Geschiedenis van de medische wetenschap in Nederland


auteur: G.A. Lindeboom


bron: G.A. Lindeboom, Geschiedenis van de medische wetenschap in Nederland. Fibula-Van Dishoeck, Haarlem 1981 (tweede druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 124]

Hoofdstuk 6 Achttiende eeuw

Over het algemeen vertoont de vaderlandse medische wetenschap, evenals elders in de achttiende eeuw een ander beeld dan in de zeventiende. Maar die overgang is een geleidelijk proces geweest dat niet door het verspringen van het eeuwcijfer in de tijd nauwkeurig is bepaald. Men zou kunnen zeggen dat in dit opzicht de zeventiende eeuw in haar laatste decenniën reeds trekken verkrijgt, die kenmerkend zijn voor de volgende.

Belangrijke ontdekkingen, zoals die van de bloedsomloop en de aanwending van nieuwe onderzoekmethoden, zoals de microscopie, vaatinjecties en dierexperimenten hadden een veelheid van gegevens verschaft, die niet zonder meer in het overgeleverde stelsel der geneeskunde konden worden ingepast. De verandering van het wereldbeeld liet ook de medici, die zich van oudsher nauw bij de natuurfilosofie betrokken voelden, niet onberoerd. Het Cartesianisme nodigde hen niet alleen uit het levend lichaam te beschouwen en te bestuderen naar een werktuigkundig model, maar oefende ook een sterke, rationalistische invloed uit, die in de tot deductief denken geneigde Theodoor Craanen (1620-'90) gestalte kreeg. De waarde der oude Hippocratische geneeksunde werd door de meer progressieven onder de doktoren ontkend. Uit al deze factoren en de dikwijls tegenstrijdige stromingen was een worsteling naar nieuwe vormen ontstaan, welke op velen een verwarrende indruk maakte. De strijd tussen de chemiatrische en de iatrofysische school was bij het begin der achttiende eeuw nog niet beslecht. Wel was de iatrochemische richting met de dood van De le Boë Sylvius over haar hoogtepunt heen, maar ze werd toch eerst geleidelijk verdrongen door de iatromechanische richting.

In Nederland was waarschijnlijk de eerste iatrofysicus de Schotse geneesheer Archibald Pitcairne (1652-1713), die in 1691 te Leiden tot hoogleraar in de geneeskunde werd benoemd.96 Hij gaf zich echter weer over aan veel berekeningen in de fysiologie, en was daardoor eigenlijk meer een iatromathematicus. Veel invloed heeft hij niet kunnen uitoefenen, want met de eerstvolgende grote vakantie begaf hij zich naar Schotland om nimmer terug te keren. Uiteraard heeft zijn vertrek met stille trom de Leidse curatoren zéér ont-

[p. 125]



illustratie

45. Herman Boerhaave (1668-1738). Ets door C. Troost.


stemd; ze hielden zijn achterstallig salaris in en betaalden dit pas ruim 30 jaar later, op verzoek, aan zijn weduwe uit!

Groot bleef de behoefte aan een stelselmatige verwerking en schikking van alle in de vorige eeuwen moeizaam verkregen kennis, aan een systeem, waarin de nieuwe verworvenheden hun plaats kregen. Er stonden enkele grote figuren op, die zich tot dit werk geroepen en bekwaam achtten: men noemt hen de systematici. In Duitsland waren dat G.E. Stahl (1660-1734) en Fr. Hoffmann (1660-1742), in Nederland was dat Herman Boerhaave, die wat invloed betreft zijn beide Duitse tijdgenoten overvleugelde. Terwijl Stahl in de fysiologie de nadruk legde op de invloed van de ziel (men spreekt van het animisme van Stahl), toonde het denken zowel van Hoffmann

[p. 126]

als van Boerhaave een sterke mechanistische inslag. De figuur van Boerhaave rijst echter hoog boven het eigen systeem uit.

Herman Boerhaave (1668-1738)

Herman Boerhaave werd geboren in de gereformeerde pastorie van het kleine, in de omgeving van Leiden gelegen Voorhout, waar zijn vader aan een groot gezin een degelijke opvoeding en een goed voorbeeld trachtte te geven. Op jeugdige leeftijd had de jonge Herman aan een hardnekkige, grote zweer van zijn linker dij geleden, die elke behandeling der chirurgijns trotseerde, doch die genas toen de knaap haar behandelde met een mengsel van zout en zijn eigen urine. In Leiden bezocht hij de Latijnse school, in 1684 begon hij, de wens van zijn kort tevoren overleden vader volgend de studie van de theologie die hij met die der natuurfilosofie combineerde. Als student onderscheidde hij zich reeds door een reeks publieke disputaties en na zes jaar promoveerde hij in de filosofische faculteit. Daarna werkte hij gedurende negen maanden in de universiteitsbibliotheek die gereorganiseerd werd, en aan de catalogisering van de grote collectie boeken en handschriften die de curatoren van de in Engeland overleden Isaäc Vossius hadden gekocht voor de som van 33.000 gulden, en per oorlogsschip hadden doen ophalen. Tegelijk besloot hij zich, op raad van zijn vaderlijke vriend mr. Jan van den Berg op de geneeskunde toe te leggen om later, naar het voorbeeld van sommige doopsgezinde leraars de zorg voor ziel en lichaam op zich te kunnen nemen. Boerhaave had geleerd te studeren en volbracht zijn medische studie vrijwel geheel zonder college te lopen. In 1693 maakte hij de grootste reis van zijn leven: hij begaf zich voor enkele dagen naar Harderwijk om aan de Gelderse Academie de medische doctorsgraad te behalen (hetgeen daar minder kostbaar was).

Kort daarna mengde hij zich in een trekschuit tegenover een snoever in een gesprek over Spinoza; dit bracht hem ten onrechte in verdenking een aanhanger van de joodse filosoof te zijn, wiens boeken in de Republiek destijds verboden waren. Dit werd voor hem aanleiding de gedachte aan een kerkelijke loopbaan op te geven, en zo vestigde hij zich te Leiden, waar zijn praktijk aanvankelijk zo klein was, dat hij mede door het geven van lessen in de wiskunde in zijn levensonderhoud moest voorzien.

