‘onschamel
oor’ en een ‘geil en stout gezichte’. Uiteraard moet zij ook
zedig gekleed zijn. De gewoonte onder de adel en welgestelde burgers om
‘een goed gedeelte van de hals en borst ontbloot te laten’ zal zij
vermijden, zoals ook blanketten of het dragen van edelstenen wordt afgekeurd.
47 Zo vermaande
Cats: ‘Laat voor een gave steen, u goede gaven
schynen, / Voor peerels, reine tucht; en schaamte voor rubynen.’
48 Ook in bed dient de getrouwde vrouw zich eerbaar te gedragen. Haar
man zou anders maar bang worden dat zij hem bij de eerste de beste gelegenheid
zal bedriegen.
49
Wat schreven de moralisten tenslotte over de dubbele standaard?
Cats verwoordde slechts de kerkelijke opvatting, toen
hij de vrouwen, de ‘zwakke vaten’, als volgt in bescherming nam:
‘'t Is onrecht aen den | | | | man zijn weelde vry te laten / En hart
te willen sijn ontrent de broose vaten’. Door predikanten en moralisten
werd de dubbele standaard telkens verworpen.
50
Maar ook de wetgeving was, in tegenstelling tot de Engelse, vrij gematigd.
Huber meende weliswaar, in overeenstemming met het
Romeinse recht, dat een man slechts overspel beging als hij het bed deelde met
de vrouw van een ander. Sliep hij met een ongetrouwde vrouw, een vrijster of
een weduwe, dan was dit slechts ‘vrouwenschendinge’. Ging
daarentegen een getrouwde vrouw met een ongetrouwde man naar bed, dan gold dit
wel degelijk als overspel. Ter verdediging van deze ongelijkheid wees Huber,
behalve op het feit dat een man om het overspel van zijn vrouw kon worden
bespot, op het voor hem zwaarder wegende feit dat de man door deze echtbreuk
vader kon worden van kinderen die hij niet had verwekt, dezelfde redenering dus
die Thomas aantrof in het vroeg-moderne Engeland. Huber voegde hier echter aan
toe, dat veel Nederlandse rechtsgeleerden anders dachten over deze materie.
51
Inderdaad wordt in de Politieke Ordonnantiën van 1580 dit onderscheid niet
gemaakt, zoals het ook ontbreekt in het
Echtreglement voor de generaliteitslanden uit
1656. Ook
Simon van Leeuwen wijkt hierin af van Huber.
52 Wel bleef er een verschil in
bestraffing bestaan. Werd een getrouwde vrouw al de eerste keer dat zij op
overspel met een ongetrouwde man werd betrapt voor vijftig jaar gebannen, een
getrouwde man ontving voor hetzelfde delict met een ongetrouwde vrouw pas bij
de tweede keer deze straf. In de praktijk waren de verschillen vermoedelijk nog
groter.
53
| |
[4]
In zijn
Tooneel der Jalouzyen vertelt
Jonctys hoe hij eens in een klucht de volgende
scène zag. Eerst verschenen er twee hoorndragers op het toneel die,
zodra zij de horens van de ander zagen, elkaar van harte begonnen uit te
lachen. Hierna verschenen er nog drie of vier hoorndragers ‘al even
schoon gehult’. Bij het zien van de twee en van elkaar barstten ook zij
in lachen uit, totdat ieder, door twijfel bevangen, voorzichtig | | | | aan
zijn hoofd begon te voelen om vervolgens ‘met stomme kaken’ af te
druipen.
54
Het zeventiende-eeuwse schouwburgpubliek kon zich bij talrijke
kluchten vermaken om de hoorndrager.
55 Tussen 1612 en 1712 verschenen zo'n dertig kluchten
en blijspelen met overspel als centraal gegeven, waarin de bedrogen echtgenoot
steeds weer als ‘hoorndrager’ wordt aangeduid.
56 In eenentwintig ervan troffen wij de
klassieke driehoeksverhouding aan: de echtgenote neemt er een minnaar bij. In
vijf stukken bedrijven beide partners de ‘buitelusten’,
57 terwijl in de overige vier in het
geheel geen overspel wordt gepleegd, maar een overdreven jaloerse echtgenoot
hardnekkig de verdenking koestert dat hij wordt bedrogen.
58 Kluchten waarin alleen de
echtgenoot overspel pleegt ontbreken. Om zoiets alledaags viel nauwelijks te
lachen.
Als synoniemen van de hoorndrager vinden wij zo nu en dan spotnamen
als ‘haenrey’ en ‘koekoek’. Daarnaast worden dikwijls
beeldende omschrijvingen gebruikt. Op Goosens wanhopige vraag: ‘Waar
brengt mijn wijf my toe?’, antwoordt zijn knecht Jeuriaen: ‘Tot
gildebroer van 't hoorenrijk’.
59 Elders lucht een bedrogen
echtgenoot zijn woede ‘op die schellem, / Die my kroont met een getackte
hellem’. Zijn knecht noemt hem zelfs spottend ‘mijn
Cabricornus’. Al even eerbiedig betitelt een echtgenote haar man als
‘generalissimus van alle hoorenbeesten’ of ‘heer overdeken
van 't horendragersgild’.
60
| | | |
Ook in deze kluchten en blijspelen komen wij de drie noties achter
de schande van de hoorndrager tegen. Ook hier vinden wij de overtuiging dat
vrouwen in feite het ‘bezit’ van hun verwanten en echtgenoten
vormen. Zij moeten bovendien bewaakt worden, zij zijn immers maar al te begerig
naar seks. Tegelijk ontmoeten wij de dubbele standaard, de overtuiging dat het
overspel van de vrouw als vele malen erger moet worden beschouwd dan dat van de
man. Wel zijn de drie noties in een context geplaatst die duidelijk verschilt
van die in de moralistische geschriften. De toneelstukken zijn weliswaar
eveneens opiniërend en duidelijk moralistisch van toon. Zij geven echter,
mede op basis van specifieke vormgevingsprincipes, een andere interpretatie van
de werkelijkheid. Wij moeten bijvoorbeeld rekening houden met het voortleven
van aloude typen als de pantoffelheld of het boze wijf, die nog stammen uit de
Middelnederlandse kluchten.
