begin  prepost
[p. 106]

Graan

Wie oude documenten doorneemt, stelt dadelijk vast dat praktisch alles om graan draaide. Graan was het betaalmiddel bij uitstek. Terwijl nu het economisch bestel draait op aardolie en andere energie, draaide in het verleden alles op graan, dat bijna zijn gewicht in goud waard was. Oudere en oude mensen weten nog uit ervaring hoe heilig graan was en hoe alles wat ermee verband hield bijna een ritueel was. Het welslagen van de graanoogst was een kwestie van leven en dood.

 

Als zaaigraan werd het zuiverste en gaafste graan gekozen. Maar eer de zaaier, bijna plechtig, zijn zaaikleed aantrok, werd het graan ontsmet. Tegen zwarte aren, moederkoren, gebruikte men vitriool ‘vitrioel’. Een product uit de handel werd onder het graan gemengd om te beletten dat de kraaien het uitgezaaide graan zouden oppikken.

 

Eenmaal het graan gezaaid, werd de stand en de groei met aandacht gevolgd. Op Palmzondag werd op de hoek van elk perceel een takje gewijde palm (buks) in de grond gestoken. De bloei van het graan was belangrijk. Men zegde: ‘Nooit april uit zonder aren, nooit mei uit zonder bloem’.

 

Distels in het opkomend graan werden zorgvuldig gestoken met een ‘diesselgiè’ d.i. een schoffeltje, een driehoekig beiteltje met steel. Graan maaien noemt men zichten, ‘ziechte’. Dit gebeurde met een ‘ziech’, een zeis met korte steel (een pik) waarmee men op het graan inhakte. Een ‘ziech’ diende uitsluitend om graan te maaien. Een ‘zè.s’ daarentegen heeft een lange steel en dient om gras te maaien.

 

Er werd gezicht aan een kwartje (25 centiemen) de roede ‘ruu’, een oppervlakte van ca. 4,30 aren. Het bunder ‘bonner’ gold 20 roeden. Bij het zichten of pikken werd het graan tegen het been opgerold met een pikhaak. Zo'n uitgerold busseltje noemde men ‘upper’, zijnde ongeveer een halve schoof; 10 schoven was een ‘hoop’. 'n ‘Elver’ was een armvol. De schoven

[p. 107]

bleven geruime tijd in ‘stoake’, d.i. in een verzameling van 6 à 8 schoven tegen elkaar, op het veld drogen.

 

Eenmaal het graan in ‘stoake’ ging men aren lezen, oogsten ‘osse’. Een bundeltje gelezen aren noemde men een ‘zang’.

 

In de oogsttijd was de nood aan bakmeel soms het hoogst, zodat men overging tot ‘boare’ om een ‘meloj’ te hebben.

 

‘Boare’ gebeurde door graanschoven tegen een ton of kruiwagen op de dorsvloer te slaan, zodat men algauw een hoeveelheid graan (meloj) had, genoeg voor een baksel om mee naar de molenaar te gaan. Het gemalen graan, het meel, werd in een deegtrog, een ‘mou’, gekneed, niet zelden met de voeten.

 

Afgezien van het ‘boare’ was er het gewone dorsen met de vlegel op de dorsvloer, de ‘sjuurnère’. Dit gebeurde in de donkere winterdagen.

 

Sommige boeren hadden een manege ‘menézje’ om te dorsen. Een ‘menézje’ was een installatie om de dorsmachine aan te drijven; ze werd door een paard getrokken. Het paard moest steeds in een kring lopen, zoals men ziet bij primitieve graanmolens.

 

Vóór de oorlog 40-45, toen de tractor zijn intrede nog niet had gedaan, dorste men ook mechanisch met ‘het vuurmasjien’. Een loondorser ging met ‘het vuurmasjien’ de boerderijen af. De hele buurtschap werd dan opgetrommeld. Ieder kreeg zijn taak toegewezen. Het mechanisch binden van stro was er nog niet bij, zodat men flink ‘gemand’ moest zijn. Ook in de keuken werd hard gewerkt met burenhulp, want al die mensen bleven eten.

