Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel VI


auteur: H.W. Lintsen


bron: H.W. Lintsen (red.), Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel VI. Techniek en samenleving. Walburg Pers, Zutphen 1995  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 138]



illustratie

Rotterdam groeide na de middeleeuwen uit tot een handelsstad van belang. Zowel de VOC als de West-Indische Compagnie hadden hier een kantoor. De scheepvaart bracht op zijn beurt weer de scheepsbouwnijverheid en allerlei toeleveringsbedrijven tot ontwikkeling. Op de lijnbanen werd touw geslagen, houtzaagmolens verrezen en blokmakers en zeilmakers waren in touw, zoals hier in de werkplaats van Joris Willeken, omstreeks 1800.


[p. 139]

6
Techniek ter discussie

Harde acties en romantiek
Mechanisatie, fabriekswezen, armoede en de morele kant van arbeid
Zoeken naar tussenwegen
Het voorkomen van excessen
Het heil van de techniek
De zorg om de fabrieksarbeider: zedelijk bederf, discipline, gezondheid en veiligheid
Het ideaal van de kleine krachtbron
De herleving van het ambacht naast de groot-industrie
Vooruitgang en nieuwe tradities
De zuilen en de techniek
Techniek niet ter discussie

Het denken over nijverheid en techniek in ons land maakte in de eerste decennia van de negentiende eeuw een merkwaardige ontwikkeling door, getuige de tekst van twee prijsvragen. In 1801 schreef het Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte de volgende prijsvraag uit:

‘In welke opzichten zijn wij, in vergelijking van onze nabuuren, nog het meest ten achteren ten aanzien van het werktuiglijke, of de toepassing der werktuigkunde, en in het gebruik van gereedschappen in onze landbouw, fabrieken, trafiquen enz.; en werwaards behooren zig dus de pogingen onzer natuur- en werktuigkundige landsgenoten wel voornamelijk en in de eerste plaats te richten, ten einde ter daadelijke bevordering en verbetering van deze onderwerpen, op het krachtdaadigst mede te werken?’1.

Zestien jaar later legde de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen een anders getoonzette vraag voor aan economen en anderszins geïnteresseerden:

‘Welke zijn de grenzen van het nut en van de schade, welke door het gebruik van werktuigen in de fabrieken van ons vaderland, in de plaats van menschen handen, voor den staat in het algemeen worden aangebracht, en in hoeverre is het over zulksch te wenschen, dat het openbaar bestuur het in gebruik brengen van die werktuigen of aanmoedige of beperke?’

De vanzelfsprekendheid (let op het woordje ‘dus’) waarmee het Bataafsch Genootschap de modernisering van de nijverheid voor ogen stond, had in 1817 ‘grenzen’ gekregen. Het zou niet de enige verschuiving in het debat over techniek zijn in de negentiende eeuw.

Gedurende de gehele negentiende eeuw werden de voor- en nadelen van de vooruitgang en de mogelijkheden om die vooruitgang te beheersen bediscussieerd. Zelfs in de eerste helft van de eeuw, toen er in de (noordelijke) Nederlanden nog beperkt sprake was van technische verandering, schetsten diverse auteurs de meest sombere beelden van mechanisatie en fabriekswezen. De berichten uit het buitenland, in het bijzonder Engeland, en de confrontatie met wantoestanden in de zuidelijke Nederlanden maakten diepe indruk. Gedurende de gehele eeuw zou men de maatschappelijke ontwikkelingen in het buitenland nauwlettend volgen.

Daarnaast werden na 1850 steeds meer de eigen ervaringen met de veranderingen in techniek en nijverheid in het debat meegenomen.

Als centraal punt is in dit hoofdstuk de discussie over de verhouding tussen arbeid en technische verandering genomen. Want het dagelijks werk, en dus het dagelijks brood van honderdduizenden in de nijverheid, van ongeschoold arbeider tot gekwalificeerd ambachtsman, werd beïnvloed door nieuwe technieken. De uitstoot van arbeid als gevolg van mechanisatie was een brandende kwestie die staatslieden evenzo bezighield als de arbeider zelf. De kwaliteit van het werk, de eisen die werden gesteld aan vakmanschap, had duidelijk morele kanten naast het bedrijfseconomische aspect van goedkope, ongeschoolde arbeidskrachten. Datzelfde gold voor de arbeidsomstandigheden in fabrieken.

Harde acties en romantiek

De omslag in de eerste decennia van de negentiende eeuw had onder andere te maken met de economische ontwikkelingen en sociale spanningen in Engeland. De Engelse textielfabrieken maakten sinds het einde van de Napoleontische oorlogen een hevige

[p. 140]

crisis door toen bleek dat de duizenden arbeiders die van dat werk afhankelijk waren geworden, niets meer hadden om op terug te vallen. De traditionele thuiswerkers waren beter af, omdat zij nog allerlei neveninkomsten hadden en naast hun spin- of weefarbeid in de agrarische sector nog een overlevingsmogelijkheid hadden - al was dat ook niet meteen een overvloed.

Verder waren ook de ontstellende details over kinderarbeid in textielfabrieken de Nederlandse hoge burgerij niet ontgaan. In 1802 had de Engelse regering zich al genoodzaakt gezien om een wet aan te nemen die paal en perk stelde aan zulke arbeid. De aanleiding daartoe werd gevormd door excessen en wantoestanden. Omdat de handhaving van de wet nauwelijks effectief was, veranderde er weinig, maar het verschijnsel was sindsdien wel in de publiciteit gebleven. Meer en meer berichten vol schande, jammerlijke ellende en zedelijke verwildering werden in druk uitgegeven. De signalen waren onmiskenbaar: het ‘fabriekswezen’, dat onverbrekelijk verbonden was met nieuwe mechanische werktuigen, kon leiden tot kortstondige welvaart voor sommigen maar ook tot langdurige ellende voor nog veel meer mensen.

En tenslotte vonden in Engeland tussen 1811 en 1816 oproeren plaats die gericht waren tegen fabrikanten en hun machines. Pamfletten waarin tot deze acties werd opgeroepen waren ondertekend door een imaginaire generaal, genaamd Ned Ludd, waardoor de actievoerders de bijnaam Luddieten en de acties de naam Luddisme kregen. Veelal worden deze acties als hèt afwijzende antwoord van de arbeiders tegen de industrialisatie en mechanisatie gezien. Een nuancering is hier echter op zijn plaats.2.

Het vernielen van machines was in Engeland een oude vorm van protest van vaklieden om hun werkgevers of onwillige collega's onder druk te zetten.3. Gedurende de achttiende eeuw hadden zich meermalen dergelijke protestuitingen in Engeland voorgedaan. De Luddistische acties, die in 1811 begonnen, konden dan ook bogen op een lange traditie. Het unieke van de acties lag meer in het samenvallen en de intensiteit van verschillende protesten dan in hun aard.4.

