Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel VI


auteur: H.W. Lintsen


bron: H.W. Lintsen (red.), Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel VI. Techniek en samenleving. Walburg Pers, Zutphen 1995  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 64]

Thomas Ainsworth (1795-1841)

Als zoon van een katoenfabrikant en geboren te Bolton le Moor in het graafschap Lancashire, een textielregio bij uitstek, is het niet verwonderlijk dat Thomas Ainsworth in de textielindustrie terecht kwam. Toen de firma van zijn vader failliet ging, vertrok Thomas (evenals zijn jongere broer Edward) naar het vasteland, waar hij eerst in Frankrijk en later in België verbleef. Hier heeft hij in vele takken van nijverheid zijn deskundigheid ingebracht. In België had werkte hij ondermeer bij de machinefabrieken en hoogovens van John Cockerill te Seraing. Met het uitbreken van de Belgische opstand vertrok hij naar Nederland en vertoefde hier ruim een jaar in de Zaanstreek. Vooral de chemie, vooral de chemische aspecten van de textielindustrie, had zijn warme belangstelling. De bibliotheek, die na zijn dood werd geveild, getuigde hiervan.1. Hij voerde bij de firma Van Gelder, Schouten & Co. de fabricage van gebleekt en gekleurd papier in.2. In 1832 vatte hij het plan op om naar Elberfeld (Duitsland) te gaan. Op zijn reis daarheen passeerde hij Twente, een regio die de regering op het oog had om er een moderne textielindustrie te vestigen. Hier bezocht hij een aantal fabrikanten in Enschede, Almelo en Hengelo. Zowel te Aalten als bij de firma Hofkes te Almelo richtte hij een kunstblekerij in, voor de door hun gefabriceerde grove fabrikaten. Charles de Maere, een Belgische textielondernemer die zich na 1830 in Twente had gevestigd, had eveneens de expertise van Ainsworth ingeroepen. Voor hem vervaardigde hij een inrichting voor het bleken en calanderen van textiel. In Hengelo ontmoette Ainsworth in de zomer van 1832 - hij werkte op dat moment voor De Maere - de secretaris van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, Willem de Clercq. Beide bespraken, in hotel ‘De Ster’ aldaar, de plannen en mogelijkheden voor de textielindustrie in Twente. Een probleem was bijvoorbeeld de ouderwetse manier van weven die in Twente nog immer werd beoefend. Ainsworth zag echter niets in het gebruik van de zogenaamde ‘powerlooms’, grote, stoomgedreven weefgetouwen: ‘To establish power-looms, where labour is low as in this country, would be an undeniable absurdity.’ Wel moest naar zijn mening de manier van weven grondig gemoderniseerd worden ‘upon the very. best English principle’. Ainsworth was om meer dan één reden voorstander van een gemoderniseerde huisnijverheid: ‘Het is noodig, dat er eene duidelijke onderscheid gemaakt wordt tusschen het fabriekwezen, voor zoo verre het uitgeoeffend wordt in groote gebouwen door stoom gedreven en eene meer in de woningen verspreide nijverheid. Niet alleen om de lagere arbeidslonen heb ik mijne pogingen aangewend alhier de handweverij in de woningen

illustratie

‘Zeer knappe verschijning; enigszins gezet; lengte ongeveer 5 voet, 9 inches (ca. 173 an.); gladgeschoren gezicht; zeer weelderig, niet gescheiden haar van een warme blonde kleur; breed van schouders en hoog van voorhoofd; een regelmatig gezicht, dat onmiskenbaar geniale trekken vertoonde en vriendelijke grijze ogen’, zo emschreef Willem de Clercq, de secretaris van de Nederlandsche Handel-Maatschappij de technisch adviscur Thomas Ainsworth.


in te voeren [...] Reeds vroeger worden kinderen in zulke inrigtingen [fabrieken] aangenomen dan tot de handweverij en in groote fabriekzalen opgesloten door overmatige hitte afgemat en krachteloos gemaakt, een gezonde krachtsontwikkeling onderdrukt, en hunne ligchamen door het krommen onder colossale werktuigen misvormd. De machinerie gedurig in beweging laat aldaar geene tijd van verpoosing toe, niet meer als hoog nodig is om den arbeid met den slaap te verwisselen zonder eenige tijd tot opleiding en iets anders. De geestvermogens dus onderdrukt en de driften door eene bijna gedurige stooring geprikkeld, slepen gevolgen na zich, waarvan ik het niet wagen zal de tafereelen af te schilderen en de arbeidsklasse vernedert tot een dierlijk werktuig van door kunst zamengestelde stukken ijzer.’3.