61
Ook heeft de mediterrane literatuur, vooral de Italiaanse novellistiek en de
commedia dell'arte, het komische theater in de Nederlanden, evenals in
andere Europese landen, aanzienlijk beïnvloed.
62 Zo vormen acht van de hier onderzochte toneelstukken bewerkingen
van Italiaanse of Spaanse voorbeelden.
63 Het gaat echter inderdaad om bewerkingen: de voorbeelden werden
toegesneden op de Nederlandse verhoudingen. De schrijvers en bewerkers zochten
naar komische situaties die aansloten bij de belevingswereld van het publiek.
Zoals wij nog zullen zien, kon dat komische juist liggen in dat wat door de
moralisten werd veroordeeld. Nog sterker, met hun vermaningen kon een loopje
worden genomen, zoals bij- | | | | voorbeeld
Asselyn deed in zijn
Schynheilige vrouw. In feite vormt die
relativering van de bestaande moraal een vast gegeven in de kluchten. Het was
een onschuldige relativering: de heersende normen worden, evenals in andere
humor uit die tijd, niet werkelijk aangetast. Van een sociaal protest was geen
sprake.
64
In welke vorm werden nu de drie genoemde noties in de toneelstukken
verwerkt? Slechts één keer troffen wij de mening aan, uiteraard
verkondigd door een al te jaloerse echtgenoot, dat vrouwen eigenlijk het
‘bezit’ zijn van hun mannen. Althans, Tryn Snoeps verwijt haar man:
‘Tis niet om te verdraghen, so jelours als hy op myn is. / En hy mient
dat al myn goet, jae myn Lyf, dat dat syn is.’
65 Heel wat vaker
vonden wij echter de met deze bezitsidee verbonden notie dat een getrouwde
vrouw door haar overspel niet alleen schande over zichzelf maar ook over haar
echtgenoot brengt. Zo dreigt Enghel haar man: ‘'K ontslip u t'eenigher
tijdt, en brengh ons bey ter schanden.’ Ook als Nicodemus heeft gedroomd
dat zijn vrouw hem heeft bedrogen, dat zij niet ‘poort-vast’ is
gebleken, bejammert hij zijn eer. De ‘gehorende schout’ roept zelfs
uit: ‘jouw, roofster van mijn eer!’, als hij zijn vrouw in het
bordeel heeft betrapt.
66 Behoudens een enkele uitzondering zijn het
inderdaad de overspelige vrouwen die hun mannen de horens opzetten, hen van hun
mannelijkheid en eer beroven. Geile Fijtje, in de Klucht van Oene, zegt
het onomwonden: ‘Ik zweer dat ik Oenes hooft mit hoorens zel
bezetten.’
67
Hoe stond het met de tweede notie? Hoe onverzadigbaar waren de
vrouwen en hoe nauwlettend moesten zij daarom in de gaten worden gehouden?
Slechts af en toe kwamen wij nog een kleindochter tegen van het ‘boze
wijf’ uit de Middelnederlandse literatuur: een kijvende ‘dulle
Griet’ die haar echtgenoot afranselt, altijd met mensen overhoop ligt en
alleen haar minnaar een vriendelijk gezicht toont.
68 Bijna in alle kluchten en blijspelen zijn de vrouwen
jong, levenslustig en begerig | | | | naar de ‘buitelusten’. Hun
namen zeggen al genoeg: Tryn Snoeps, Geile Fijtje, Lichte Klaartje, Gadtje
Waggelaar, Stijntjen Gheren-gekust en Grietje Lichtnaers. Zij smachten slechts
naar hun minnaars. Een enkel voorbeeld: als Tryn Snoeps heeft afgesproken met
haar minnaar Slimme Piet, krijgen wij te horen dat zij haast uit haar vel barst
van verlangen. Zij kan nauwelijks wachten tot het avond wordt, tot Piet haar
‘lust’ komt ‘blussen’.
69
De geilheid van Geile Fijtje en de andere vrouwen wordt nog
geaccentueerd doordat de meesten van hen met een oude, impotente man zijn
getrouwd. Ook hier is de traditie van het Middelnederlandse toneel te
bespeuren. Vooral in een aantal stukken uit de eerste helft van de zeventiende
eeuw draagt de oude echtgenoot trekken van de ‘hennetaster’, de
pantoffelheld uit middeleeuwse kluchten.
70 Typerend is
bijvoorbeeld de ‘dreutelaar’ en ‘knoeyer’ Claas Cloet
over wie zijn jonge echtgenote klaagt:
‘Is hy ien vrouwen man? ba tjan 'tis ien droghen geck,
Die recht op zijn tijdt is om te capoenen.
Weet hy van troetelen? weet hy van soenen?’
71
Ook Sybille, de echtgenote van de oude hopman Ulrich, zou deze
‘dorren, drogen en gemelijken quant’ graag voorzien van een
‘jonger luitenant’.
72 Zulke
ongelijke huwelijken konden volgens de moralisten slechts leiden tot twist en
overspel. De kluchten en blijspelen brengen dezelfde boodschap. Schreef
Cats: ‘Als jong met jongh te samen paert, / God
is'er by, na rechten aert’, in Van der Muyrs
Ketelboeter wordt vastgesteld dat slechts
‘jongh by jongh, en out by out’ tot een vreedzaam huwelijk leidt.
73 Overigens
worden niet al deze jonge vrouwen in louter negatieve termen neergezet.
Sommigen zijn niet om geld met zo'n ‘knoeyer’ getrouwd, maar er
door hun ouders toe gedwongen. Dit geldt vooral voor kluchten en blijspelen uit
de tweede helft van de zeventiende eeuw en later. Zo klaagt Alida in Van den
Burgs
Gehorende schout: ‘Myne ouders, hebben my
gedwongen an dien droogen; / Ik kan de vent niet zien, noch dulden voor myne
oogen.’
74
| | | |
Dit neemt echter niet weg dat de vrouwen juist om hun al te grote
willigheid bewaakt moeten worden. De meeste mannen maken het echter wel erg
bont. Zo heeft Doeden geen enkel vertrouwen in zijn vrouw Enghel met al haar
‘loos bedrijf’. Het liefst zou hij haar in een blok sluiten
‘aen voeten en aen hanghden, / Eer datse my en heur noch brenght in
groote schanghden.’