De eerste Luddistische actie op 11 maart 1811 in Nottinghamshire had een loonsverlaging bij de kousenbreiers als oorzaak alsmede het feit dat ongeschoolde arbeiders de geschoolde kousenbreiers concurrentie aandeden. Er was hier geen sprake van verzet tegen de invoering van kousenbreimachines of het fabriekssysteem: het kousenbreien was nog hoofdzakelijk thuisarbeid. De opstanden van lakenscheerders in Yorkshire in 1812 en van wevers uit Lancashire in 1812/13 waren echter wel expliciet tegen de invoering van nieuwe machines gericht. In Yorkshire betrof het de al eeuwenoude en al bijna evenlang verboden gig-mill, een kaardmachine voor wol. Vaak hadden fabrikanten getracht het verbod op dat werktuig - een verbod dat was uitgevaardigd ter bescherming van de werkgelegenheid onder de lakenscheerders - te ontduiken. Evenzovaak hadden de georganiseerde lakenscheerders al geprobeerd, zich beroepend op oude rechten, de illegale acties van de fabrikanten met stakingen en vernielingen te dwarsbomen. Toen in 1809 een aantal beperkende bepalingen voor de wolindustrie werd afgeschaft, namen de lakenscheerders zelf hun toevlucht tot gerichte acties om juist die personen te treffen die met tweederangsgoederen een oneerlijke concurrentie veroorzaakten. Naar het voorbeeld van Nottinghamshire werden een paar fabrieken en werkplaatsen bestormd en machines vernield. Het betrof ook hier geen verzet tegen een nieuwe machine op zich, maar tegen de afschaffing van bepaalde traditionele rechten. Ofschoon de Luddieten geen eenduidige ideologie hieromtrent hadden, kan men de beweging ook als een strijd beschouwen tussen het traditionele paternalisme en het afstandelijke fabriekssysteem dat op een ander economisch beginsel rustte.5.

Het oproer in Lancashire in 1812 bezat de kenmerken van een algemene politieke-sociale actie. Bij de wevers die begonnen waren met het vernielen van stoom-weefgetouwen sloten zich al snel andere beroepsgroepen aan. Dit meer algemene karakter van de acties in Lancashire maakt het moeilijk om het element van verzet tegen technische ontwikkeling af te bakenen. Waren de machines symbool voor ongewenste maatschappelijke veranderingen of waren ze ‘slechts’ het (nieuwe) symbool voor het (oude) probleem van economische crises?

Na deze eerste Luddistische acties zouden zich in de eerste helft van de vorige eeuw in Engeland nog vergelijkbare protesten voordoen. De wevers waren in 1816, 1826 en 1829 nogmaals betrokken bij gewelddadige acties, terwijl landarbeiders zich in 1830/31 met geweld verzetten tegen mechanisatie in de landbouw.6.

De conservatieve Engelsman Stuart Wortley omschreef in 1819 de maatschappelijke orde die door machinale produktie dreigde te worden verstoord. In Engeland ging het om een landelijke samenleving waar ‘the peasant looked up to the farmer, the farmer to his landlord, the proprietor to the peer, and the peer to the Crown, thus forming a connected chain which bound the highest and lowest classes of society together.’7. Ook iemand als de Franse utopisch-socialist Claude Henri de Saint-Simon geloofde in een dusdanig gegroeide samenleving en idealiseerde daarom de middeleeuwen, waarin zo'n organische samenleving had bestaan.8.

In de literatuur werden de middeleeuwen met hun standenmaatschappij populair bij anti-revolutionaire

[p. 141]



illustratie

De ongebreidelde toepassing van stoomkracht en de geweldige ontwikkeling van de industrie in Groot-Brittannië was niet alleen voor menig Brit maar ook voor beschouwers van het continent een bron van zorg en angst. Een voorlopig hoogtepunt vormde de bouw van het reusachtige stoomschip, de Great Eastern, dat in 1857 te water werd gelaten. Dit schip - meer dan zes keer zo groot dan enig ander schip - werd wel vergeleken met de in de Talmoed voorkomende monsterachtige en alles verslinde vis Leviathan. De tewaterlating van dit technisch monstrum - hier afgebeeld met hoorns en klamven - ging in de verbeelding van de Nederlandse kunstenaar Alexander VerHuell gepaard met ontploffende stoomboten en instortende bruggen. De reusachtige vooruitgang der techniek bracht tevens onvoorstelbare gevaren met zich mee.


[p. 142]

auteurs. In de schilderkunst grepen Romantische kunstenaars terug op plattelandsidyllen of grillige natuurtaferelen, terwijl ook in de muziek de romantiek haar kop opstak. In de architectuur ontstond tevens een beweging die teruggreep op de middeleeuwen. August Welby Northmore Pugin (1812-1852), een Engelse architect, was een op kunsthistorisch gebied belangrijk theoreticus van dit traditionalisme. Hij heeft er in belangrijke mate toe bijgedragen dat ook de bouwkunst van de middeleeuwen, de gotiek, in het negentiende eeuwse Europa opnieuw voet aan de grond kreeg.

Vanuit deze Romantiek zijn de eerste vormen van duidelijke oppositie tegen mechanisering en het fabriekswezen ontstaan, omdat de industrialisatie werd ervaren als een verstoring van het bovengenoemde evenwicht. Hoewel de eerste Romantici de techniek op zich niet afwezen, werd met het zichtbaar worden van de gevolgen (fabrieksarbeid, het ontstaan van een arbeidersproletariaat, teloorgang van de handwerksnijverheid, aantasting van het milieu) de technische ontwikkeling steeds vaker als een te bestrijden kwaad gezien.

In Duitsland ageerden Romantici als Justus Moser (1720-1794), Adam Müller (1779-1829) en Novalis (1772-1801) tegen de sociale veranderingen die de industrialisatie met zich meebracht. Ook iemand als de Beierse mijnambtenaar en glasfabrikant Franz von Baader (1765-1841) wilde terug naar de oude standensamenleving, waarbij hij echter wel van mening was dat nieuwe technieken niet gemeden dienden te worden. De invoering ervan zou moeten worden gereguleerd door de overheid, zodat de nadelige effecten zouden worden beperkt.

Ofschoon de Romantische kritiek geen veel voorkomend verschijnsel was in het zich industrialiserende Europa, is ze interessant omdat hier technische ontwikkeling in verband werd gebracht met een visie op de maatschappij. Een visie die lijnrecht stond tegenover de opvattingen, zoals die door de Verlichting werden geformuleerd. Daar komt bij dat het proces van industrialisatie in de eerste decennia van de vorige eeuw in de meeste Europese landen nog nauwelijks een aanvang had genomen of in ieder geval traag verliep, waardoor de vroeg-Romantische opposanten zeker niet het gevoel hadden dat ze tegen de bierkaai vochten; de ontwikkeling kon nog ten goede worden gekeerd. Een in Engeland veel gehoorde gedachte was bijvoorbeeld dat de manufacturen naast het fabriekssysteem zouden kunnen blijven bestaan; een vergroting van de produktiemogelijkheden dus, geen verandering van de pröduktiewijze. Het ‘Committee on Woollen Manufactures’ was in 1806 overtuigd van de vele kwaliteiten van het thuiswerk vergeleken met het fabriekswerk en beloofde in actie te zullen komen als de fabrieksarbeid de oude produktiewijze zou verdringen. De Nottinghamse koopman en statisticus William Felkin was in 1845 nog de mening toegedaan dat het fabriekssysteem nog in de kinderschoenen stond en dat er geen enkele noodzaak bestond om al het weven in fabrieken te laten plaatsvinden. Robert Owen daarentegen was al in 1815 van mening dat het industrialisatieproces onomkeerbaar was en de aard van de massa had veranderd en nog verder zou veranderen.9.

Dat mechanisatie en arbeidsdeling nadelen met zich meebrachten voor de arbeiders had Adam Smith al in 1776 opgemerkt:

‘The man whose life is spent in performing a few simple operations, of which the effects too are, perhaps, always the same, or very nearly the same, has no occasion to exert his understanding, or to exercise his invention in finding out expedients for removing difficulties which never occur. He naturally loses, therefore, the habit of such exertion and generally becomes as stupid and ignorant as it is possible for a human creature to become (...) in every improved and civilized society this is the state into which the labouring poor, that is, the great body of the people, must necessarily fall, unless the government takes some pains to prevent it.’