 

De minimale opbrengt was 25 kg de roede; vgl. nu: 250 kg. De opbrengst werd gemeten en uitgedrukt in ‘voat’: 18, 20, 22 kg, in ‘zak’, 100 kg en in ‘bal’: 50 kg. graan.

 

De molenaar kreeg zijn maalloon maar bovendien 1% op het gemalen meel. Op een zak (100 kg) kreeg hij 1 schep stofmeel, ‘1 sjûp stûbmeêl’. Op een bal (50 kg) kreeg hij een halve schep.

 

In verband met de maalbeurt bij de molenaar zegden de boeren: ‘Wie vóór is, maalt vóór.’

[p. 108]

Men kon niet zomaar met het gedorste graan naar de molenaar trekken. Het graan bevatte kaf (dunne blaadjes van het graan), stof, onkruidzaden en andere onreinheden. Het graan zuiveren noemt men wannen. Dit geschiedde met een wanmolen die met de hand gedraaid werd. Vóór de wanmolen gebruikte men de wan,, een brede, ondiepe gevlochten korf met een opstaande kant van ongeveer 10 cm en voorzien van twee handvatten. Wannen geschiedde door het graan in de wan op te gooien en het terug op te vangen. Daardoor werden de onzuiverheden, die lichter waren dan het graan, door de wind weggeblazen. De onzuiverheden (zaden van onkruiden), die met een pluim uit het graan werden gehaald, noemde men ‘greille’.

 

Een ‘hampel’ graan is een handvol en ‘hopsel’ is twee handvollen.

 

Iemand van kwaad tot erger brengen, hem van de regen in de drop helpen, heette vroeger: ‘iemand van 't bed op 't strooi helpen’. Kort stro werd opgebonden in ronde ‘kotbûssels’. Stro ‘hekselen’ d.i. in korte stukken snijden geschiedde op een hekselblok, met een breed mes met twee handvatten. Stro diende meestal als veevoeder, eerder dan als strooisel, waarvoor dorre blaren werden aangewend.

 

‘Wijpen’ waren strowissen of -poppen, die onder de dakpannen gelegd werden om deze beter te doen sluiten.

 

In dit ondermaanse tranendal loopt het pad niet steeds over rozen, vandaar deze ‘filosofische’ bedenking: ‘Ge kunt het niet hebben en 't goed vinden’ (overvloed is eerder zeldzaam).

 

Als men een voornemen niet definitief had uitgesteld en men gemaand werd om het ten uitvoer te brengen dan suste men: ‘Dat is niet op de grond gevallen’. Iets dat op de grond viel (boterham, fruit, porcelein of aardewerk), was gewoonlijk definitief verloren.

Behuizing

Regel was dat men in lemen huizen van vroeger eng behuisd leefde. Ruimere behuizing gold voor winningen lijk ‘op Rinsel’, de boerderij uitgebaat door Frans Bollen, Romershovenstraat 189, een stenen ‘geleeg’.

[p. 109]

De muren van de lemen huizen rustten op een ‘plaj’, een eiken kader, dat op de fundering bevestigd was. Het gehele eiken gebinte noemde men ‘den tiemer’, die met angen en spieën in elkaar verankerd werd op de grond. Een gevel, die op de grond in elkaar gezet was, werd met koorden overeind getrokken.

 

Via de ‘nère’ - een piepklein portaaltje, waarin maar net de buitendeur kon opendraaien betrad men de huiskamer. Vóór de elektrische verlichting, brandde in deze kamer de koperen petroleumlamp, ‘kinké’ geheten. De tafel in de huiskamer werd, vóór de kermis, meestal geschuurd met mergsel.

 

Elk huis had zijn ‘spin’, een klein vertrek, dat diende als opslagplaats voor voedingswaren, ‘etende woar’, en dat dus koel moest zijn. Het had een venstertje aan de noordzijde en men vond er de ontromer, het rolvat en de teilen. De ‘goot’ was een bergplaatsje met een meer vage bestemming. Melkkruiken en emmers werden er opgeborgen.