Toen de curatoren er niet in slaagden een geschikte opvolger voor Drélincourt (1633-'97) te vinden, benoemden ze in 1701 Boerhaave (op voorstel van de genoemde mr. Van den Berg, hun secretaris) voor de tijd van drie jaar tot lector in de theoretische geneeskun-

[p. 127]

de, op een jaarsalaris van ƒ 400,-. Spoedig bleek de nieuwe lector een geboren docent te zijn. Toen andere universiteiten (Groningen, Franeker) de ogen op hem richtten, verhoogden de curatoren zijn wedde met ƒ 200,-, en beloofden ze hem de eerstvolgende openvallende hoogleraarszetel. Bovendien stonden ze hem toe een academische rede te houden.

Terwijl Boerhaave in zijn openbare les als lector de studie van Hip-

illustratie

46. Titelpagina van een nog in 1796 te Madrid verschenen herdruk van Boerhaave's Institutiones medicae (1708).


[p. 128]



illustratie

47. Zegel van Boerhaave met zijn lijfspreuk Simplex veri sigillum (Eenvoud kenmerk van het ware).


pocrates had aanbevolen, handelde hij in deze rede over ‘het nut der mechanistische methode’ (1703).97 Hierin nam hij openlijk stelling tegen de iatrochemie en koos hij met overtuiging voor een mechanische verklaring der levensverschijnselen. Belangrijk is de schets die hij geeft van het medisch curriculum, waarin hij een bijzondere plaats inruimde voor een natuurwetenschappelijke onderbouw, en anatomie en fysiologie als basisvakken aanwees - iets, wat toen helemaal niet vanzelfsprekend was. Men kan dan ook zeggen dat met Boerhaave de natuurwetenschappelijke richting in de geneeskunde is aangevangen. Het door hem in de volgende jaren gegeven onderwijs verwerkte hij tot twee leerboeken: het ene, de Instituties98 (1708) handelde over de theoretische grondslag der geneeskunde, het tweede, de Aphorismen99 (1709) over de ziekteleer. Deze Latijnse leerboeken bouwden het begin van zijn faam op: ze werden niet alleen enkele malen herdrukt, doch spoedig ook in andere landen uitgegeven en bovendien ook in moderne talen vertaald.

In 1709 stierf Petrus Hotton (1648-1709) die hoogleraar was in de geneeskunde en de botanie. Boerhaave werd, volgens gedane belofte nu zijn opvolger, maar aan de plantkunde had hij in 16 jaar niets gedaan! Als hoogleraar in de botanie werd hij tevens prefect van de ‘Academie-Tuin’, de Hortus die later zijn troetelkind zou worden, en genoot hij het voordeel van een ambtswoning die in de Nonnensteeg naast het universiteitsgebouw lag en van waaruit hij rechtstreeks in de Hortus kon komen.

Met zo grote ijver legde hij zich op de kruidkunde toe, dat hij na enige jaren reeds tot de vooraanstaande botanici gerekend werd. In de tweede druk van zijn in 1710 haastig ontworpen catalogus van de planten in de Hortus, de zogenaamde Index alter plantarum (1720), bood hij een belangrijk tweedelig botanisch werk, waaruit tevens bleek dat het aantal planten in de ‘kruidhof’ na tien jaar vrijwel verdubbeld was en tot 5846 exemplaren was gestegen.

Tijdens zijn rectoraat in de cursus 1714-'15, heeft hij wellicht zelf aangeboden ook het klinisch onderwijs in het Gasthuis - dat na de dood van Bidloo (1713) al langer dan een jaar had stilgestaan - op zich te nemen. Hier bleken spoedig zijn gaven als klinisch docent. Tot enkele maanden voor zijn dood heeft hij dit onderricht met grote trouw en toewijding gegeven; ook met veel succes. Hier werden studenten, afkomstig uit geheel Europa (ongeveer de helft van zijn toehoorders bestond uit buitenlanders) in de kliniek geoefend. Dergelijk onderwijs aan het ziekbed werd destijds vrijwel alleen te Leiden gegeven.

Hoewel geen iatrochemicus, was Boerhaave wel een chemicus, zelfs een groot chemicus. Vanaf 1702 gaf hij privé-onderricht in de schei-

[p. 129]



illustratie

48. Eerste bladzijde van de Japanse vertaling van Boerhaave's Aphorismen (circa 1820), waardoor zijn geneeskunde in Japan kon worden geïntroduceerd.


[p. 130]

kunde, dat zo in de smaak viel, dat de studenten bij de officieel aangestelde professor in de chemie Le Mort (1650-1718) wegbleven. Na diens dood werd Boerhaave zijn opvolger en bezette hij gedurende tien jaar feitelijk drie katheders.

In 1729 legde hij, met het oog op zijn leeftijd en zijn door ziekten verminderde krachten, zijn professoraten in de plant- en de scheikunde, met een openbare rede neer. Maar drie jaar later verscheen nog een groot tweedelig werk over de grondbeginselen der scheikunde (Elementa Chemiae, 1732) van zijn hand. Dit leerboek bleef tot ver in de tweede helft van zijn eeuw zéér gezocht, werd herdrukt, in het Engels en Frans vertaald en heeft een grote invloed gehad.

Boerhaave werkte voortdurend voor de pers en had ook bemoeienis met de uitgaven van anderen. Hij verzorgde een nieuwe editie van de werken van Aretaeus uit Cappadocië (eerste eeuw), de meest Hippocratische Griekse schrijver na Hippocrates, gaf de werken van Vesalius opnieuw uit (1725), en zag op zijn sterfbed nog juist het tweede deel van Swammerdams, door hem uitgegeven Bijbel der Natuure.