Voor Smith was het duidelijk dat er ten behoeve van de arbeiders van overheidswege ingegrepen moest worden om de nadelige gevolgen van arbeidsdeling te beperken. Dit was echter niet alleen in het belang van de arbeiders maar ook in het belang van de staat. De Franse revolutie en de machine-oproeren in Engeland gaven sindsdien de woorden van Smith extra gewicht.10.

 

Gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw deden zich ook in Nederland enkele gewelddadige acties voor naar aanleiding van de invoering van nieuwe machines. Zo verzetten in 1817 Brusselse katoenspinners zich tegen machines;11. in 1821 deden lakenscheerders uit Verviers, Ensival en omgeving hetzelfde.12.

In de noordelijke Nederlanden vond dergelijk verzet incidenteel plaats. In april 1827 verzetten Tilburgse arbeiders zich tegen de plaatsing van een stoommachine in de wolspinnerij en lakenvollerij van Pieter van Dooren. Hij introduceerde de ‘moderne’ fabriek in Tilburg en was één van de pioniers van de Nederlandse fabrieksnijverheid. In 1826 vroeg hij een vergunning voor het plaatsen van een stoomwerktuig met ketel. In april bereikte het Engelse stoomtuig Tilburg.13. In 1900 werd de aankomst van de machine als volgt beschreven: ‘Het gevaarte bereikte de stad, en de gemoederen waren in onrust; het was geen strike maar een oorlog, waarmede men dreigde. Men snelde des avonds

[p. 143]

naar buiten, niet enkel uit nieuwsgierigheid om het monster, dat het brood zou stelen, te zien, maar tevens om het te vernielen, te dooden, en men raapte de keien en stukken hout langs den weg op, wierp die met kracht naar den ijzeren ketel, om hem te wonden, onbruikbaar te maken. De volksgeest uitte zich, wat hier zelden geschiedde, nu er het leven van afhing. Des avonds werden eenige glasruiten verbrijzeld in den huize van Pieter van Dooren.’ Maar behalve deze herinnering, vijfenzeventig jaar later opgetekend, is er weinig archiefmateriaal dat de precieze aard en omvang van deze actie beschrijft.14. In het najaar van 1833 was het raak in de Geldropse lakennijverheid, toen arbeiders een tondeuse of lakenscheermachine vernielden. Het werktuig was door drie fabrikanten, E. Muiters, A. van den Heuvel en H. Eycken gezamenlijk aangeschaft.15. Ook het fabriekslokaal waar de tondeuse stond opgesteld, moest het ontgelden.

In 1837/38 kwam het tot een conflict tussen de (traditionele) Veenendaalse wolkammers en de grootste onder hen, Van Schuppen. Deze was met zijn 13 knechts van oudsher de belangrijkste wolkammer in Veenendaal. Gewoonlijk had een wolkammer in de eerste helft van de negentiende eeuw één of twee knechts in dienst. In december 1837 kondigde Van Schuppen aan dat hij de wol voortaan in Leiden machinaal zou laten kammen en spinnen. De rest van de wolverwerking (twijnen, verven en opmaken) bleef gewoon in Veenendaal plaats vinden. Deze mededeling leidde in januari 1838 tot onrust onder de wolkammers, want ze vreesden voor hun concurrentiepositie. In een verslag naar aanleiding van een vergadering van de wolkammers sprak de burgemeester van ‘eenige gisting en opgewondenheid onder deselven en ook onder de werklieden.’ Tot gewelddadigheden kwam het echter niet.16.

In Zuidbroek (Groningen) vonden in januari 1841 ongeregeldheden door fabrieksarbeiders plaats,17. terwijl in april 1848 150 ontslagen sigarenmakers in Kampen protesteerden en Almelose arbeiders vóór werk en tegen de Engelse produktie betoogden.18. Dit laatste protest leek nog al mee te vallen getuige de berichtgeving in het Algemeen Handelsblad: ‘Er zijn in de laatste dagen alhier geruchten verspreid over een oproer, dat te Almelo laatstleden zaterdag zoude zijn uitgebroken. Wij kunnen uit eene goede bron deze geruchten logenstraffen; de geheele zaak bepaalde zich tot eenige opschudding onder de fabrijkarbeiders, die echter bij de eerste verschijning van de aldaar in garnizoen liggende dragonders uit elkaar gingen, zonder dat de rust een oogenblik is gestoord geworden.’19.

 

Het waren niet de alleronderste lagen van de ongeschoolde arbeidende bevolking die zich tegen nieuwe we werkwijzen verzetten. Voor hen zouden nieuwe fabrieken juist werk kunnen opleveren, omdat daar minder eisen aan vakmanschap werden gesteld. De keren dat de orde verstoord werd door roerige massa's ongeschoolde werklieden, gold het slechte beloning bij grote publieke werken: bij de aanleg van kanalen in de jaren twintig, van spoorwegen in 1842 en 1843 (zie Deel II van deze serie, blz. 145) en bij de bouw van het Noordzee-Kanaal (zie Deel III, blz. 239).

Zowel in Engeland als in Nederland was het protest tegen machines en verandering vooral afkomstig uit kringen van min of meer ambachtelijke arbeiders die vreesden dat het monopolie van een bepaalde deskundigheid waardeloos zou worden. De gezamenlijke actie die Amsterdamse windmolenaars ondernamen om de stoomkorenmolen van Cantillon onrendabel te maken, is te beschouwen als een zeer beschaafde vorm van Luddisme. Zulke geweldloze protesten en pogingen om concurrenten te dwarsbomen bij het invoeren van nieuwe werkwijzen, zijn vermoedelijk frequenter geweest dan de toch zeer incidentele uitbarstingen van fysiek geweld. Het is echter veel moeilijker om die oppositie te traceren. Bijvoorbeeld in de gevallen waarin omwonenden een beroep deden op de Hinderwet om de vestiging van een nieuwe fabriek tegen te houden, is het niet altijd duidelijk welke motieven aan dat protest ten grondslag lagen. De bezwaren die Zaanse papiermolenaars aanvoerden tegen de vergunning voor stoomwerktuigen van hun concurrent en buurman Van Gelder, betroffen formeel de uitstoot van roetdeeltjes die het witte papier in hun droogschuren konden bederven.20. In hoeverre hierbij ook verzet tegen een nieuw soort concurrentie meespeelde, is niet bekend. Angst voor de innovatie moet echter niet zonder meer terzijde worden geschoven.

Er is meer bekend van het openbaar debat over de gevaren en voordelen van technische verandering - toegespitst op het zogenoemde ‘fabriekwezen’ - dat gevoerd werd in kringen van intellectuelen. Deze geschriften vormen de basis voor de volgende paragraaf. Het is een veelal academische discussie, ook in die zin dat men discussieerde over ontwikkelingen die zich aanvankelijk nauwelijks voordeden in de noordelijke Nederlanden. Omstreeks 1820 bestonden in die provincies hoegenaamd geen fabrieken die een vergelijking met de geruchtmakende Engelse ‘mills’ konden doorstaan. Er was een handvol bedrijven in de textielsector die door stoom werden aangedreven, en nog minder die water als centrale drijfkracht benutten. Verder bestonden er bedrijven die ook als fabriek werden aangemerkt, maar waarin alle werktuigen met de hand werden aangedreven, zoals een spinnerij die G.K. van Hogendorp in 1819 in Twente bezocht.21.