75 Maar ook hier
is de boodschap duidelijk: door een al te strenge bewaking kunnen de vrouwen
juist tot overspel worden gedreven. Als bijvoorbeeld Nicodemus zijn knecht
belast met de bewaking van zijn vrouw, dreigt zij:
‘Indien ick malle wouw, ghy wiert al haest gewaer
Dat men een loose vrouw haer list niet kan beletten,
U eyge wachter soud u hoorens konnen setten.’
76
Op dezelfde wijze reageert Enghel op de kwade vermoedens van Doeden:
‘Hy trouwt me dit al toe, waerom hy naerstich let, / Maer ik wed dat ik
eer langh sijn kop met hoorens set.’
77
Om hun doel te bereiken laten de vrouwen geen middel onbeproefd. Met
hun ‘vrouwenlisten’ - eveneens een erfgoed uit de middeleeuwen
78 - misleiden zij hun echtgenoten maar al te graag. Zij zijn
bepaald gewiekst als het erom gaat hun minnaars te verbergen of op het laatste
moment te helpen vluchten. Sommigen hebben zelfs door dat het met overtuiging
belijden van de eigen eerbaarheid een prachtige dekmantel vormt voor het
verbergen van hun onkuisheid. Aaltje is wel erg doortrapt. Als zij zwanger is
geworden, wil zij de argeloze Harmen trouwen om zo haar schande te verhullen.
Maar aanvankelijk weert zij hem beschaamd af: ‘Mijn maeghdom! Neen, o
neen, die salme niemant rooven.’
79
Ook Levijntje van Dockum, Asselyns ‘schynheilige vrouw’,
weet er raad mee. Zo houdt zij haar vriendinnen voor: ‘Men moet
exemplaarlyk leeven, dat men elk tot een voorbeeld zy. O! een kuische vrouw is
een juweel van een onwaardeerlyke waardy, een kroon des mans, een sieraad des
huis, en een aanwas van luister en achtbaarheden.’ En zij vervolgt:
‘Alle jonge getrouwden (…) behoorden (…) de boeken van | | | | Cats,
en inzonderheid zyn huuw'lyk wel naarstig te doorlezen.’ Ja, niets vindt
zij afschuwelijker dan een onkuise vrouw die haar echtgenoot onteert en de
huwelijksband verbreekt. Een goede echtgenote, zo heeft zij bij Cats gelezen,
leeft teruggetrokken en kuis. Men zou haar haast geloven, als zij uitroept:
‘O de boeken van Cats, daer in verslyt ik veeltyds gantsche halve
nachten.’ Maar ondertussen weet het publiek allang wat zij in die nachten
werkelijk doet.
80
Uiteraard liepen deze vrouwen groot gevaar hun reputatie, hun
eerbaarheid te verliezen, een reputatie die nu eenmaal gemaakt of gebroken werd
door de buitenwereld, met name door de roddels en praatjes van de buren. Zo
overweegt Sybille: ‘Onse bueren letten daer op, ik zou metter tijd voor
een lichte koy henen gaen.’ En zij voegt eraan toe: ‘D'eerbaerheyd
van een vrou, als je weet, die kan niet al te veel lyen.’
81 Juist
doordat eer en schande zo sterk bepaald werden door de buitenwereld, vormden
heimelijkheid en geheimhouding belangrijke strategieën om de eigen eer of
eerbaarheid te bewaren. De oude hopman Ulrich krijgt bijvoorbeeld het
advies:
‘Dewijl j'et niet kond beletten,
Is 't dan niet beter datjet stillekens gaet smoren,
Als datje de neus niet buiten de deur kend stekken,
Of datje koekoek en hoorenbeest moet hooren?’
82
In andere stukken wordt dezelfde moraal uitgedragen. Aan het slot
van de
Klucht van Oene wordt geconcludeerd: ‘Wie
zen schant kan bedekken, en schae verhoeden, et groote kracht’, terwijl
het motto boven de
Klucht van de schoester luidt: ‘Men moet
verschuilen en bedekken / Al d'onuitwisselyke vlekken’.
Hoe stond het tenslotte met de dubbele standaard, de derde notie
achter de schande van de hoorndrager? Het bewustzijn dat bij het morele oordeel
over overspel met twee maten wordt gemeten, is in een aantal stukken duidelijk
aanwezig. Als Aeltje en Tryn in de
Klucht van de molenaer zich over hun echtgenoten
beklagen, vraagt de laatste zich af: ‘Van waer komt de mannen de
vryicheydt om by anderen haer te voeghen? / Dat wy altemet iens verwisselden
hoe qualyck soudense genoegen.’
83
| | | |
De mannen zelf wisten dit maar al te goed. Als de ‘gehorende
schout’ zijn vrouw op overspel betrapt, is dat voor hem voldoende reden
om een echtscheiding aan te vragen. Maar over zichzelf en zijn eigen sekse
verkondigt hij:
‘Wy mannen, mogen doen, al't geen ons maar behaagt.
Al zag myn vrouw, my by een ander vrouwmens leggen,
Zy zouw my dekken, en geen woord daar tegen zeggen.’
84
In de
Klucht van hontghe bijt mij niet jaagt Abraham
met zijn allesverterende maar volledig ongegronde jaloezie zijn vrouw het huis
uit. Zijn dienstmeid vertelt echter aan Man, de knecht des huizes:
‘Maar hoort Man wat hy lestent aenstelde voor een
gewelt,
Hy bootme doe de vrou wt de stat was een gulden aen geldt.
Ey lieve seyd hy laat ick eens onder je rocke.’