 

De opkamer, de opkelder, de voutekamer heette de ‘vooét’. De benaming van de slaapstee, de alkoof was ‘koes’. ‘Zûl’ noemde men de drempel, de dorpel in hout of steen en de bevloering bestond uit ‘tras’, bereid met Doornikse kalk.

 

‘Vitse’ noemde men de twijgen van het vlechtwerk in ‘honzenhout’, vuilboom (Frangula alnus). Hierop werd de leem aangebracht. ‘Stikstekke’ waren opstaande latten in dennehout: deze dienden als steun voor het vlechtwerk der ‘vitsen’ in de lemen muren. Het ‘sjrobkoet’ was een opening, zo groot als een baksteen, in de buitenmuur, ter hoogte van de vloer aangebracht, om het schrobwater te laten afvloeien.

 

In de ‘vrij’ vond de paardeknecht slaapgelegenheid. De ‘vrij’ was een afgeschermd hokje in de paardestal, vlak bij de paarden.

 

De ‘euverspronk’ was en is de ruimte om graanschoven of stro op te bergen boven de dorsvloer; hij wordt gevormd door balken of palen op de balken van het dakgebinte, dwars over de dorsvloer, te leggen.

 

De ‘taas’ of schuurwinkel is de ruimte in de schuur om graan of stro op te stapelen.

[p. 110]

De ‘konzjel’ is de dakgoot en de ‘euze’ is het neerdruppelend water van een dak zonder goot.

 

Omwille van de brandveiligheid stond het bakhuis, ‘stokes’ op een zekere afstand van het woonhuis. De oven werd heetgestookt met mutsaarden ‘mètseme’. Met een ‘ovekrebber’ werden de gloeiende assen opzij geschoven en met een ‘ovezwow’ werd het brood in de oven geschoven en er uitgehaald.

Pacht

Op het feest van Sint-Andries, 30 november, als de oogst binnen was en een vetgemest varken was verkocht, betaalden de mensen de pacht voor één jaar tegen 1 frank de roede.

 

Mensen van het Eikenboske moesten de pachtheer van Vliermaalroot betalen in natura, met boter. Het dienstverband van knechten en meiden werd op half-maart aangegaan, vernieuwd of opgezegd voor een jaar.

Volksleven

Bepaalde kinderspelen kenden hun ‘seizoenen’. Op gestelde tijden verschenen de knikkers ‘mojes’, dan weer de tol ‘dop’, het ‘sjietleur’ of catapult, de ‘flotstoet’ en de reep van het fietswiel om te ‘rinkjoagen’.

 

Als de bosbessen rijp waren, bleven de kinderen uit de school om ‘olveren’ te plukken. In de zomer gingen de jonge snaken ook ‘hoemele koare’ m.a.w. ze trachtten uit de beemden hommelnesten over te brengen in nagebootste biekorven.

 

Kinderen vond men steeds als toeschouwers als er een varken werd geslacht en gebrand. De blaas werd gedroogd en gebruikt als voetbal of om ‘zwarte Piet te jagen’; volwassenen gebruikten ze als tabakszak. De ‘verkespink’ of zwezerik, een klier, werd opgeborgen om hiermee te gelegener tijd schoenen of het ijzeren alaam in te vetten.

 

Spek dat op de duur ransig werd, heette men ‘gaastig’ spek. Van ransige boter evenwel werd gezegd dat ze ‘sterk’ geworden was. Boter kon ook ‘versjaad’ zijn, d.i. verbrand omdat er bij

[p. 111]

het kernen te veel heet water was aan toegevoegd. Van iemand die geluk heeft, van iemand die boft wordt gezegd: ‘Hij is met zijn kont in de boter gevallen.’

 

Kinderen werden bang gemaakt voor de boeman, voor de ‘sjofert’, voor de weerwolf, voor de ‘houfrouw’.