[p. 144]



illustratie

Als nevenbedrijf bij de wollenstoffennijverheid ontstond in Tilburg in de tweede helft van de negentiende eeuw ook een aantal wolwasserijen. Een daarvan was de firma N. Daamen en Co., die ten tijde van deze foto, omstreeks 1890, een handvol arbeidskrachten telde, waarvan ongeveer de helft vrouwen. Op de foto zijn ook de verschillende stadia van het produktieproces te zien. De schapenhuiden werden eerst geploot of gebloot, waarbij de wol van de huid gescheiden werd. De wol werd daarna gereinigd en gewassen.


Dus voordat er in Noord-Nederland sprake was van eigen ervaringen op dit gebied, werd op academisch niveau al ernstig gediscussieerd over dit soort zaken. In het Zuiden, dat sinds 1815 ook tot het Koninkrijk hoorde, waren nieuwe textielsteden als Gent een twijfelachtig voorbeeld.

Mechanisatie, fabriekswezen, armoede en de morele kant van arbeid22.

Een opmerkelijk artikel stond in 1818 in de Vaderlandsche landsche letteroefeningen. Opmerkelijk, niet omdat de anonieme schrijver zich afvroeg of het gebruik van machines voor- of nadelen had, maar wel omdat bij hem niet zozeer de fabrikant, de arbeider of de nijverheid centraal stond, maar de mens en de maatschappij. Het wezen van de mens en zijn arbeid veranderde door machinale produktie fundamenteel en, naar de mening van de auteur, niet ten goede. Hij stelde zich de vraag ‘of de tegenwoordige snelle voortgang dier kunstwerkingen voor staat en zeden doelmatig, oorbaar en heilzaam kan geacht worden?’ Op alle drie de onderdelen antwoordde hij ontkennend.

Het was niet doelmatig ‘omdat de mensch, die, ofschoon lid der maatschappij, voor zich zelf als doel aanwezig blijft, deze oorspronkelijke hoedanigheid verliest, en integendeel, als gangbare munt beschouwd (...) Bij het gebruik der kunstwerktuigen houdt de mensch op, eigen nadenken, eigen kracht te oefenen. (...) Uit deze geheele verstomping van zin en geest wordt alzoo een toestand geboren, die zeer na aan dierlijke domheid grenst.’23. Het maatschappelijke gevaar dat hiervan uitging achtte de schrijver groot.

Oorbaar was het evenmin omdat de machine ‘in zijne gevolgen onmiddellijk de heilige regten aantast, die aan iedere ingezetene van de staat toebehooren, om zijn wettig bestaan voor zich en zijn gezin te vinden.’24. Het aanwenden van ‘kunstwerktuigen’ beroofde de werkman van zijn arbeid. Met het gevaar ‘om tot armoede te vervallen en met het verlies van het besef zijner zedelijke waardij’ zou de arbeider immers alle ‘drang tot het goede verliezen.’25.

Het fabriekswezen zou verder denivellerend werken, waardoor de ‘middelstand, de zenuw van de staat’ zou verdwijnen. ‘Deze ontzettende ongelijkheid van rijkdom dien het vermeesterd fabriekwe-

[p. 145]

zen, te gelijk door den handel, slechts in weinige handen speelt, is een geweldige sprong, die met den langzamen en zedelijken tred der maatschappelijke zamenleving onvereenigbaar is.’26.

De schrijver verwierp dus de machinale produktie omdat het niet met het wezen van de mens en de staat verenigbaar zou zijn. De snelheid waarmee de aard van de nijverheid veranderde zag hij als catastrofaal en deed hem uitroepen: ‘O, dat eenmaal alle volken en gouvernementen tijdig terugkeeren tot het besef des schrikkelijken gevaars, dat hen aangrint!’27.

 

Het mechanisatievraagstuk was in 1817 in een stroomversnelling beland door de misoogst van dat jaar, die de nood bij velen tot ongekende hoogte had doen stijgen. Het aantal paupers groeide sterk. Veel werd over de ellende geschreven en menigeen zocht naar verklaringen en oplossingen. Onder andere de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen vestigde de aandacht op het probleem met de genoemde prijsvraag van 1817. Als reactie op de vraag werd in het Magazijn voor het armen-wezen28. van datzelfde jaar een vertaling geplaatst van een deel van de Traité d'économie politique van Jean Baptiste Say.29.

Deze vertaling werd door een ingezonden brief van een zekere N. voorafgegaan, waarin op een aantal gevaren van mechanisatie werd gewezen.

De auteur zag alleen voor de fabrikant enig voordeel en dan nog slechts bij de aanvang van de machinale produktie. Al spoedig zouden immers anderen de nieuwe produktiewijze overnemen en zou de concurrentie dit voordeel teniet doen. Tegenover dit aanvankelijke en kortstondige voordeel voor de fabrikant stond een groot nadeel voor de maatschappij. Een grote massa werkloze paupers ontstond immers ‘...welke ter koste der steden of armenfondsen moeten onderhouden worden, en wier werkelooze en ellendige toestand niets anders dan rampen van allerlei aard in de maatschappijen moeten verwekken’.30. Hierbij kwam nog een nadelige invloed op de zeden waardoor de arbeidsmoraal verloren ging: ‘Is het niet de lui- en vadzigheid, waarin een groot deel onzer behoeftigen is en wordt opgevoed, veeltijds door eene verkeerde barmhartigheid onderschraagd, welke alle die kostwinningen en werkplaatsen aan andere landzaten hebben ingeruimd en nog dagelijks inruimen?’31.

De anonieme schrijver stond dus bepaald niet onverdeeld positief tegenover nieuwe produktiemethoden. Behalve deze voor de maatschappij nadelige effecten van mechanisatie zag hij in tal van uitvindingen zelf, grote gevaren. Over de stoommachine bijvoorbeeld oordeelde hij dat deze ‘gevaarlijk wordt en geduchte rampen verspreiden kan, wanneer men die te algemeen appliçeren mag (...); men herinnere zich slechts de rampen daardoor veroorzaakt, en de vele levens welke dit al gekost heeft, door het vaneenspringen van verscheidene stoomvaartuigen.’32. Zo ook het gaslicht, dat in wezen ‘eene aanmerkelijke nuttigheid’ bezat, maar werd ‘in alle huisgezinnen gebezigd, dan worden de gevaren tevens vermenigvuldigd, en moet het uit den aard der zake ongelukken daarstellen’.33. ‘Wat blijft er dan anders over dan, dat de gouvernementen zoodanige uitvindingen in derzelver praktijk beperken, of, des noods, ten eenemale verbieden, of doen ophouden in werking te blijven.’34.

De visie dat het armoedeprobleem, veroorzaakt dan wel vergroot door de mechanisatie35., een gevaar voor de staat zou kunnen worden en dat er dus ingegrepen moest worden, werd het meest uitgesproken verwoord in de kringen rond het in 1817 opgerichte Magazijn voor het armen-wezen. Mannen als C. Vollenhoven, R. Scherenberg en D.F. van Alphen discussieerden hierin met elkaar en stelden maatregelen voor. C. Vollenhoven, sinds 1812 docent rechten aan de Leidsche universiteit en samen met H.W. Tydeman redacteur van het Magazijn, stelde dat waar de invoering van machines werkloosheid veroorzaakte het ‘de pligt is eener vooruitziende regering, om bij tijds op middelen van bestaan voor die lieden bedacht te zijn, welke (...) buiten werk en in gevaar geraken van gebrek te lijden.’36.