In de laatste jaren van zijn leven gold Boerhaave als een orakel, na zijn dood barstten de loftuitingen allerwege los. Zijn invloed is onberekenbaar groot geweest, niet alleen in de Republiek, maar in geheel Europa, met name in Engeland en Duitsland, minder in Frankrijk. Men kan daarvoor factoren trachten aan te wijzen, maar wellicht ligt het geheim in zijn volstrekt integere persoonlijkheid, waarin een universele geleerdheid, gepaard met bedachtzaamheid van oordeel en wijsheid gevat was in een hoge zedelijke en godsdienstige overtuiging. Als zichtbare factoren kunnen worden genoemd de verspreiding van zijn leerboeken, het mondelinge onderwijs, tientallen jaren lang aan een internationaal auditorium, zijn onderwijs aan het ziekbed en de persoonlijke betrekkingen tot zijn leerlingen. De besten van hen keerden terug naar hun vaderland om daar hoge en invloedrijke posten in te nemen waarin zij, ook in het academisch onderwijs, het Leidse voorbeeld trachtten te volgen: Albrecht von Haller (1708-'77) deed dat in Göttingen, Gerard van Swieten (1700-'72) in Wenen, terwijl de medische faculteit te Edinburgh door vier jonge geleerden geheel in de geest van Boerhaave is opgezet en de gehele achttiende eeuw van zijn geest doortrokken is geweest.

Boerhaaves betekenis voor de geneeskunde ligt minder in het beschrijven van nieuwe ziektebeelden, al heeft hij als eerste een spontane scheur van de slokdarm als doodsoorzaak herkend tijdens de korte, heftige ziekte van de admiraal der Republiek, baron van Wassenaer.100 In zijn tijd was het van groot belang dat hij een ze-

[p. 131]



illustratie

49. Grafmonument van H. Boerhaave, opgericht in de St. Pieterskerk te Leiden. Anonieme gravure. Rijksmuseum, Amsterdam.


kere orde heeft geschapen in de verwarde situatie, waarin de medische wetenschap zich in het begin van zijn eeuw bevond. Hij trachtte de aansluiting aan te geven tussen de oude Griekse geneeskunde en de nieuwere bevindingen. Evenals voor Hippocrates bestond het lichaam voor hem uit vaste en vloeibare delen, waarvan de laatste zich door een kanalensysteem bewogen. De elementaire vaste delen waren de vezels; de cel was nog niet bekend. De verrichtingen der organen, ziekelijke processen als ontstekingen trachtte hij mechanisch (bijvoorbeeld door opstopping van het bloed) te verklaren. Toch was hij ook weer niet zó eenzijdig, dat hij niet ook andersoortige verklaringen in zijn stelsel opnam: hij ging eclectisch te werk. Als eerste gaf hij biochemische demonstraties aan medische studenten over urine, melk, bloedwei, haren en nagels. Toch heeft hij de grote toekomst en betekenis van de biochemie voor de geneeskunde niet voorzien. Gewend als hij was steeds urine van gezonde personen te onderzoeken, heeft hij er geen weet van gehad (of er geen acht op geslagen) dat zijn collega Frederik Dekkers (1648-1720), met wie hij enige jaren het onderwijs aan het ziekbed heeft verzorgd, als eerste door middel van de kookproef eiwit in de urine heeft aangetoond.

De betekenis van Boerhaave blijkt vooral daaruit dat hij, gelijk Haller eens heeft gezegd, in het begin der 18de eeuw de ‘leermeester van geheel Europa’ (communis Europae praeceptor) was. Hieraan herinnert de niet ongeloofwaardige anekdote, dat hem eens een brief uit het verre China zou hebben bereikt, met het korte adres: Boerhaave, Europa.

Verval en herstel van het klinisch onderwijs te Leiden

Het is een der meest merkwaardige verschijnselen in de geschiedenis der Leidse medische faculteit dat het klinisch onderwijs, waardoor Boerhaave zó zeer tot haar roem heeft bijgedragen, na zijn dood spoedig geheel in verval raakte. Zijn ambtgenoot Herman Oosterdijk Schacht die sinds 1719 samen met hem mede verantwoordelijk was voor het collegium medico-practicum, heeft het nog enige jaren min of meer gaande gehouden, maar na diens overlijden in 1744, schijnen de klinische colleges in het Caecilia Gasthuis niet meer gegeven te zijn. Suringar, de bekende geschiedschrijver van het geneeskundig onderwijs aan de Leidse hogeschool, zegt geen enkel teken gevonden te hebben dat er na Oosterdijk Schachts overlijden ooit nog enige openbare of bijzondere klinische les is gegeven, al betaalde de universiteit nog voor de accommodatie in het Caecilia Gasthuis. Hiermede komt bijvoorbeeld overeen, dat Jo-

[p. 132]

hannes Georg Zimmermann (1728-'95), toen hij in 1753 Leiden bezocht in het Gasthuis geen klinisch hoogleraar, maar ook geen zieken vond. Wel werden de lessen op het tweemaal per jaar verschijnende rooster, de Series Lectionum nog geregeld aangekondigd, maar met de veelzeggende woorden: quousque licet, voor zover mogelijk. Hoe is deze volkomen ineenstorting van het zo essentieel onderdeel van het medisch onderwijs te verklaren?

Wellicht is Boerhaave er achteraf mede voor verantwoordelijk te stellen. Toen hij in het voorjaar van 1738 zó ernstig ziek werd dat aan zijn volledig herstel getwijfeld moest worden, hebben de curatoren vertrouwelijk zijn advies gevraagd over de wijze waarop in zijn opvolging zou dienen te worden voorzien. Dit advies werd mondeling gegeven in een gesprek met hun secretaris die daarvan een zorgvuldig verslag heeft opgesteld. Onder stilzwijgend voorbijgaan aan zijn uitnemende leerling Gerard van Swieten (1700-'72), die als rooms-katholiek van de bezetting van een catheder was uitgesloten, heeft Boerhaave toen geadviseerd geen opvolger te benoemen. Hij adviseerde zijn onderwijstaak te verdelen onder de reeds aanwezige vier hoogleraren Van Royen, Gaubius, B.S. Albinus en Oosterdijk Schacht (waarvan de eerste drie zijn leerlingen waren), die zeker allen in zijn geest het onderwijs zouden geven en de naam der hogeschool in alle opzichten hoog zouden houden. Er kwam dus geen nieuwe hoogleraar bij. Had men Johannes de Gorter uit Harderwijk aangetrokken, wellicht was het klinisch onderwijs behouden gebleven.