85
In de meeste kluchten spreekt het bovendien vanzelf dat een
ongetrouwde man zijn seksuele behoeften zonder al te veel bedenkingen mag
bevredigen. Zijn eer zal hij niet verliezen. Voor een vrouw in dezelfde
situatie ligt dat anders. Zij verliest haar eer, ook als zij slechts
één keer een misstap begaat. Wil zij die eer, althans voorzover
dat mogelijk is, terugwinnen, dan kan dit op den duur zelfs betekenen dat zij
nagenoeg moet afzien van haar seksualiteit. Zo komen wij in de stukken
herhaaldelijk jonge vrouwen tegen die verlaten zijn door de man die hen zwanger
heeft gemaakt. Om niet volledig in schande te vervallen moeten zij wel trouwen
met een oude, weinig aantrekkelijke man. Sybille vertelt bijvoorbeeld:
‘Door te groote vryigheyd die my gegeven wierd was ik op den
hol geraekt.
In somma daer was een abuyssje, derf ik't seggen, daer was wat
jonks gemaekt
En doen myn ouders dat vernamen doe gingen sy my met allen kort
houwen.
Desen girigaerd dit merkende quam uyt, en men dwong my om met hem
te trouwen:
't Was dekt de pot toe, daer's palingh in, en maekt dat het kind
tait seyt (…)
| | | |
Wat sou ik doen? ik most vande nood een deugd maken op dat mijn
eer niet wierd bevlekt.’
86
Zowel voor getrouwde als ongetrouwde vrouwen kon het aangaan van
seksuele relaties buiten het huwelijk slechts in aanvaring komen met hun
eerbaarheid. In Lemmers
Jalourse Lammert wordt dit dilemma bondig
samengevat in een dialoog van Lucie en haar dienstmeid Katryn. Zij overleggen
wat Lucie tegen de overdreven jaloezie van haar echtgenoot zou kunnen doen:
‘Katryn: Ja juffrouw, 'k zouwje raân, hem daar voor
weêr te loonen,
En hem met waarheid, niet in schijn, met hoorens kroonen.
Lucie: Maar d'eer, Katryn, dat is alleen de zaak.
Katryn: Tut, tut, met d'eer, ik zou het houden met 't vermaak.
D'eer is een Bullebak, die my niet zou vervaaren.
Men mist zijn vreugd, terwijl men wil zijn eer bewaren.’
87
| |
[5]
In de voorgaande paragrafen hebben wij getracht aan de hand van
enige moraalgeschriften en een reeks kluchten en blijspelen iets van de
gevoelens van eer en schande te achterhalen, zoals deze in de
zeventiende-eeuwse Republiek rond de ‘hoorndrager’ hebben bestaan.
Daarbij hebben wij met vrucht gebruik kunnen maken van een aantal
antropologische studies. Er bleken duidelijke overeenkomsten te zijn tussen de
noties die de antropologen nog aantroffen in verscheidene mediterrane
herdersgemeenschappen en de noties die wij tegenkwamen in de Republiek.
Tegelijk bleken er verschillen te zijn. Expliciete formuleringen
als zou de kuisheid van vrouwen slechts toebehoren aan hun mannelijke verwanten
of aan hun echtgenoten, zijn wij slechts zelden tegengekomen. Daarnaast werd
steeds weer, zowel in de moraalgeschriften als in de kluchten en blijspelen,
gewaarschuwd tegen een al te strenge bewaking van vrouwen. Ook vonden wij niet
alleen bij de moralisten maar ook in de toneelstukken een zekere relativering
van de dubbele standaard. Het zijn verschillen die wij waarschijnlijk moeten
toeschrijven aan de relatief onafhankelijke positie van vrouwen in de
Republiek, niet | | | | alleen in vergelijking met de door de antropologen
onderzochte gemeenschappen, maar ook in vergelijking met het zeventiende-eeuwse
Engeland. Wezen
Cats en
Jonctys op de gemeenzame omgang tussen mannen en
vrouwen, vóór hen hadden
Geert Grote,
Hadrianus Junius en
Erasmus al de bijzondere positie van Nederlandse
vrouwen gesignaleerd, zoals ook veel buitenlanders zich hierover bleven
verwonderen.
88
Nog twee andere verschillen met de mediterrane
herdersgemeenschappen kunnen worden aangewezen. Zo was er bijvoorbeeld noch in
de moraalgeschriften noch in de toneelstukken sprake van een conventie dat een
door overspel aangedane schande middels fysiek geweld moest worden uitgewist.
Weliswaar verwezen de moralisten ter afschrikking graag naar dergelijke
wraaknemingen in de oudheid of een meer recent verleden. In de kluchten en
blijspelen daarentegen wordt dit soort oplossingen duidelijk afgekeurd,
89
evenals de gang naar de rechter.
90 Wat wij vaak
aantreffen zijn tussenoplossingen: men beslechtte de conflicten liever
zelf.
De bedrogen echtgenoot kon, bijvoorbeeld door te dreigen met een
rechtszaak en daarmee openbaarmaking van het overspel, aansturen op een
schadeloosstelling. Zo wil Filibert in
De ontdekte schijndeugd zich van zijn vrouw laten
scheiden en haar in het Spinhuis laten zetten. Maar Volkert, de minnaar en
degene die aan Filibert vierduizend gulden heeft geleend, weerhoudt hem
hiervan: ‘Ik bid, ei! hoor een woord, kozyn, ik zal al je schulden
kwyt-schelden, zo je uw vrouw niet schend, noch my niet meld.’ Filibert
kan daarop zijn schuldbekentenis verscheuren.
91 In de
Klucht van de gewillige hoorendrager wordt zelfs
de notaris bij een dergelijke regeling betrokken. Het probleem was dat Harmens
vrouw Aaltje - wij kwamen haar al tegen - een maand na de bruiloft een kind
kreeg. De vader was een zekere Nicolaes. De notaris rekent hem voor: ‘Soo
sulje daer jaerlijcks vijftigh guldens toe geven, tot dat het tot | | | | zijn veertien jaren komt.’ Ook moet hij zich schriftelijk
verplichten: ‘Soo voor Aaltjens defloratie, / Als voor 't veynsen van
Harmen te geven drie hondert guldens volgens d'Obligatie.’ Tot slot
vermaant de notaris: ‘En weest goe vrienden, soo blijft het verborgen, en
dan heb jij daer van beyde sijden geen schant van.’