Evenals de nog te bespreken Johannes van den Bosch vond Daniël François van Alphen (1774-1840), de burgemeester van Leiden en schrijver van een artikel in 1820 over de armoede, dat het grootbedrijf veel te verwijten was inzake het armoedeprobleem. In zijn visie was het evenwicht verbroken tussen produktie en consumptie. Van Alphen vond dan ook dat aan de gemechaniseerde fabrieksindustrie grenzen moesten worden gesteld. Vele kleine ondernemingen waren immers ten onder gegaan door de mechanische industriële produktie. Mechanisatie en massaproduktie waren slechts mogelijk door kapitaalkrachtige ondernemers. Deze accumulatie van kapitaal moest in het belang van de staat worden tegengegaan door behoeftigen weer een plaats in het produktieproces te geven: ‘het is niet rijkdom, maar verdeling van rijkdom, die welvaart geeft’.37. Evenmin als voor grote fabrieken had hij sympathie voor werkverschaffingsprojecten. ‘Alle ondernemers van arbeid, die, volgens algemeene regelen, geen winst kan geven; alle belangen van kolossale etablissementen, die de vraag naar producten van arbeid niet afwachten, maar eerst produceren, en dan van de gouvernementen eischen om hun consummateurs te bezorgen; zijn de ware vijanden van den arbeid, dwingen de gouvernementen om met hun zamen te spannen; en dit noem ik met regt oorlog tegen den arbeid.’38.

Van Alphens kritiek betrof wat hij noemde ‘gedwongen kunstmiddelen’, de belemmering van de

[p. 146]



illustratie

De voormalige diamantslijperij Boas aan de Uilenburgerstraat in Amsterdam dateert van 1879. Zo groot en monumentaal waren maar heel weinig negentiende-eeuwse fabrieksgebouwen in Nederland. Een eeuw later verkeerde het gebouw in een desolate staat. Met de restauratie is in de jaren negentig begonnen.


vrije concurrentie door overheidsingrijpen. De machinerie die werd aangewend om op de vrije markt te kunnen concurreren trof geen enkele blaam. Als echter de gouvernementen de vereenvoudiging van de arbeid door ‘kunstmiddelen onmatig aanmoedigen (...) dan, en dan alleen is de machinerie een stellig kwaad, een kwaad dat van zegen tot vloek verkeert’.39. De kunstmiddelen waren (verkapte) subsidies door middel van exportpremies of protectionistische maatregelen, waardoor de eigen nijverheid niet werd blootgesteld aan de echte eisen van kostprijs en kwaliteit die nu eenmaal bij open concurrentie hoorden.

In een reactie op het artikel van Van Alphen stelde de Baarnse tapijtfabrikant Reinhard Scherenberg40. dat er een maatschappelijke polarisatie uitging van de mechanische produktie. Doordat het kapitaal zich concentreerde bij een beperkte groep rijken en de arbeider, door machines vervangen, in armoede verviel, werd de ‘middelstand’ vernietigd. De industriële kapitaalaccumulatie was volgens hem ‘de natuurlijke vijand van de handenarbeid’.41. Hij was voorstander van een staat die een beperking stelde aan het gebruik van nieuwe uitvindingen in de nijverheid.42. Dit zou grote groepen van de bevolking en uiteindelijk ook de staat ten goede komen. Naast invoertarieven voor buitenlandse goederen pleitte Scherenberg voor een soort belasting op machines, die in hoogte gelijk diende te zijn aan het aantal arbeiders dat erdoor werd vervangen ‘om hierdoor het evenwicht tusschen de waarde van den menschelijken arbeid en het vermogen der machinerie weder te herstellen’.43. Ook dienden armbesturen de armen dezelfde produkten handmatig te laten vervaardigen, die in fabrieken machinaal werden vervaardigd. Dit kostte weliswaar geld maar minder dan wanneer de behoeftigen volledige onderstand kregen zonder tegenprestatie. En ‘de arme moet duidelijk weten, dat hij, door onderstand van de Maatschappij te vragen, zich onder de voogdijschap derzelve stelt, en dat de Maatschappij, door hem onderstand te verleenen, het regt verkrijgt, om hem allen zoodanigen arbeid op te leggen, als voor zijne krachten berekend is’.44.

Scherenberg was sceptischer dan Van Alphen ten opzichte van mechanisatie. De voordelen die Van Alphen had geschetst (namelijk dat het de arbeid lichter maakte), kwamen namelijk vooral de fabrikant ten goede en niet de arbeider: ‘De vereenvoudiging van het fabrijkmatige werk kan nimmer tot eene verzachting voor het zwoegende gedeelte van het menschdom verstrekken.’45. Machines leidden volgens hem onvermijdelijk tot het dalen van de waarde van de menselijke arbeid. Ook het feit dat machines in een vrije concurrentie slechts geleidelijk ingang zouden vinden en dus geen schokken in de nijverheid teweeg zouden brengen, waar Van Alphen op wees, vond Scherenberg onjuist. De ondervinding leert ons ‘dat de meeste uitvindingen, die eenen grooten invloed op de maatschappelijke betrekkingen hebben uitgeoefend, niet de vruchten zijn van den langzamen voortgang der verlichting, maar dat die veelal kinderen zijn van het toeval.’46. En het toeval heeft nou eenmaal niets te maken met al dan niet vrije concurrentie.

 

Positiever ten aanzien van machines maar negatiever waar het het fabriekswerk betrof toonde zich, ook in 1817, mr. David Jacob van Lennep (1774-1853). Hij was de zoon van een ‘bekeerde’ (gematigd) patriot, mr. Cornelis van Lennep, en al op 24-jarige leeftijd in Amsterdam hoogleraar klassieke talen en geschiedenis geworden. Met zijn verhandeling ‘Over de maatregelen der Grieken en Romeinen omtrent de armoede, en de opmerking, die dezelve verdienen in onze tijd’47. zou hij de aanleiding gegeven hebben tot de oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid.48. In dit geschrift nam Van Lennep stelling tegen de ongezonde fabrieksarbeid. Het was, zijns inziens, lichamelijk ongezond, wat leidde tot geestelijke aftakeling.

 

‘Om gezond te zijn heeft de mensch niet slechts brood of ander geschikt voedsel, maar ook bij dat voedsel vrije lucht en beweging noodig. De natuur heeft hem niet gevormd om drie vierde van zijn leven in een bedompt vertrek zittend door te brengen. Deze levenswijze kan niet missen ten nadeele van zijn gestel, ten nadeele zijner zedelijkheid te werken. Het gedurig inademen van bedorven lucht doet allengs zijn bloed en sappen ontaarden. Naauwelijks kunnen nog zijne verstramde leden hem met

[p. 147]

loomen tred van zijne slaapstede naar het weefgetouw, van dit naar zijne slaapstede voeren. Hij versuft bij het eentonig handwerk, dat hij drijft. Verloren voor de schoone tooneelen der natuur, vergeet hij zijne betrekking tot God. Zijn geest wordt meer en meer klein, bekrompen, arm aan zielverheffende denkbeelden. Zij, die met hem opgesloten arbeiden, allen aan hetzelfde euvel kwijnende, kunnen hem door hunnen omgang, of laat ik liever zeggen zamenzitten, geen voordeel, geene verbetering aan verstand of hart, wel verdere ontaarding van beide en grooter zedebederf toebrengen. Vadzige en verlaagde ouders telen zwakke, ongezonde, naar geest en ligchaam trage kinderen voort. Veel is het, zoo deze eens de plaats der ouders aan het weefgetouw vervullen kunnen. Tot anderen arbeid zijn zij geheel ongeschikt. Wat dan, zoo, door veranderde omstandigheden, de fabrijken vervallen of stilstaan, en daardoor aan deze soort van menschen ook het noodige voedsel begint te ontbreken?’49.