Dit soort denkbeelden hebben De Clercq als aanhanger van de zogenaamde Réveil-beweging ongetwijfeld aangesproken. Op verzoek van De Clercq werkte Ainsworth zijn ideeën op papier uit.4. In zijn brief aan De Clercq bood hij zijn diensten aan, waarop De Clercq de directie van de Nederlandsche Handel-Maatschappij de voorstellen van Ainsworth omtrent een weefschool voorlegde. Thomas Ainsworth werd hierop naar Engeland gezonden ‘om aldaar met de nieuwste uitvinding opzigtelijk het weven met de hand bekend te worden en alle

[p. 65]

de berigten in te winnen, die voor de vestiging eener zoo belangrijke fabrikatie hier te lande noodzakelijk zijn.’5.

In de zomer van 1833 startte de weefschool van de nhm te Goor. Ainsworth was belast met de directie en kwam, gescheiden van zijn vrouw en hun vier kinderen, die Brussel prefereerden, in Goor wonen. Het doel van de school was de Twentse wevers met het gebruik van de snelspoel bekend te maken, waardoor de produktiviteit enorm zou kunnen stijgen. De school was gevestigd in een stenen schuur met twee verdiepingen, waar elk 43 getouwen konden staan. De Engelsman Thomas Walsh was de opziener en Gerrit Doorwaard Niermans, die Ainsworth in de Zaanstreek had ontmoet, vervaardigde de getouwen.6. De weefschool had succes en er werden dochterscholen te Holten, Enter en Diepenheim opgericht. Omdat de Enschedese en Almelose spinnerijen te weinig en te slechte garens leverden, zette Ainsworth samen met zijn uit Amsterdam afkomstige boekhouder onder de naam ‘T. Ainsworth en J.P. Freijss’ een garenhandel op, die twistgarens uit Engeland importeerde. Om niet langer van het kant en klare Engelse kettinggaren afhankelijk te zijn, richtte hij in het najaar van 1833 een kettingsterkerij op, zodat ongesterkte garens konden worden ingevoerd. Hieraan werd al snel een stoomblekerij toegevoegd.7. In mei 1834 schreef Willem de Clercq over de goede resultaten van de weefschool te Goor: ‘Het is voorzeker aan de scherpzinnigheid en aan den onvermoeijenden ijver van den heer Thomas Ainsworth dat wij deze uitkomsten te danken hebben., en ik mag er hartelijk dankbaar voor zijn, dat ik voor twee jaren, in het logement te Hengelo, de kennis van dien verdienstelijken man maakte, en het mij gelukte hem tot de dienst der Maatschappij over te halen.’8.

Ainsworth ging in 1835 opnieuw naar Engeland, ditmaal op kosten van de regering. De reden was een weefgetouw te zoeken waarop ook zware stoffen met de snelspoel geweven konden worden. In datzelfde jaar speelde een geschil tussen Ainsworth en de firma B. Bruins en Zonen te Hengelo over een octrooi. Beiden beweerden de uitvinders te zijn van een zogenaamde ‘dubbele spoel’, waarmee met twee kleuren inslaggaren geweven kon worden. Ainsworth beweerde dat hij al in maart 1834 een dergelijke uitvinding had gedaan, maar dat door velerlei omstandigheden, de octrooiaanvraag veel later was ingediend. Hij werd in het gelijk gesteld.9.

In 1836 waren voldoende wevers met de nieuwe methode op de hoogte zodat de scholen werden opgeheven. De gebouwen werden aan G.C. Arntzenius uit Haarlem verhuurd, die ze als fabrieken voortzette.10. De moederschool uit Goor werd naar Nijverdal overgebracht, waar ze als garensterkerij en vlasspinnerij werd ingericht, terwijl de westelijke vleugel van de fabriek een modelweverij ging herbergen. Thomas Ainsworth werd opnieuw directeur. De garensterkerij ging volgens een nieuw, verbeterd procédé werken. De oude, door Ainsworth ingerichtte sterkerij van Ten Cate te Enschede raakte hierdoor op het tweede plan. De start van de vlasspinnerij die voorzien was van een stoommachine, ondervond enige vertraging omdat men moest wachten op de machinerie die vanuit Hamburg ingevoerd werd.11. Ainsworth zag de vlasspinnerij overigens als een experiment.