Nu werd Adr. van Royen (1704-'79) - een botanicus, die zijn rectorale rede in fraaie Latijnse verzen voordroeg - voor dit deel van Boerhaaves taak zijn opvolger, terwijl Oosterdijk Schacht, tot zijn dood als tweede clinicus fungerend, in 1744 werd opgevolgd door Hieronymus David Gaubius. Beiden hebben zich niets maar dan ook niets van hun opdracht tot onderwijs aan het ziekbed aangetrokken. Gaubius was overigens een verdienstelijk scheikundige, die bovendien de algemene ziektekunde nader gestalte heeft gegeven en in twee redevoeringen over de invloed van de psyche op het lichaam heeft gesproken.101



illustratie

50. Handtekening van Gerard van Swieten (1700-72). In 1745 werd hij lijfarts van Maria Theresia te Wenen.


[p. 133]

Het moet tot eer van Wouter van Doeveren (1730-'83) worden gezegd dat, toen hij na reeds 17 jaar te Groningen hoogleraar in de geneeskunde te zijn geweest, in deze functie te Leiden werd benoemd er een poliklinisch college (collegium casuale) met patiënten heeft gegeven, ten einde zijn leerlingen toch enigszins met de omgang met patiënten en de praktische diagnostiek bekend te maken.102 Niet minder dan ruim veertig jaar heeft de hoogst betreurenswaardige onderbreking van de collegia medico-practica geduurd, zeer ten nadele van de faculteit. Het zijn al weer de curatoren geweest die zich ook vroeger zoveel moeite hadden getroost om ze ‘in trein’ te brengen en te houden, van wie een impuls tot herstel uitging. De aanleiding daartoe was voor zeker de ontboezeming die David van Alphen, de geschiedschrijver van de stad Leiden zich103 had veroorloofd, toen hij herinnerde aan de dagen, dat het te Leiden ‘krielde’ van studenten en deze van alle kanten naar het Gasthuis dromden. Hij deed een openlijk beroep op curatoren en burgemeesters om, zo er al geen algemeen hospitaal kon komen, dan toch de ‘verstorven instelling’ in het Caecilia Gasthuis weer te doen herleven. Op voorstel van de curator Pieter van Bleiswijk, raadpensionaris van Holland werd op 1 juni 1786 besloten het klinisch onderwijs weer te herstellen. De faculteit werkte nu mee en stuurde in de richting van een nieuw ziekenhuis. Professor Nicolaas Georg Oosterdijk (1740-1817), kleinzoon van Herman Oosterdijk Schacht eindigde zijn rectorale rede op 8 februari 1787 aldus: ‘Onder alles toch, wat tot aanbeveling van een geneesheer strekken kan, behoort bij uitnemendheid de geneeskundige ervaring, die intussen aan onze studenten ontbreekt en aldus door genoemd middel verkregen kan worden. Maar door welk middel dan? Door een voor het geven van klinisch onderwijs geschikt ziekenhuis. Ik heb gezegd.’

Tegen het einde van het jaar waren alle voorzieningen getroffen voor de verpleging van maximaal 20 patiënten en begonnen de professoren Oosterdijk en Nicolaas Paradijs (1740-1812) opnieuw in het Caecilia Gasthuis de collegia medico-practica te geven. Gedurende 10 jaar bleef het daar gevestigd. Intussen was geleidelijk het besef gegroeid, dat ook de heel- en verloskunde niet alleen theoretisch, maar ook praktisch aan de universiteit behoorden te worden onderwezen. Daartoe was echter de accommodatie in het oude Caecilia Gasthuis onvoldoende. Dit heeft er toe geleid dat de hogeschool in de laatste jaren der achttiende eeuw, omstreeks 1797, een eigen academisch ziekenhuis inrichtte in een der ruime huizen tegenover het koor van de Pieterskerk.104 Hierin werd ook een, zij het uiterst bescheiden, nosocomium chirurgicum en een tocodocmium ingericht: een chirurgische kliniek en kraamzaal.

[p. 134]

Matthias van Geuns en het klinisch onderwijs te Utrecht

Ook te Utrecht was het onderwijs spoedig na de instelling door Van der Straaten in verval geraakt. Althans in de eerste jaren van zijn professoraat dat tot 1649 heeft geduurd, heeft Van der Straaten, getuige Albert Kyper (ca. 1600-'55)105, aan zijn voornemen gevolg gegeven, al voelden de studenten weinig voor responsie (vraag en antwoord). Gebloeid heeft het klinisch onderwijs te Utrecht in die eeuw nimmer en het geraakte al heel snel in onbruik. Het was Matthias van Geuns die het weer tot leven heeft gewekt.

Matthias van Geuns (1735-1817), een koopmanszoon die van jongsaf studiezin toonde, begon zijn medische studie te Leiden in 1758, waar hij het volgend jaar zijn kandidaatsexamen aflegde.106 Hij zette zijn studie voort te Parijs (onder de verloskundige Levret) en te Amsterdam onder Petrus Camper. Tenslotte promoveerde hij op 14 juni 1761 te Leiden.