 

Van Lennep had op zich niets tegen het gebruik van machines, integendeel: ‘die vernuftige uitvindingen, door welke werktuigen voor de fabrijken de plaats van menschenhanden vervullen, niet slechts als middel ter gemakkelijker aanschaffing van vele noodwendigheden, maar ook als een middel ter voorkoming van vele jammeren, als een middel ter volmaking van het menschdom, hier met dankbaren lof vermelden, en den wensch uiten, dat dezelve meer en meer algemeen mogen gebezigd worden.’50. Het was echter wel nodig dat vooral bij arbeid voor behoeftigen ‘aan zoodanige arbeid de voorkeur (werd gegeven), die met beweging des ganschen lichaams en het genot der vrije lucht gepaard ging.’51. In de zomer van 1817 ondernam de staatshuishoudkundige maar bovenal staatsman, Gijsbert Karel van Hogendorp (1762-1834) een studiereis door de zuidelijke Nederlanden. Hij bezocht veel fabriekssteden en behalve oog voor de prestaties op economisch gebied bleek hij ook niet blind voor de gevolgen van de fabrieksnijverheid. De verslagen van zijn bevindingen getuigen hiervan. Samen met Van Lennep was hij één van de eersten uit de sociale bovenlaag die de lichamelijke gesteldheid van de fabrieksarbeiders aan de kaak stelde: ‘ik heb in de [katoen]fabriek te Lier dezelfde bleeke gezigten en uitgemergelde ligchamen gevonden, als in alle fabrieken, die ik ooit gezien heb.’ Ook de kinderarbeid die hij zag, werd door hem afgewezen. ‘In de fabrijken worden kinderen gebruikt (...) van hun vijfde jaar af, hetwelk zeer nadeelig is voor de beschaving en de zedelijkheid.’52. Hij zag echter ook voordelen: de gezinnen trokken inkomsten uit de arbeid van de kinderen, waardoor het gezinsbudget groeide. Tevens was de goedkope kinderarbeid goed voor de concurrentiepositie.53. Waarover hij echter, evenals van Lennep, de meeste bezorgdheid toonde, was het gevolg dat een teloorgang van de nijverheid voor de arbeider en de stabiliteit van de maatschappij zou betekenen.

Ondanks alles was hij toch een voorstander van machines, want ‘laat men (...) de machine haren gang gaan, zoo zullen wij niet alleen onze grondstoffen voor ons zelve verwerken, maar ook veel gefabriceerd werk uitvoeren, en de vervoer van dit werk zal aan vele ingezetenen den kost bezorgen, misschien aan even velen, als er door de machines buiten werk geraken.’54. Op zijn reis had hij met bewondering de fabrieken van Cockerill in de omgeving van Luik bezichtigd en meermalen met deze Engels-Zuidnederlandse grootindustrieel gesproken. Hij was enthousiast over de stoomwerktuigen die hij op zijn reis in werking zag, en meermalen bleek dat fabrieksnijverheid juist meer mensen aan werk hielp. Wel vroeg hij zich af of men ernaar moest streven dat er nog meer uitvindingen werden gedaan. Door het stimuleren van onderwijs in de werktuigkunde en scheikunde in de landstaal zou de regering overigens wel de deskundigheid in de fabrieken kunnen stimuleren. Toen in april 1819 de Tweede Kamer zich boog over een herziening van de belasting op steenkolen, was Van Hogendorp een fervent tegenstander van het heffen van zo'n accijns.55. De uitvinding van de stoommachine en de toepassing ervan in textielfabrieken had enorme voordelen opgeleverd. Door steenkool onbelast te maken zou men nog veel meer gebruik kunnen gaan maken van die ‘belle invention’.

De Leidse hoogleraar staatswetenschappen H.W. Tydeman (1778-1863) was in 1812 in Leiden benoemd om de Code Napoléon te doceren en gaf in 1817 het eerste college staatshuishoudkunde in Nederland. Hij werd de meest vooraanstaande hoogleraar staatswetenschappen onder Willem i.56. Hij steunde de actieve economische politiek van de koning in tegenstelling tot de meeste van zijn collega's als B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis, G. Wttewaall (1776-1838), J. Ackersdijck (1790-1861) en J. de Bosch Kemper (1808-1876). Vooral wat de armenzorg betrof stond Tydeman een actief overheidsbeleid voor ogen. Zijn betrokkenheid met het probleem van het pauperisme blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat hij één van de initiatiefnemers was van het Magazijn voor het armen-wezen.

De prijsvraag van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen uit 1817, die als katalysator had gewerkt in de discussie, was in 1819 door drie personen beantwoord. Behalve de Leidse hoogleraar reageerden Lucas Boon uit Alphen en W.T. Dorn Seiffen uit Utrecht. I.J.A. Gogel, G.K. van Hogendorp en J.D. van Lennep maakten deel uit van de jury57. en de geschriften van de twee laatstgenoemden werden door Tydeman veelvuldig aangehaald.

[p. 148]



illustratie

Zware lichamelijke arbeid, in combinatie met ongezonde werkomstandigheden, was rond de ceuwwisseling nog in veel bedrijven en bedrijfstakken regel. In de leerlooierij werden bijvoorbeeld nog volop de looiputten, buiten in de openlucht op het fabricksterrein gebruikt. De huiden ondergingen hierin hun eerste looiing. Het opstapelen van de zware huiden in de putten gebeurde handmatig, waarbij de arbeiders bovengronds de grondstoffen - naast de huiden ook de looistof in de vorm van gemalen eikenschors - aanreikten, zoals op deze foto van de firma Kleber te Amersfoort te zien is. Voor de Inspecteurs van de Arbeidsinspectie was het kleinbedrijf ontoegankelijk, want de Arbeidswet was slechts van toepassing op bedrijven van 10 en meer werknemers. Daarom konden in kleine looierijen en niet-mechanische werkplaatsen nog lang uiterst ongezonde of gevaarlijke situaties blijven bestaan.


Tydeman gaf in zijn artikel een goed overzicht van de stand van zaken in het debat rond 1820.

Hij begon met een overzicht van de in de literatuur genoemde voordelen van het gebruik van machines. Hij onderkende er acht. Ten eerste kon de fabrikant makkelijker reageren op een toe- en afname van bestellingen. Hij hoefde in die gevallen geen grote groepen arbeiders aan te trekken of te ontslaan.

Vervolgens had hij ‘minder last en schade van de onkunde, maar vooral ook van de onwil, de luiheid, norschheid, diefachtigheid en kwade trouw van zijne werklieden.’58. Ook maakten machines (in het bijzonder in de textielindustrie) meer egale produkten. Ten vierde konden, als de machine zichzelf had terugbetaald, de produkten goedkoper worden. Het vijfde argument hield hiermee verband: refererend aan berekeningen van Adam Smith in zijn Wealth of nations, betoogde hij dat de dalende nijverheidsprijzen ‘een zeker evenwigt en vergoeding in de bijzondere huishoudkunde teweegbrengt.’59. Door de groei van de nijverheid waren immers de landbouwprijzen gestegen, wat nu werd gecompenseerd door dalende nijverheidsprijzen.

Op de zesde plaats kon de fabrikant die met minder arbeiders werkte de overgebleven werklieden een hoger loon betalen. Ook betekende het gebruik van machines dat fabriek ook op het minder bevolkte platteland opgericht konden worden. De welvaart zou zich zo meer verspreiden. Het laatste - ‘geenszins het geringste’ - voordeel van machines was dat ze leidden tot meer en voordeliger produceren, wat de concurrentiepositie met het buitenland verbeterde. Buitenlandse produkten zouden niet meer op de Nederlandse markt verschijnen. Onze produkten konden worden uitgevoerd, zodat ‘andere natiën (...) aan ons de winst op de verarbeide grondstoffen, en het onderhoud van onze werklieden en de welvaart van onze fabrikeurs door vreemden doen betalen.’60.