 

Behalve platte, witte kaas werd er ook echte gele kaas gemaakt. Dat noemde men ‘keis rinne’. Om te rinnen, om de melk te stremmen, had men ‘rinsel’ nodig: rinsel is gekookte en tot poeder gemalen kalvermaag.

 

Een kattekop was een broodje waarin een appel gebakken was. Een ‘preikheer’ was een boterham van een snede zwart of grijs brood en van een snede mik (= wit brood).

 

Het dagloon bedroeg 50 centienen en een wit brood kostte 45 centiemen. Een pint bier kostte 4 cent en een kapper bier daarentegen 2 cent.

 

In poelen bij de huizen werd er vlas geroot en gehekeld met een vlaskam, een ‘hiéker’. Oudere mensen herinneren zich nog goed het ‘sjroeppoanes’, de siroopstokerij, waarin de pers, de ‘paas’ stond.

 

Vóór de elektrische houtzaag bestond het gebruik van het kuilzagen. Over de lengte van de zaagkuil werd een boomstam gerold, die met een mallejan, een ‘vèèr’, bespannen met een of twee paarden, was aangevoerd. Er waren steeds twee kuilzagers, één onder in de kuil; de andere boven op de stam. Met een pekdraad die men gespannen hield boven de te zagen stam, en gelijktijdig losliet, tekende men de te zagen plank af.

 

Naast de ‘vèèr’ was er o.a. nog de ‘klitsjie’, de kipkar. Op Sint-Elooi (1 december) mocht geen enkel paard op straat komen.

 

Om boomstammen niet in planken maar in korte blokken te zagen, gebruikte men de ‘kotzéèg’. Om brandhout voor de open haard of voor de Leuvense kachel te hebben, kocht men in een bos een ‘sjalm’, een vierkant of rechthoekig stuk kaphout, dunner hout; de dikkere stammen moest men dan laten staan.

[p. 112]

In Romershoven was er een huisnijverheid, de klompenmakerij, waarvan het ontstaan mede te danken was aan het feit dat er veel canada-populieren voorhanden waren. Enkele benamingen van gereedschappen die bij het klompenmaken gebruikt werden: ‘vaasmes’, ‘snijmes’, ‘goets’, ‘oager’, ‘dester’, ‘rits’. Het vereiste een grote vakkundigheid om dat gereedschap te hanteren en scherp te houden.

 

Een zeis of een pik werden ‘geslepen’, gewet met een wetstok (streek?) of met een ‘slijpsteentje’. Maar dat ‘slijpen’ of wetten volstond na enige tijd niet meer en dan moest men gaan ‘hoare’. Dan werd er een beitel met vierkante kop in de grond geslagen; op dit ijzeren vlak werd de zeis gehouden en met een scherpe hamer werd de snede van de zeis platgeslagen zodat ze scherper werd.

 

Bij het dragen van klompen stampte men geregeld met de ene klomp tegen de enkel van de andere voet: zich zo verwonden heette ‘hoarinkele’.

 

De goede, oude tijd was ongetwijfeld goed maar zeker niet vrij van zorgen om de eindjes aan elkaar te knopen. Eieren waren een luxe: ze dienden - meestal per ‘viédel (= 24) - verkocht te worden in Tongeren op de markt. Zodat men plastisch zei: ‘De hennen staan met hun kont naar Tongeren.’

 

Hier volgen namen van enkele kledingsstukken van vrouwen: ‘kazzevek’, ‘pellerien’, ‘buskien’, ‘stûfkesjoap’.

 

Om te besluiten enkele - hoofdzakelijke patronymische - eigennamen: Gies-Mina's Hein-KafJan - KafAn-KafHarie - PeekrommeTrien - JentjesBèrke - Lenses-De Boes - Sjoen Suske - Sjans Herrie - GielkesNol (burgemeester) - BrugHenkes Wil - MarjanesTrien - MuntWilkesBet - WiezesWillem - VieneseFrenske - Kwakkeltùm.

 

Merk wel hoe in deze eigennamen de s-bezitsvorm staat, die verdrongen werd door ‘van’ in de eigentijdse eigennamen.

 

LIJNEN JAN

prepost  begin