Na een tien-jarige praktijk te Groningen kwam hij aldaar in 1771 in aanmerking als opvolger van Wouter van Doeveren die naar Leiden vertrok. Goed doopsgezind, was hij echter niet bereid de ‘formulieren van enigheid, door de Hervormde kerk aangenomen’ te ondertekenen. Derhalve ging zijn benoeming niet door. Gelukkig was de universiteit te Harderwijk die minder keus had, in dit opzicht ook minder streng, en zo werd Van Geuns daar in 1776 benoemd tot hoogleraar en archiater der provincie Gelderland. Deze laatste functie die veelal gecombineerd werd met het medisch professoraat te Harderwijk, is min of meer te vergelijken met die van een huidige inspecteur der volksgezondheid.

Van Geuns had te Harderwijk een uitgebreide onderwijsopdracht: botanie, chemie, obstetrie en de praktische geneeskunde. Toch vond hij nog lust en gelegenheid enige publikaties het licht te doen zien. Zo over de Roonhuysiaensche werktuigen of vroedkundige Hefbomen (1783) en over De heersende persloop die in de laatste jaren, vooral in 1783, de provincie Gelderland fel heeft getroffen (1784). Uit dit laatste geschrift blijkt dat hij de functie van archiater ernstig opnam: hij was gewoon overal waar de epidemische ziekte zich in de provincie vertoonde, zich persoonlijk ter plaatse van de toestand op de hoogte te stellen. In 1799 en '83 heersten er zware epidemieën van deze ‘volksgesel’ in Gelderland; in de laatste jaren stierven er binnen enkele maanden niet minder dan 4000 personen aan. In tegenstelling tot anderen was Van Geuns van de besmettelijkheid overtuigd. Een zekere weerstand tegen deze infectie bij personen die de ziekte hadden doorstaan, bracht hem tot de raad de verpleging bij voorkeur door deze mensen te laten geschieden.

De benoeming te Utrecht van zulk een bekwaam hoogleraar die in

[p. 135]

1790 volgde, wekt dan ook geen verwondering. Hier werd aan Van Geuns het onderwijs in de ziektekunde en de praktijk der geneeskunst opgedragen, alsmede die in de kruidkunde. Deze laatste functie bracht het toezicht op de Hortus met zich mee. Ook in Utrecht werd hij archiater van het gewest. Hij mocht de voldoening smaken zijn begaafde zoon Steven Jan (1767-'95) reeds in 1791 naast zich benoemd te zien tot hoogleraar in de ‘geneeskruidkennis en de natuurkennis des menschelijken lichaams’. Helaas belette diens vroegtijdige dood, waarschijnlijk aan buiktyfus, de volle ontplooiing van zijn wetenschappelijke talenten. De veelbelovende, jonge geleerde overleed reeds op 28-jarige leeftijd.

Reeds spoedig na de komst van Matthias van Geuns naar Utrecht wist hij het onderwijs aan het ziekbed te herstellen. Aan zijn initiatief is het te danken, dat de Staten van Utrecht in 1792 besloten het Catharina Gasthuis voor het klinisch onderwijs beschikbaar te stellen. Van Geuns, aan wie deze taak werd opgedragen, had daartoe de vrije keuze uit de verpleegde patiënten. Eén der twee aan het Gasthuis verbonden doktoren werd, als ‘medicus nosocomii academicus’ zijn assistent en was voor het maken en bijhouden der ziektegeschiedenissen verantwoordelijk: de eersteling van een onafzienbare schare assistenten in academische ziekenhuizen.

In 1793 richtte Van Geuns een wetenschappelijk gezelschap op dat nog bestaat en bij zijn 100-jarig bestaan naar hem werd genoemd (Utrechts Geneeskundig Gezelschap Matthias van Geuns).107

Variolatie (inoculatie)

Tot de besmettelijke ziekten die ook in de achttiende eeuw de bevolking van ons land teisterden, behoorden ook de pokken - wel te onderscheiden van de syfilitische huidaandoening, welke men vroeger in Frankrijk de ‘grande vérole’ noemde (waarvoor ‘pokmeesters’ bestonden), in tegenstelling tot de ‘petite vérole’, de echte pokken, bij ons veelal kinderpokken of pokjes geheten.

Het was de vrouw van een Engelse gezant te Constantinopel, lady Montague, die in 1721 de in het Midden-Oosten destijds en ook thans nog onder de inheemse bevolking gebruikelijke methode der zogenaamde variolatie ter voorbehoeding naar Engeland overbracht. Enkele ter dood veroordeelde misdadigers werden met pokken besmet en wonnen daarmede niet alleen leven en vrijheid maar verkregen ook immuniteit tegen pokken. De werkwijze bestond erin dat men gezonde personen een lichte pokkeninfectie met behulp van etter uit de puisten van een poklijder trachtte te bezorgen, door bijvoorbeeld met een met de smetstof voorziene, fijne

[p. 136]

naald in een ader te prikken (waarmede men hetzelfde trachtte te bereiken als thans met de koepok-inenting: immuniteit). Deze preventieve behandeling die al spoedig geschiedde door geoefende personen, dikwijls geen artsen, werd in de eerste decennia der 18de eeuw een controversiële aangelegenheid: Boerhaave, wiens oordeel daarover herhaaldelijk is gevraagd, voelde er niets voor; Gerard van Swieten toonde er zich aan het Weense hof pas toe geneigd, toen hij zelf een zoon aan deze ziekte had verloren en keizerin Maria Theresia gevaarlijk ziek was geweest van de pokken. Een andere leerling van Boerhaave, de Zwitser Theodoor Tronchin (1709-'81)108, heeft in de periode dat hij te Amsterdam een praktijk uitoefende, de variolatie toegepast en werd later een beroemd inenter van de Franse adel te Parijs. De Haagse dokter Thomas Schwenke (1693-1767) verrichtte in 1754 de variolatie bij vele personen met succes.

Intussen verliepen deze inentingen met (mensen-)pokken niet altijd even gunstig en veroorzaakten ze soms een kleine epidemie van pokken. Tengevolge daarvan werd de methode soms als te gevaarlijk beschouwd en daarom door de stedelijke overheid van Den Haag (1765), Amsterdam ('73) en Haarlem ('76) verboden.