Naast deze acht voordelen van machinale produktie onderscheidde Tydeman evenzovele nadelen. ‘De doode kunstgewrochten, hetzij dieren, hetzij de stoom, of wind, of water de raderwerken drijven, dooden de nijvere werkzaamheid van duizenden huisgezinnen, en daarmede derzelver levensgenot (...), het zedelijke gevoel en de menschelijke be-

[p. 149]

schaving van hen en hunne kinderen.’ Bij gebrek aan werk werden zij ‘een uitwerpsel der maatschappij, en voeden tot diezelfde akelige bestemming hunne kinderen op.’61. Ten tweede zou door deze ellende de ‘handwerksklasse’ in kwaliteit en aantal sterk verminderen en zodoende een nadelige invloed hebben op de ‘neringdoende burgerij’. Verwijzend naar het anonieme artikel in de Vaderlandsche letteroefeningen van 1818 zag hij als derde nadeel het geestelijk afstompen van de arbeider. ‘Die arbeid verstompt zijn geest, en denkkracht, en vernietigt met zijne verstandelijke, tevens zijne zedelijke waarde.’62. Ook de samenleving zou nadelen ondervinden, doordat de omvang van de fabrieken groter en hun aantal kleiner zou worden. Er zouden grote fabrikanten ontstaan, die in rijkdom en aanzien zouden stijgen, terwijl het aanzien van de arbeider zou dalen. ‘Deze verdere afstand der klassen (...) verdonkert vele goede zijden der voormalige zamenleving, en heeft vele nadeelen.’63. Ten vijfde waren de machinaal geproduceerde weefsels weliswaar van meer constante kwaliteit, de duurzaamheid was daarentegen minder. Bovendien was het voordeel voor de fabrikant die machinaal ging produceren slechts van korte duur, omdat al snel een strijd om de beste en goedkoopste wijze van produceren zou losbreken; ‘zoo ruïneren eindelijk allen elkander,...’64. Verwijzend naar een in Zwitserland verschenen boekje65., besprak hij als zevende argument de voorsprong die Engeland bezat in de machinale produktie. Hierdoor en door de protectionistische maatregelen van de Engelsen zouden wij, als we ook gingen mechaniseren, onze industrie ‘de bodem inslaan’ en het monopolie van de Engelsen bevestigen. Tenslotte bestond de vrees dat mechanisatie zou leiden tot ‘de zucht naar meerdere en fraaier en telkens nieuwe kleeding en ameublementen’, tot een onbeheersbaar consumentengedrag dus.66.

Vervolgens ging Tydeman over tot puntsgewijze bespreking van alle aspecten. Veruit de meeste ruimte gebruikte hij voor de weerlegging van de aangevoerde nadelen van werktuigen in fabrieken en wel bijzonder van het eerste, namelijk dat werkloosheid en armoede erdoor werd veroorzaakt. Refererend aan de situatie in Engeland oordeelde hij dat in de laatste honderd jaren de armoede in Engeland naar verhouding veel sterker gegroeid was dan de bevolking. In datzelfde tijdvak waren de fabrieken met hun machines meer en meer zijn in zwang gekomen, maar daaruit volgde nog geenszins dat de machines de vermeerdering der armoede hadden veroorzaakt.67. In een artikel in het Magazijn voor het armen-wezen had hij al betoogd geen heil te zien in een belastingheffing op machines die werden gebruikt.68. Hij vond dat het moderniseringsproces onafwendbaar was. In 1820 schreef hij dan ook: ‘Het invoeren der werktuigen, ondanks misschien enige ongemakken die aan die eerste invoering verbonden zijn, is door geene menschelijke macht voor te komen, nadat de grondslag ertoe gelegd was.’69.

Hiermee verwoordde Tydeman de overheersende gedachte van de sociale (in het bijzonder intellectuele) bovenlaag over mechanisering tot omstreeks 1830. Na zijn verhandeling en de discussie in het Magazijn voor het armen-wezen van omstreeks 1820 lijkt het debat wat te luwen. Eind jaren twintig en begin jaren dertig verscheen echter weer een aantal artikelen over de materie. Zij brachten nauwelijks nieuwe gezichtspunten naar voren maar benadrukten één of enkele van de aspecten en de conclusie was niet zelden dat de overheid zich diende te onthouden van ingrijpen in de nijverheid.70.

Zoeken naar tussenwegen

Er werden in de eerste helft van de negentiende eeuw ook enkele concrete initiatieven genomen om de sociale problemen van mechanisatie en grootbedrijf te bestrijden. Twee zullen wij hier behandelen: dat van Van den Bosch en dat van de Nederlandsche Handel-Maatschappij. Het laatste was voor Nederland een nieuwe en originele benadering. Het eerste initiatief paste in de traditie van pauperfabrieken, die reeds in de achttiende eeuw bestonden. Daar werd een disciplinerend en opvoedend effect van verwacht. Men leerde de armen een handwerk, opdat zij zichzelf op den duur zouden kunnen helpen. Ze werden vertrouwd gemaakt met goede werktuigen. Een bijzonder voorbeeld, geënt op dergelijke werkverschaffing aan behoeftigen met een opvoedend karakter, is de Maatschappij van Weldadigheid die in 1818 werd opgericht.

Johannes van den Bosch (1780-1844), een gewezen genie-officier in Indië, was de grote initiator achter dit project. Vanaf 1817 hield hij zich bezig met het armoedeprobleem in ons land, voornamelijk vanuit het oogpunt van maatschappelijke orde. Eind 1817 vormde een aantal aanzienlijke Nederlanders de Provisionele Commissie van Weldadigheid, waarvan Van den Bosch president werd. Zij richtten zich in januari tot de koning met de kennisgeving een Maatschappij van Weldadigheid te willen oprichten, die allereerst de stichting van een pauperfabriek wilde bewerkstelligen. Op de tweede plaats werd het ontginnen van ongecultiveerde gronden door behoeftigen beoogd.71.

Omdat de regering beducht was voor de effecten van grote pauperfabrieken als oneerlijke concurrenten van de bestaande industrie, was de reactie op het plan van Van den Bosch c.s. niet bijzonder enthousiast. Indien men zich echter vooral met de ontginningen ging bezighouden, kon de steun van de Koning worden verkregen. Deze voorwaarde werd overgenomen.

[p. 150]

Zijn ideëen werkte Van den Bosch verder uit in een in 1818 verschenen verhandeling over de beoogde koloniën en in het tijdschrift De Star, van 1819 tot 1826 uitgegeven door de Maatschappij van Weldadigheid.72. De gevolgen van de modernisering van de nijverheid ontgingen hem niet.73. Van den Bosch was van mening dat het grootbedrijf voor een deel schuld aan het pauperisme was. Hij oordeelde dat de rijkdom in ons land te zeer was geconcentreerd in de handen van enkelen en dat hieraan de mechanisatie debet was. Van den Bosch was van oordeel dat de vroegere persoonlijke slavernij nu was vervangen door die van de economische onderworpenheid. De grote groep bezitlozen was immers geheel afhankelijk geworden van hen, die de produktiemiddelen bezaten. Hoewel geen absoluut tegenstander van machines, vond hij wel dat de invoering van machines veel kwaad had aangericht. Van den Bosch stelde het eigendomsrecht van de produktiemiddelen niet ter discussie maar vond wel dat het bezittende deel van de samenleving de plicht had de arme ‘de mogelijkheid te geven om door zijn arbeid zijn bestaan te vinden.’ Onevenredige eigendomsverhoudingen en een toenemende werkloosheid brachten naar zijn mening de maatschappelijke orde in gevaar. Het stichten van landbouwkolonies in het noorden van het land, zag hij als een goede mogelijkheid om de arme stedelingen aan werk te helpen en de mogelijke gevaren voor de staat vóór te zijn.74.