92 Al was er in de
zeventiende eeuw geen sprake meer van Selbsthilfe, de noties van eer en
schande waren blijkbaar nog sterk genoeg om een oplossing te zoeken buiten de
rechter om. Het was een moraal die niet alleen werd uitgedragen in de
schouwburg. Toen een hooggeplaatst ambtenaar, een zekere Tiquet, wel degelijk
een beroep deed op de rechter, spotte Doedyns in zijn Hollandsche
Mercurius: ‘Den raadsheer Tiquet (…) heeft zyne gemalin
(…) voor een overspeelster aangeklaagt, en te gelyk zyn zelven als
Cocu.’
93
Het laatste verschil betreft de rol van het geweten waarop de
moralisten, ondanks hun opmerkelijke aandacht voor noties als eer en schande,
steeds sterker de nadruk gingen leggen. Typerend is
Cats' waarschuwing voor Gods alwetendheid:
‘Hy siet tot in de borst, tot midden in de nieren,
Hy siet tot in het hert, en waer de sinnen swieren,
Hy siet van alle kant wat in de duyster nacht
Wort over al gedaen, wort over al gedacht.’
94
In de kluchten en blijspelen is er heel wat minder aandacht voor het
geweten. Daar overheersen begrippen als eer en schande, en valt de angst voor
het eigen geweten in het niet bij de angst voor het oordeel van de
buitenwereld. In die zin vertegenwoordigen de kluchten en blijspelen veel meer
dan de moraalgeschriften een schaamte- in plaats van een schuldcultuur. Toch
dringen in de latere stukken ook begrippen als individuele schuld en morele
verantwoordelijkheid door. Zo zegt Levijntje in Asselijns'
Schynheilige vrouw tot slot: ‘(…) ik
beken dat ik in veel zwaere overtreedinge grootelyks te beschuldigen ben
(…). Zwaarlyk heb ik gezondigd en misdaen.’
95 Ook hier verdrong een
toenemende ‘gewetensvorming’ oudere noties als eer en schande.
96
| | | |
| |
Bijlage
De hier volgende chronologische lijst laat zien dat de
verschijnings- respectievelijk opvoeringsdata in feite over de gehele
zeventiende eeuw verspreid lagen. Opvallend is een ophoping in het midden van
de eeuw: bijna een derde van de stukken, namelijk 9, werd tussen 1643 en 1649
uitgegeven. Het is niet eenvoudig hiervoor een verklaring te vinden. Omdat
bijna alle kluchten in Amsterdam uitkwamen, is het mogelijk dat
deze opeenhoping samenhangt met de eerste bloei van de kort daarvoor, in 1638,
geopende Amsterdamse schouwburg.
De hier vermelde dertig kluchten en blijspelen werden geselecteerd
na het raadplegen van de gebruikelijke letterkundige handboeken en een
zorgvuldige schifting van de door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde
verzamelde toneelstukken, aanwezig op de Universiteitsbibliotheek te Leiden. De
selectie maakt geen aanspraak op volledigheid, maar kan zeker als
representatief worden beschouwd.
| |
Chronologische lijst van de geraadpleegde kluchten en blijspelen
| 1.
| S. Coster,
Boereklucht van Teeuwis de Boer, en men Juffer van
Grevelinckhuysen (1612), ed. R.K. Kuipers (Amsterdam
1908). |
| 2.
| G.A. Bredero,
De klucht van de Molenaer (1613), in: G.A.
Bredero's kluchten, ed. J. Daan (Culemborg 1971), pp. 143-192. |
| 3.
| N. Biestkens,
De drie delen van de klucht van Claas Cloet
(1619), ed. R.W. Dibbets (Zutphen 1969), pp. 90-123. |
| 4.
| W.D. Hooft,
Jan Saly (Amsterdam 1622). |
| 5. |
Klucht van de gewillige hoorendrager met de gefopte
kinderenmaker (Gorinchem 1626). |
| 6.
| J. van Arp,
Boertighe klucht van Klaes Klick
(Amsterdam z.j. [vóór 1630]). |
| 7.
| J. Zoet,
Jochem Jool, ofte Jalourschen-Pekelharingh
(Amsterdam 1637). |
| 8.
| J. Vos,
Klucht van Oene (1638), in: idem,
Toneelwerken, ed. W.J.C. Buitendijk (Assen en Amsterdam 1975), pp.
239-290. |
| 9.
| J. Bormeester,
Klucht van Doeden (Amsterdam
1643). |
| 10.
| H. van der Muyr,
Klucht van de Ketel-boeter
(Gorinchem 1644); ook verschenen onder de titel:
Klucht van Frans Ioppen en Gerritge de Licht
(Gorinchem 1644). |
| 11.
| W. van Bruyningen,
Vlaemsche klucht van Sinjoor Jakus Smul
(Amsterdam 1645). |
| 12.
| J. Noseman,
Lichte Klaartje (1645; Amsterdam
1681). |
| 13. |
Phantasia (Amsterdam 1645); komt op
de eerste scène na overeen met de
Klucht van de gewillige hoorendrager (5). |
| 14.
| J. Noseman,
De beroyde student (1646; Amsterdam
1679). |
| 15.
| A. Boelens,
De klucht van de oneenige-trouw
(Amsterdam 1648). |
| 16.
| I. Vos,
Singhende klucht van Pekelharing in de kist (z.p.
1648). |
| 17. |
Klucht van hontghe bijt mij niet
(Amsterdam 1649). |
| | | |
| 18.
| J. Wissingh,
Klucht van de bedroge dromer
(Amsterdam 1656). |
| 19.
| J. van Daalen,
Klucht van de jalourse jonker
(Amsterdam 1657). |
| 20.
| J. van Breen,
Bedroge Jalouzy (Leiden z.j.