Het is zeker een verdienste geweest van Wouter van Doeveren (die zich ook op inentingen tegen de veepest toelegde) dat hij als hoogleraar te Groningen de variolatie in deze stad heeft toegepast en ook later te Leiden heeft verdedigd; hij verkreeg het vertrouwen van de stadhouder, wiens kinderen hij heeft ingeënt. Ook Petrus Camper heeft zich tijdens zijn professoraat te Groningen beijverd, door inentingen de mensen tegen pokken te vrijwaren.

Een Nederlander die een Europese faam als inenter tegen de pokken heeft gekregen is Jan Ingenhousz (1730-'99), die eerste te Leuven in de medicijnen studeerde en promoveerde om zich vervolgens te Leiden onder Gaubius en Albinus verder in de geneeskunde te bekwamen. Hij had grote belangstelling voor de natuurkunde en verrichtte op dit gebied zelf proeven. Na gedurende 8 jaar in zijn geboortestad Breda de geneeskunde te hebben uitgeoefend, maakte hij in 1765, in verband met zijn fysische studies een reis naar Londen, waar hij zich voor de variolatie ging interesseren en door de Oostenrijkse gezant werd uitgenodigd ook de inenting tegen de pokken in Oostenrijk in te voeren. Hij entte de Oostenrijkse keizerlijke familie in en kwam in hoog aanzien. Hij heeft de assimilatie door planten van koolzuur uit de lucht in de nacht en de afgifte van zuurstof bij daglicht ontdekt.

De door de Engelse arts Edward Jenner (1749-1823) ontwikkelde en in 1798 bekend gemaakte koepokinenting werd in de eerste decennia van de negentiende eeuw ook in ons land ingevoerd, zij het

[p. 137]

niet zonder tegenstand op grond van overwegingen van godsdienstige aard.

De anatomie; de Albinussen

De achttiende eeuw heeft in ons land ook een aantal ontleedkundigen van betekenis voortgebracht. De belangrijkste figuur onder hen is wellicht Bernhard Siegfried Albinus (1697-1770). Hij was de zoon van een zeer vooraanstaand Duits geneesheer die later hoogleraar werd te Leiden: Bernhard Albinus (1653-1721), vader van een groot gezin, waaronder drie zoons, die het eveneens tot hoogleraar brachten.

Albinus Sr, die stamde uit een aanzienlijk geslacht dat oorspronkelijk Weisz heette en bij de verheffing in de adelstand (1656) de naam Von Weissenlöw kreeg, studeerde en promoveerde (1676) in de geneeskunde te Leiden, werd vier jaar later in Frankfort aan de Oder tot hoogleraar benoemd, waar hij een anatomisch theater stichtte. Later werd hij lijfarts der Pruisische koning Frederik I. In 1702 slaagden de Leidse curatoren er na langdurige onderhandelingen in hem op een hoog salaris aan hun universiteit te verbinden: de koning wilde eerst geen toestemming geven. Albinus was een voortreffelijk docent die zijn onderwijs gaf in de Hippocratische geest.

Toen hij op 7 september 1721 overleed (Boerhaave hield de gedachtenisrede), vertoefde zijn zoon, de jeugdige Bernhard die als jongen van vijf jaar met zijn vader naar Leiden gekomen was, juist te Parijs. Hij was in 1719 reeds tot lector in de ontleed- en heelkunde benoemd om de ziekelijke Rau bij te staan. Hij was toen nog niet gepromoveerd, maar de senaat besloot109 hem de doctorstitel te verlenen zonder dat hij een these behoefde te verdedigen. Enkele maanden na zijn vaders dood werd hij tot diens opvolger benoemd. Op verzoek van de curatoren bezorgde hij hun in 1725 een catalogus van de door Rau vervaardigde anatomische museumpreparaten, en gaf hij tezamen met Boerhaave de Opera Omnia van Vesalius uit. Later verzorgde hij ook een uitgave van de werken van de beroemde Fabricius ab Aquapendente (1537-1619) en van Eustachius.

Het meest bekende werk van Bernhard Albinus Jr. is een prachtige atlas van het geraamte en de spieren van de mens110, waarvoor de begaafde Jan Wandelaar (1690-1759) de afbeeldingen vervaardigde. De kosten van dit boek zouden niet minder dan ƒ 30.000 hebben bedragen.

In 1745 kreeg hij zijn broer Frederik Bernhard (1715-'78) als lector naast zich. Sindsdien bepaalde hij zich in het onderwijs tot de fysio-

[p. 138]



illustratie

51. Staand skelet met een aantal spieren en op de achtergrond een rinoceros; illustratie uit B.S. Albinus, Tabulae sceleti et musculorum corporis humani (Leiden 1747). De afbeeldingen werden vervaardigd door Jan Wandelaar (1690-1759).


[p. 139]

logie, maar gaf hij nog wel anatomische afbeeldingen uit, onder andere van de zwangere baarmoeder en de beenderen der menselijke vrucht, terwijl hij ook de microscopische bouw van de huid, het oog en de bloedvaten bestudeerde. Zijn academische verhandelingen verschenen in de jaren 1754-'68.

Bernhard Siegfried Albinus heeft een school van ontleedkundigen gesticht en werd in zijn eeuw als de prins der anatomen beschouwd. De beschrijvende ontleedkunde in Nederland bereikte in hem haar hoogtepunt. Albinus, die pas op 68-jarige leeftijd huwde, werd opgevolgd door zijn broer, Frederik Bernhard, die zijn hoogleraarsambt slechts zeven jaar heeft mogen vervullen. Hij was in zijn denken meer fysiologisch gericht en heeft ook zijn oudere broer in deze richting beïnvloed.111

Eduard en Gerard Sandifort

Eduard Sandifort (1742-1814), afkomstig uit een oorspronkelijk Engels geslacht, werd geboren te Dordrecht (waar zijn vader toen predikant was) en studeerde te Leiden waar hij in 1763 promoveerde op een proefschrift Over het bekken en zijn verwijding tijdens de baring.112 Hij vestigde zich daarop als geneesheer te Den Haag (waarheen zijn vader inmiddels verhuisd was) en gaf gedurende tien jaar, telkens vier nummers van zijn Natuur- en Geneeskundige Bibliotheek uit. Zijn benoeming in 1770 tot lector, in '71 tot buitengewoon en in '72 tot gewoon hoogleraar in de ontleed- en heelkunde te Leiden was dan ook volkomen verantwoord. De geleerde die zijn grote talenkennis benutte om medische werken uit het Zweeds en het Italiaans te vertalen, was in de eerste plaats een in de school van Albinus gevormd anatoom, maar doceerde ook later fysiologie en (theoretisch) de heelkunde.