In september 1837 had de broer van Thomas, die vanuit Frankrijk naar Twente was gehaald en nu te Goor woonde, het opzicht over de verbouwing van de garensterkerij in zijn woonplaats in een blekerij. De gebroeders Ainsworth en de voormalige agent van de nhm te Soerabaja, Buchler, werden de deelgenoten in deze blekerij. Ze was speciaal bedoeld voor het bleken van de weefsels uit de modelweverij te Nijverdal. Thomas' broer, die intussen met een meisje uit Goor was getrouwd, werd met de dagelijkse leiding belast.

Thomas Ainsworth was dus in 1836 naar Nijverdal vertrokken, dat hij in opdracht van de nhm tot het centrum van de Twentse textielindustrie moest maken. Nijverdal was uitgezocht omdat het op de kruising lag van het riviertje de Regge met de pas aangelegde weg van Raalte naar Almelo. Deze plek heette overigens pas vanaf 10 mei 1836 Nijverdal.12. Er was voor hem geen geschikte woning beschikbaar, zodat hij ‘op den Eversberg’ bij Baron de Heerdt inwoonde. Wat De Clercq over deze situatie schreef typeert de verhouding tussen hem en Ainsworth: ‘Men heeft het aan de Spaansche regering verweten, dat zij aan Columbus voor de ontdekking van Amerika slechts eene half bedekte schuit toestond, en de stichter van Nijverdal, de invoerder der katoenweverij in Overijssel, zal weldra genoodzaakt zijn, daar hij Eversberg niet kan blijven bewonen, om in een der huisjes te gaan wonen, oorspronkelijk voor arbeiders geschikt, terwijl de Agent der Maatschappij eene zo ruime en gemakkelijke woning betrokken heeft. Dit onderscheid moet de zoo belanglozen en aan de Maatschappij verknochten Ainsworth, hoewel hij zich niet beklaagt, hinderlijk zijn,...’13.

De ontwikkeling van Nijverdal vorderde onder Ainsworth gestaag. Hij liet arbeidershuizen bouwen met moestuintjes, omdat de koppeling van industrie en landbouw in zijn ogen gunstig was voor de arbeiders. In 1839 stonden de eerste groenten. De bevolking nam gaandeweg toe en dit noodzaakte een ‘godsdienstig vereenigingspunt’. Samen met de heren Campbell en Van Wijngaarden waren er in 1839 plannen om tot de oprichting van een gereformeerd kerkgebouw over te gaan.14. Ainsworth had intussen ingezien dat de veengronden om Nijverdal, goedkope brandstof voor zijn fabriek konden opleveren en hij ging dan ook over tot het aankopen van grote veengebieden. Hij liet de onregelmatige baggerturf in vormen ‘gelijk in de

[p. 66]

steenbakkerijen’ vervaardigen en had het plan in de toekomst stoomkracht voor de produktie van deze goedkope brandstof aan te gaan wenden.15.

Thomas Ainsworth is ondanks zijn drukke werkzaamheden eenzaam geweest in Twente. Zijn vrouw en kinderen zijn nooit bij hem ingetrokken. De taalbarrière heeft contacten met de lokale bevolking bemoeilijkt. Op Eversberg bestond zijn gezelschap uit een Duitse dienstbode, een paar dagloners, die voor de moestuin en zijn koe zorgden, en twee honden. Zijn plotselinge overlijden op 13 februari 1841 heeft dan ook speculaties over zelfmoord in het leven geroepen. Twente en vooral Goor betuigden de Engelsman posthuum hun dank in de vorm van een praalgraf op het kerkhof van Goor.16.

[p. 67]



illustratie

Kort na Ainsworths dood werd een comité gevormd om een grafmonument ‘zoodanig te doen inrigten dat hetzelve de dankbaarheid van Overijssel aan een groot industrieel genie op de meest gepaste wijze uitdrukke.’ De commissie schreef een prijsvraag uit voor het ontwerp van een gietijzeren monument en bepaalde meteen dat de Deventer ijzergieterij van Nering Bögel & Co het zou mogen maken.
Er kwamen veertien inzendingen binnen, en uiteindelijk werd het ontwerp van de Amsterdammer E.S. Heijnincx bekroond. In juni 1843 werd tijdens een groots opgezette plechtigheid op de begraafplaats van Goor het monument onthuld
.