[gespeeld 1652, later gepubliceerd]). |
| 21. |
Klucht van de schoester: of, gelijke monniken, gelijke
kappen (Dordrecht 1660). |
| 22.
| J. van Paffenrode,
De bedroge gierigheid ofte boertige comoedie van hopman
Ulrich (Gorinchem 1661). |
| 23.
| W.G. van Focquenbroch,
De verwarde jalousy (1663), ed. J.C. Feller
(Gorinchem 1968); vertaling van: Molières Sganarelle ou le cocu
imaginaire (1660). |
| 24.
| C. de Bie,
Cluchte van een misluckt overspel
(Antwerpen z.j. [gespeeld 1669]). |
| 25.
| J. Lemmers,
De jalourse Lammert (Amsterdam
1680). |
| 26.
| D. Lingelbach,
De ontdekte schijndeugd (Amsterdam
1687). |
| 27.
| Th. Asselijn,
De schynheilige vrouw, met de uitvaard van Jan Jasperzen,
vader van Saartje Jans (Amsterdam 1691). |
| 28.
| J. Pluimer,
Den ghewillighen hoorendraegher ofte schole der
jalousy (Gent z.j.); vertaling van: A.J. de Montfleury, l'Ecole
des jaloux, ou le cocu imaginaire (1664). |
| 29. | De ontmantelde apotheker met de gefopte
hoorndrager (Gouda z.j. [gespeeld 1712]). |
| 30. | H. van den Burg,
De gehorende schout (Amsterdam
1712). |
Wij willen Florence Koorn bedanken voor haar kritiek op een eerdere
versie van dit artikel.
|
1I. Illich,
Gender (New York 1982), hfdst. 5, m.n. pp.
112-114. Voor het onderscheid tussen sex en gender, tussen
biologisch en cultureel bepaalde sekse, zie o.a. J. Money,
Love and lovesickness. The science of sex, gender
difference, and pair-bonding (Baltimore en Londen 1980).
2J.A. Pitt-Rivers,
The People of the Sierra (Chicago en Londen
1963), pp. 112-121; idem,
The fate of Shechem or the politics of sex. Essays in
the anthropology of the Mediterranean (Cambridge enz. 1977), m.n.
pp. 18-47: ‘Honour and social status in Andalusia’, en pp. 71-93:
‘The moral foundations of the family’; J.K. Campbell,
Honour, family and patronage. A study of institutions
and moral values in a Greek mountain community (Oxford 1964), pp.
150-212; A. Blok, ‘Eer en de fysieke persoon’, in:
Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 18 (juni 1980), pp. 211-230; idem,
‘Rams and billy-goats: a key to the Mediterranean code of
honour’, in Man, n.s., 16 (1981), pp. 427-440; zie ook: S.
Brandes, ‘Like wounded stags: male sexual ideology in an
Andalusian town’, in: S.B. Ortner, H. Whitehead (eds.), Sexual
meanings. The cultural construction of gender and sexuality (Cambridge
1981), pp. 216-239.
3Wat betreft de groeiende aandacht voor het
geweten in de moraalgeschriften, zie voor de protestantse ontwikkeling: H.
Roodenburg, ‘Predestinatie en groepscharisma. Een sociologische
verkenning van de conflicten tussen calvinisten en andere gelovigen in de
Republiek, ±1580-±1650’, in: Amsterdams
Sociologisch Tijdschrift 8 (1981), nr. 2, m.n. pp. 256-261; voor de
katholieke ontwikkeling, zie: idem, ‘Protestantse en katholieke
askese. Gedragsvoorschriften bij contrareformatorische moralisten in de
Republiek, ±1580-±1650’, in: idem 10 (1983), nr. 4,
m.n. pp. 622-629; voor de keuze van de in dit artikel gebruikte bronnen, zie J.
Caro Baroja, ‘Honour and shame. A historical account of several
conflicts’, in J.G. Peristiany (ed.), Honour and shame. The
values of Mediterranean society (Chicago 1966), p. 82.
4Pitt-Rivers, ‘People’, a.w.,
p. 116.
6Blok, ‘Eer’, a.w., pp.
220-224; idem, ‘Rams’, a.w., pp. 427-432.
7J. Schneider, ‘Of vigilance and
virgins: honor, shame and access to resources in Mediterranean
societies’, in: Ethnology 10 (1971), p. 18; Blok,
‘Eer’, a.w., p. 219.
8Campbell, a.w., pp. 26, 31, 277; Blok
citeert Campbell; Brandes, a.w., p. 220 en passim. Bij Pitt-Rivers blijft deze
relatie onduidelijk, waarschijnlijk omdat hij de horens van de hoorndrager
associeert met de duivel.
9Pitt-Rivers, ‘Honour’, a.w.,
p. 23.
10Zie ook: P. Schneider, ‘Honor and
conflict in a Sicilian town’, in: Anthropological Quarterly 42
(1969), nr. 3, p. 148.
11Pitt-Rivers, ‘People’, a.w.,
pp. 114-116; idem, ‘Honour’, a.w., pp. 23-24; idem,
‘Foundations’, a.w., pp. 73-75; Campbell, a.w., pp. 277-278; Blok,
‘Eer’, a.w., p. 216; Brandes, a.w., pp. 227-230.
12Pitt-Rivers, ‘Honour’, a.w.,
passim; Campbell, a.w., m.n. pp. 317-318; Blok, ‘Eer’, a.w.,
passim; idem, ‘Rams’, a.w., passim.
13Blok, ‘Rams’, a.w., p.
432.
14Campbell, a.w., pp. 199-201.
15Blok, ‘Rams’, a.w.,
432.
16B. Lenman, G. Parker, ‘The
state, the community and the criminal law in early modern
Europe’, in: V.A.C. Gatrell, B. Lenman en G. Parker (eds.),
Crime and the law. The social history of crime in western Europe since
1500 (Londen 1980), pp. 11-48.
17B. van Zutphen,
Practycke der Nederlansche rechten van de
daghelijcksche soo civile als criminele questien (Leeuwarden 1655),
p. 594; S. van Leeuwen,
Het Rooms-Hollands-Regt, waer in beschreven de Roomse
wetten, met het huydendaagse Neerlands regt (Leiden en Rotterdam
1664), p. 431. Voor het onderscheid tussen conventie en recht, zie: M. Weber,
Wirtschaft und Gesellschaft (Tübingen
1922), pp. 374-381: ‘Rechtsordnung, Konvention und Sitte’.
18D. Jonctys,
Tooneel der jalouzyen, waarop vertoont werden veel treurige
gevallen, wonderlijke geschiedenissen, en schrikkelijke wreede uitwerkselen der
jaloersheid (Amsterdam 1669 2), II, pp. 481-482.
19Geciteerd in: Woordenboek der
Nederlandsche Taal, VII, 2de stuk, kol. 5662.