Maar zijn verdiensten liggen toch vooral op anatomisch gebied. Hij gaf studies uit over de spieren en de beenderen, ook kleinere anatomische geschriften, eveneens pathologisch-anatomische waarnemingen, afbeeldingen van de baarmoeder der kraamvrouw, etc.113 Zijn meest bekende werk is echter een beschrijving van de anatomische preparaten der Leidse verzameling, bijeengebracht door Rau, Albinus, Van Doeveren en hemzelf in het Museum Anatomicum I, dat hij op verzoek van de curatoren ondernam en waarvan in 1793 het eerste deel het licht zag.

In 1799 kreeg de verdienstelijke hoogleraar zijn 20-jarige zoon Gerard Sandifort (1779-1848) toegewezen als prosector en adjutor (helper) om hem bij te staan in zijn taak. Gerard was zijn geneeskundige studie reeds als 14-jarige knaap begonnen, en kreeg zijn

[p. 140]

medische doctorstitel op 31 januari 1801 eershalve (honoris causa), blijkbaar met het oog op zijn benoeming tot buitengewoon hoogleraar enkele dagen later. In 1812 volgde zijn aanstelling als gewoon hoogleraar, waarbij hij zich het onderwijs in de anatomie en fysiologie toegewezen zag. Gerard zette het werk van zijn vader voort, met name door de uitgave van de volgende delen van het Museum Anatomicum (1827-'35), dat inmiddels door de aankoop van de verzameling van Andreas Bonn was verrijkt.

Petrus Camper (1722-'89)

Het is hier wellicht de juiste plaats iets langer stil te staan bij de reeds enige malen genoemde Petrus Camper. Hij gold als één der geleerdste mannen van zijn tijd en genoot tot ver in het buitenland bekendheid.

In het huis van zijn vader, die predikant in Batavia was geweest en lange tijd als een welgesteld emeritus-dienaar-des-Woords te Leiden heeft geleefd, ontmoette hij als jongen mannen van faam en wetenschap, onder andere Boerhaave. Zijn vader liet hem ook onderrichten in het timmeren, tekenen en schilderen. Hij studeerde medicijnen en filosofie, uiteraard te Leiden, promoveerde in 1746

illustratie

52. Anatomische les van Petrus Camper (1722-89), die de zenuwen van de hals demonstreert, door T. Regters, 1785. Op de tafel ligt een papier waarop de namen van de geportretteerden staan. Rijksmuseum, Amsterdam.


[p. 141]

op een en dezelfde dag tot doctor in de geneeskunde en in de filosofie, op proefschriften over het zien en over sommige delen van het oog. Na korte tijd in zijn vaderstad te hebben gepraktiseerd, maakte hij een langdurige studiereis door Engeland, Frankrijk en Zwitserland, op het eind waarvan hij het bericht ontving te Franeker tot hoogleraar in de genees- en heelkunde te zijn benoemd (1749). Door ziekte werd de aanvaarding van dit ambt vertraagd; in zijn intree-rede handelde hij over de beste wereld (de mundo optimo). Vier jaar later volgde hij een roep van de Doorluchte School te Amsterdam als professor in de anatomie en chirurgie. Te Amsterdam verrichtte hij talrijke ontledingen voor het chirurgijnsgilde, waarvan de overlieden zich met hem lieten schilderen door Tibout Regters. In 1758 benoemde men hem tevens tot hoogleraar in de geneeskunde, welke gelegenheid hij aangreep om een rede over het zekere in de geneeskunde te houden: de certo in medicina.

In 1761 legde Camper zijn ambt neer om zich op wens van zijn echtgenote, een Friese burgemeestersweduwe, op haar buiten Klein-Lankum bij Franeker te vestigen. Hier bereidde hij de uitgave voor van het tweede deel van zijn anatomisch-pathologische demonstraties.114 Evenwel, reeds twee jaar later, in 1763, aanvaardde de onrustige geleerde een benoeming te Groningen tot hoogleraar in de geneeskunde, anatomie, chirurgie en botanie. Gedurende tien jaar heeft hij zich met volle toewijding aan zijn uitgebreide onderwijstaak gewijd, om daarna weer naar Klein-Lankum terug te keren. Na de dood van zijn geliefde vrouw (1776), overleden aan borstkanker, ondernam hij in een gedrukte gemoedsstemming een reis door Duitsland en België.

In deze periode begon hij zich voor publieke aangelegenheden in te zetten. Als landeigenaar betrokken bij een overstroming die in 1776 een groot deel van Friesland trof, schreef hij een brochure over het bouwen van dijken, dat een tegengeschrift uitlokte. Hij werd daarna burgemeester van Workum, lid van de Staten van Friesland en tenslotte de Friese vertegenwoordiger van de Staten-Generaal en uiteindelijk Staatsraad. In verband daarmede verhuisde hij naar Den Haag, waar hij ook is gestorven. In zijn laatste levensjaren heeft hij, als vurige oranjeklant, nogal veel politieke aanvallen te verduren gekregen, hetgeen de opvliegende man die in de wereld der wetenschap zoveel eerbewijzen had genoten, bitter heeft gestemd.

Camper genoot, mede door zijn buitenlandse reizen (hij bezocht Engeland driemaal, in 1748, '52 en '85), een internationale vermaardheid; Goethe zond hem zijn verhandeling over het tussenkaaksbeen (os intermaxillare) toe. Hij was een veelzijdig geleerde van groot formaat. Zijn verdiensten voor de verloskunde die hij enige

[p. 142]



illustratie

53. Illustratie uit Petrus Camper, Verhandeling over het natuurlijk verschil der wezenstrekken in menschen van onderscheiden landaard en ouderdom, posthuum uitgegeven door zijn zoon (Utrecht 1791). Camper voerde het begrip gelaatshoek in.


jaren praktisch beoefende, werden reeds vermeld, evenals zijn belangstelling voor de heelkunde (steensnede). Zijn belangrijkste werk verrichtte hij op het gebied van de vergelijkende anatomie. Hij ontdekte de luchtruimten in de beenderen van vogels, bestudeerde het gehoor van de vissen, het gekwaak van kikvorsen en ontleedde allerlei dieren, onder andere een orang-oetang, een olifant en een rinoceros. Hij leverde een bijdrage tot de fysische anthropologie door de beschrijving van de gelaatshoek. Zijn jeugdonderwijs droeg vrucht, doordat hij zijn publikaties met eigen, fraaie tekeningen kon verluchten. Verscheidene van zijn werken werden in het Duits en Engels vertaald.115

Andreas Bonn en Willem Vrolik

Andreas Bonn (1738-1818) is een jongere tijdgenoot van Camper en haalde in 1763 te Leiden zijn medische doctorsgraad na de verdediging van een ontleedkundig proefschrift over de membranen, waarmede hij zich begaf in de opkomende weefselleer. Na nog een jaar te Parijs te hebben gestudeerd, oefende hij de geneeskundige

[p. 143]

praktijk uit te Amsterdam, tot hij daar in 1771 aan het Athenaeum Illustre tot professor in de anatomie en chirurgie werd benoemd. Hij toonde zich een toegewijd, voortreffelijk docent en is thans nog bekend als één der oprichters van het ‘Genootschap tot Bevordering der Heelkunde’ (1790) te Amsterdam.116 Bonn zag de anatomie vooral als een basis-wetenschap voor de chirurgie en maakte zich verdienstelijk door de beschrijving van een door Jacobus Hovius (1710-'86) bijeengebrachte verzameling pathologische botten. Ook zelf bracht hij een anatomo-pathologisch museum tot stand, dat na zijn dood door Leiden werd aangekocht en door Gerard Sandifort werd beschreven.

Willem Vrolik (1801-'63), geboren te Amsterdam, studeerde in die stad en vervolgens te Utrecht geneeskunde, promoveerde in 1823 en vestigde zich vervolgens te Amsterdam, waar hij zich tevens bezighield met de uitbreiding van het anatomisch-natuurkundig kabinet van zijn vader. In 1829 te Groningen tot hoogleraar benoemd, gaf hij in 1831 aan een hernieuwde roep van de Doorluchte School in zijn vaderstad gehoor. Tot het jaar van zijn overlijden, waarin hij om gezondheidsredenen zijn ambt had neergelegd, heeft Vrolik gedurende drie decennia de ontleedkunde en verrichtingsleer onderwezen. In deze periode was hij ook publicistisch werkzaam, zoals blijkt uit enige leerboeken en talrijke verhandelingen, welke hij uitgaf. Hij bewoog zich ook op maatschappelijk en, als lid van de Lutherse gemeente, bovendien op kerkelijk gebied.

Jan Bleuland (1756-1838)

Ook Utrecht kreeg tenslotte een fraaie verzameling ontleedkundige preparaten. Jan Bleuland, geboren te Gouda, besloot in 1780 zijn studie in de geneeskunde met een promotie over slikmoeilijkheden117 en vestigde zich daarna in zijn vaderstad. In 1791 werd hij te Harderwijk aangesteld als opvolger van Matthias van Geuns die naar Utrecht vertrok. Bleuland kreeg een zeer brede opdracht: de theoretische geneeskunde, de ontleedkunde en natuurkunde van de mens, de heel- en verloskunde doceren. Vier jaar later (1795) volgde hij Van Geuns naar Utrecht, waar hij na ruim 30-jarige arbeid emeritaat verkreeg (1826). Ook daar zag hij zich toen een breed veld van kennis voor het onderwijs toegewezen: de ontleeden natuurkunde van mens en dier, en de verloskunde, waarbij later nog de leer der beenderen (osteologie) en heelkunde werd gevoegd. Bleuland was een uitstekend anatoom die de prepareerkunst goed verstond. Met behulp van zijn bekwame amanuensis Petrus Koning (1787-1834), die als 13-jarige jongen bij hem in de leer was gekomen,

[p. 144]

heeft hij een verzameling van niet minder dan 2000 ontleedkundige preparaten aangelegd, welke de universiteit in 1825 van hem aankocht. Na zijn emeritering heeft Bleuland van deze verzameling nog een catalogus aangelegd, onder de titel Otium academicum (1826-'28). De verzameling, het ‘Museum Bleulandinum’, ondergebracht in het anatomisch laboratorium te Utrecht, is voor deskundigen nog steeds de bezichtiging waard.

Bleuland bestudeerde vooral pathologisch-anatomisch de spijsverteringsorganen en gaf de resultaten van zijn studie in fraaie, verluchte verhandelingen weer. Hierin waren ook schitterende platen in kleurendruk opgenomen. Deze kunst, vroeger door de Leidse drukker Jan l'Admiral (of Ladmiral) ten behoeve van B.S. Albinus en Ruysch een aantal malen aangewend, was in Nederland bijna verloren gegaan. Op instigatie van Bleuland werd de in vergetelheid geraakte techniek ervan (waarbij koperplaten met verschillende kleuren inkt werden bestreken) weer gereconstrueerd. Liefhebber en verzamelaar van schilderijen, slaagde hij er met behulp van kunstenaars en ambachtslieden in, in zijn wetenschappelijke werken gekleurde afbeeldingen op te nemen.118