20Jonctys, a.w., II, p. 483.
21J.L. Vives, Die institutie ende leeringe
van een christelijcke vrouwe, sowel in haer ioncheyt, als in haren houwelijcken
staet, ende als si weduwe is (Antwerpen 1554), I, cap. VII (niet
gepagineerd).
22J. van Beverwijck, Van de wtnementheyt des
vrouwelicken geslachts (Dordrecht 1639), pp. 617, 623; Jonctys, a.w., I, p.
585; II, pp. 88 e.v.; J. Cats, ‘Houwelick, dat is, het gansche beleyt des
echten-staets’, in: idem, Alle de wercken, soo oude als nieuwe
(Amsterdam 1655), m.n. p. 115.
23K. Thomas, ‘The double standard’,
in: Journal of the History of Ideas 20 (1959), nr. 2, pp.
209-210.
24Plutarch's Moralia. Ed. F.C. Babbitt
(Londen en Cambridge, Mass. 1960-1969), III, pp. 466-467. Met dank aan Jan
Bremmer.
25Vives, a.w., II, cap. 2.
27Thomas, a.w., pp. 201-202.
28Jonctys, a.w., I, p. 573.
29U. Huber,
Hedendaegse rechtsgeleertheyt, soo elders, als in
Frieslandt gebruikelyk (Leeuwarden 1686), II, p. 474.
30Jonctys, a.w., II, p. 504.
32J. van Beverwijck, ‘Schat der
ongesontheydt’, in: idem,
Alle de wercken, zo in de medicyne als
chirurgie (Amsterdam 1660), pp. 159, 294.
33C. Wirtsung,
Medecyn-boeck, daerinne alle wtwendighe, ende inwendige
parthyen des menschen lichaems, met alle hare sieckten ende gebreken, van den
hoofde af, tot de voeten toe, begrepen zijn (Dordrecht 1589), fol.
405 en 417. Dit boek werd tussen 1589 en 1628 zes keer herdrukt.
34(N. Venette),
Venus Minsieke Gasthuis, waerin beschreven worden de
bedryven der liefde in den staat des houwelijks, met de natuurlijke
eygenschappen der mannen en vrouwen, hare sieckten, oirsaken, en
genesingen (Amsterdam 1687), pp. 177, 182. Dit geschrift werd tot
het einde van de achttiende eeuw tien keer herdrukt. Zie: H. Roodenburg,
‘“Venus Minsieke Gasthuis”. Over seksuele attitudes in
de achttiende-eeuwse Republiek’, in: Documentatieblad
Achttiende Eeuw, 17 (1985), nr. I, m.n. p. 132.
35P. Darmon,
Le mythe de la procréation à l'âge
baroque (Parijs 1977), p. 26.
36Vgl. Y. Knibiehler, C. Fouquet,
La femme et les médecins. Analyse
historique (Parijs 1983), p. 73.
37Pitt-Rivers, ‘Honour’, a.w., pp.
44-45; idem, ‘Foundations’, a.w., p. 82; Brandes, a.w., pp.
226-227. De volgende regels bij
Cats over de weduwe liegen er ook niet om: ‘Juyst
soo het water rolt, wanneer de swacke dijcken / Staen open voor de zee, en voor
de stroomen wijcken, / Soo is het ydel mensch gansch los, en sonder wet / Om
dat 'er niemant is, die haer een regel set.’
38J. Palfyn,
Description anatomique des parties de la femme, qui servent
à la générátion (Leiden 1708), p.
110.
39H. Roodenburg, ‘The
Autobiography of Isabella de Moerloose. Sex, childrearing and popular belief in
seventeenth-century Holland’, in: Journal of Social
History 18 (1985), nr. 4, p. 531; een Nederlandse versie in: Tijdschrift
voor Sociale Geschiedenis 32 (1983), pp. 311-342.
40Jonctys, a.w. I, p. 555; vgl. II, p. 437.
De passage lijkt ontleend aan Robert Burton,
The anatomy of melancholy. Ed. H. Jackson
(Londen 1972), III, p. 265.
42Vives, a.w., I, cap. XII.
43Idem, I, cap. XII-XIV; II, cap.
VI-VIII.
44Geciteerd bij Jonctys, a.w., II, p.
340.
47Ibidem, cap. II, IV en V. Voor het citaat:
ibidem, p. 173.
48Geciteerd bij Jonctys, a.w., II, p.
138.
49Vives, a.w., II, cap. V; Jonctys, a.w., II,
pp. 93-94.
50Cats, a.w., p. 117; Vgl. bijv. L.
Groenendijk, De nadere reformatie van het gezin. De visie van Petrus
Wittewrongel op de christelijke huishouding (Dordrecht 1984), p. 86.
51Huber, a.w., II, pp. 474-475.
52Groot Placaetboeck, inhoudende de
placaten ende ordonnantien (…) ('s Gravenhage 1658), I, pp. 334-335
en II, p. 2444; Van Leeuwen, a.w., p. 429.
53Groot Placaetboeck, a.w., I, p.
335.
54Jonctys a.w., ii, p. 487.
55Over de samenstelling van het publiek is
weinig bekend. Lange tijd is aangenomen dat de kluchten enkel tot de
volkscultuur behoorden. Ze behoorden echter sinds het begin van de zeventiende
eeuw tot het repertoire van de toen in vele steden door de elite geopende
schouwburgen. Het programma bestond meestal uit een klucht en een stuk uit het
klassieke genre. De toegangsprijzen waren laag. Men kan daarom veronderstellen
dat de kluchten in alle lagen van de bevolking geliefd waren. Dit constateert
ook Peter Burke in
Dutch popular culture in the seventeenth century. A
reconnaissance (Rotterdam 1978, p. 4). Dat
Jonctys in de schouwburg kluchten zag en
Asselijn in zijn
Schynheilige Vrouw een loopje neemt met
Cats, vormen natuurlijk verdere aanwijzingen dat de
kluchten ook door de elite werden gewaardeerd. Waarschijnlijk viel het publiek
van de moralistische geschriften voor een groot deel samen met het
schouwburgpubliek.
56Zie voor de volledige titels en de
uitvoerings- resp. verschijningsdata van deze stukken de bijlage, naar welke
nummering hierna verwezen wordt.
57Bredero (2);
Van Daalen (19);
Van Breen (20); (21);
Van den Burg (30). Bij Bredero pleegt de molenaar in
feite geen overspel, al was hij dit wel van plan. Hij belandt echter zonder het
te weten bij zijn eigen vrouw in bed.
58Te weten (17);
Van Focquenbroch (23);
Lemmers (25);
Pluimer (28).
59Bormeester (9), p. 10;
Wissingh (18), p. 5;
Van Paffenrode (22), pp. 15 en 40;
Lemmers (25), pp. 9-10;
Noseman (12), p. 12.
60Wissingh (18), pp. 1-2;
Van Paffenrode (22), pp. 70-71.
61Over de pantoffelheld of
‘hennentaster’ in de laatmiddeleeuwse Nederlandse literatuur, zie
H. Pleij, ‘Jozef als pantoffelheld. Opmerkingen over de relatie
tussen literatuur en mentaliteit in de late middeleeuwen’, in:
Symposion 3 (1981), nr. 1/2, pp. 66-81; idem,
‘Taakverdeling in het huwelijk’, in
Literatuur 3 (1986), pp. 66-76; W. van Engeldorp Gastelaars,
Ic sal u smiten op uwen tant. Geweld tussen man en vrouw
in laatmiddeleeuwse kluchten (Amsterdam 1983), pp. 15-24. Over het
‘boze wijf’ zie bijv. H. Pleij, ‘Wie wordt er bang
voor het boze wijf? Vrouwenhaat in de middeleeuwen’, in: De
Revisor 4 (1977), nr. 6, pp. 38-42; De spreekwoordelijke ‘Dulle
Griet’, de helleveeg en kijvende heerszuchtige vrouw, werd na het
verschijnen van Pieter Breugels gelijknamige schilderij in de tweede helft van
de zestiende eeuw het voorbeeld van een bepaald vrouwentype in de kluchten. Zie
W.S. Gibson, ‘Bruegel, Dulle Griet and sexist politics in the
sixteenth century’, in: O. von Simsom, M. Winner (eds.),
Pieter Bruegel und seine Welt (Berlijn 1979),
pp. 9-15. Vgl. Pleij, ‘Pantoffelheld’, a.w., p. 69 noot 12.
62M. Deltgen,
Der Hahnrei. Versuch der Darstellung eines komischen
Typus im deutschen Lustspiel des 17. und 18. Jahrhunderts (Keulen
1966), p. 81; K. Roth,
Ehebruchschwänke in Liedform. Eine Untersuchung zur
deutsch- und englischsprachigen Schwankballade (München 1977),
p. 118.
63Biestkens (3):
Boccaccio,
Decamerone VII, 4;
Bormeester (9): Decamerone VII, 5;
Vos (16): Decamerone VII, 6;
Zoet (7) en
Vos (8): Decamerone VIII, 3;
Van Breen (20): Decamerone VIII, 8; voorbeeld
voor
Van der Muyr (10) en
Noseman (14) was
Cervantes'
La cueva de Salamanca (zie Worp, a.w., I, p.
448).
64Vgl. bijv. R. Dekker, H. Roodenburg,
‘Humor in de zeventiende eeuw. Opvoeding, huwelijk en seksualiteit
in de moppen van Aernout van Overbeke (1632-1674)’, in:
Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 35 (aug. 1984), m.n. pp. 247-248,
261-262.
66Bormeester (9), p. 6; Wissingh (18), p. 1;
Van den Burg (30), p. 46.
67Van Arp (6), p. 9; vgl. bijv. Vos (8), pp.
248, 251.
68Zie noot 62. Bij Boelens (15) doet Grietje
Lichtnaers niet alleen haar achternaam maar ook haar voornaam alle eer aan; bij
Van Breen (20) noemt de knecht Robbert zijn meesteres Catryn een
‘onbeschaemde hoer, en weerga van qua Griet’ (p. 1). Dit is een
toespeling op de in 1644 verschenen klucht De qua Grieten (zie Worp.
a.w., I, p. 448). Trekken van deze figuur dragen ook Fijtje bij Vos (8) en
Metje in (21).
70Pleij, ‘Taakverdeling’, a.w.,
passim; Van Engeldorp Gastelaars, a.w., pp. 15-24.
72Van Paffenrode (22), p. 2.
73Van der Muyr (10), p. 5.
74Van den Burg (30), p. 23; vgl. Asselijn (27),
p. 5; (29), p. 10.
78Pleij, ‘Boze wijf’, a.w., pp.
39-40; voor een behandeling van het thema ‘vrouwenlist’ in de
beeldende kunst, zie: P. Bange e.a.,
Tussen heks en heilige. Het vrouwbeeld op de drempel van
de moderne tijd, 15de/16de eeuw (Nijmegen 1985), pp.
164-179.
80Asselijn (27), pp. 6-7.
81Van Paffenrode (22), p. 7.
84Van den Burg (30), p. 43.
86Van Paffenrode (22), p. 1.
88Voor Geert Grote, zie in deze bundel de
bijdrage van Petty Bange; voor Junius en Erasmus: D. Haks,
Huwelijk en gezin in Holland in de 17de en 18de eeuw.
Processtukken en moralisten over aspecten van het laat 17de-eeuwse en
18de-eeuwse gezinsleven (Assen 1982), p. 156; voor de visie van
buitenlanders: Haks, a.w., p. 155 (Guicciardini); J. Bientjens,
Holland und der Holländer im Urteil deutscher
Reisender, 1400-1800 (Groningen 1967), p. 223; R. Murris,
La Hollande et les Hollandais au XVIIe et XVIIIe
siècles vus par les Francais (Parijs 1925), pp. 81-82, 85,
105; zie ook Burton, a.w., III, p. 265.
89Wissingh (18); Focquenbroch (23).
91Lingelbach (26), p. 52.
93Gecit. in Woordenboek der Nederlandsche
Taal, XI, kol. 2032.
96Illich, a.w., p. 158. Voor deze
‘gewetensvorming’ in de Republiek, zie noot 3.
|
|