De Maatschappij begon met voornamelijk landbouw- en ontginningsactiviteiten in Drente en Overijssel.75. Na 1830 nam Van den Bosch contact op met de Nederlandsche Handel-Maatschappij (nhm), omdat hij daar een goede opdrachtgever zag voor produkten die in de koloniën van de Maatschappij in Veenhuizen en Ommerschans konden worden gemaakt. Omstreeks 1835 werd daar de aandacht gericht op het spinnen van vlas en het weven van linnen koffiezakken. Allerlei ‘personen die door de maatschappij verworpen zijn’ kregen via de nhm-weefschool van Thomas Ainsworth een vakopleiding.76.

 

De nhm had zich sinds haar oprichting in 1825 geconcentreerd op het stimuleren van vernieuwingen in de Belgische katoenindustrie. Na drie jaar waren daarvan de resultaten zichtbaar geworden: grote en kleine weverijen en katoendrukkerijen leverden produkten van zo'n kwaliteit dat men er de Engelse fabriekswaren mee kon beconcurreren. Met de afscheiding van België in 1830 was Nederland plotseling van het voornaamste deel van deze industrie beroofd en dreigde de Indische markt voor katoenen goederen weer aan de Engelsen toe te vallen. Met het opzetten van een nieuwe textielindustrie in de Noordelijke Nederlanden week de Handel-Maatschappij echter af van haar eerdere politiek. De secretaris van de nhm, Willem de Clercq, reisde in juli 1832 door Overijssel om daar de mogelijkheden voor de vestiging van een katoenindustrie te bekijken. Hij bezocht onder andere de katoenspinnerij van de heren L.A. Hofkes en Zoon te Almelo, waar hij niet bijzonder gecharmeerd was van het ‘factorie-system, waarover men zich in Engeland zoozeer beklaagt.’ Hij rapporteerde: ‘De uren van werkzaamheid voor zijne werklieden, waaronder vele vrouwen en kinderen, zijn op 15 uren per dag bepaald, en wanneer men hierbij in aanmerking neemt, dat er geene inrigting bestaat om op den eenigen vrijen dag gunstig op het gemoed te werken, dan kan zulks niet anders dan eene beklagenswaardige verachtering en verbastering in het godsdienstige en zedelijke ten gevolge hebben.’77.

Deze angst voor het ‘van God losraken’ van de arbeiders was vooral aanwezig bij een stroming binnen het protestantisme, die in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw een grote bloei kende en bekend werd als het Réveil. Willem de Clercq behoorde tot deze richting.78. Het Réveil werd, door de nadruk die het legde op piëteit en de vrees dat dit door de modernisering van de samenleving op het spel kwam te staan, het meest uitgesproken voorbeeld van een kritische benadering van al het nieuwe in de eerste helft van de negentiende eeuw. De vooruitgang was onvermijdelijk (men had op zich ook niets tegen machines) maar de verworvenheden ervan moesten beter worden verdeeld.79. Ook de arbeiders moesten delen in de nieuwe weelde. Als dat gebeurde zou de godsdienstige en zedelijke verbastering een halt worden toegeroepen.80.

In 1840 verwoordde Isaäc da Costa, een vriend en Réveil-geestverwant van De Clercq, zijn gevoelens (en die van het Réveil) over de modernisering van de samenleving in zijn gedicht Vijf en Twintig Jaren, dat hij voordroeg in de openbare vergadering van het Koninklijk Nederlandsch Instituut. Hierin bezong hij de verworvenheden van de moderne tijd als de stoomkracht, het gaslicht en de spoorwegen: ‘Zie hier uw Goden: Kunst en Kracht en Industrie! En voorts! geen eerdienst meer dan de eerdienst van 't genie!’

De Clercq kreeg, in tegenstelling tot Da Costa, in zijn dagelijks werk te maken met de vraagstukken verbonden aan de modernisering van de nijverheid. In het rapport naar aanleiding van zijn reis door Overijssel in 1832 deed hij voorstellen aan de directie van de nhm. Wat voor hem voorop stond was dat hij de Twentse textielarbeiders aan de landbouw verbonden wilde laten. Hij wenste geen fabrieksarbeiders te creëren en geen grote fabrieken met ‘powerlooms’, maar thuiswevende boeren, die het weven in weefscholen hadden geleerd en ‘in hunne huisgezinnen te rug gekeerd, daar opnieuw leer-

[p. 151]

meesters kunnen worden’. Hierdoor zouden ‘de gevaren welke uit den fabriek-arbeid in groote werkplaatsen (factories) in naburige landen voortvloeijen hier minder te vreezen zijn.’81.

Hij moet, zoals velen in die jaren, op de hoogte zijn geweest van de fabriekstoestanden die in 1833 leidden tot een nieuwe Engelse wet op de kinderarbeid, de Factory Act. Daarbij werd het in alle textielfabrieken verboden om kinderen jonger dan negen jaar in dienst te hebben, terwijl kinderen tot 13 jaar maar acht uur per dag mochten werken.

Het idee dat een ‘allesoverheersend fabriekssysteem’ geen goede ontwikkeling was, is ook terug te vinden bij de president van de nhm, G. Schimmelpenninck. In september 1832 schreef hij over de intenties van de nhm in Twente en Holland:

‘Het is geenszins de bedoeling om, door kunstigen uitbreiding van fabriekswerkzaamheden, de landbewoners van den veldarbeid af te lokken en in werkplaatsen over te brengen, doch wel integendeel, om van de eenen kant aan den landbouwer, die met dit beroep zijne weverij verbindt, meerdere welvaart te verzekeren, en om van de andere kant in de steden den steeds meer toenemende kanker van armoede en bedelarij tegen te gaan en aan die bevolking, die aan vroegere fabrieksarbeid hun bestaan verschuldigd en thans door het langzaam verdwijnen dier fabrieken aan de ellende ten prooi gegeven is, levensonderhoud te verschaffen. Het is geenszins ons verlangen om scharen van Brabanders of Westphalers in onze gewesten over te brengen en daardoor de geest van orde en zuinigheid, die nog onder een groot gedeelte onzer bevolking heerscht, in losbandigheid en wanorde te doen ontaarden.’82.

De Clercq vond een overtuigd medestander in Thomas Ainsworth, de Engelse technicus die als adviseur van de Handel-Maatschappij optrad. Deze had een wellicht nog meer uitgesproken mening over het ‘factory-system’. In september 1834 schreef hij aan de directie van de nhm: ‘It was never intended that children of tender age should be subjected to the rigorous discipline of a fabrique and be to work with a poisoned atmosphere during one half of their existance and sleep the other half (...). The neat cottage with its little garden and rosy-faced children in my opinion is a far more pleasurable sight than to stand at a cotton mill door at 9 o'clock on a winter's night and contemplate the squalid looks and crippled limbs of a few hundred poor wretches who, whilst living, are dying.’83.

Overigens was de nhm niet uitsluitend uit filantropische overwegingen in Twente overgegaan tot het selectief moderniseren van de textielnijverheid (zie Deel iii van deze serie, hoofdstukken 2, 3 en 4). De voorkeur voor de huisweverij was uit kostenoogpunt op z'n minst zo interessant als de oprichting van stoomweverijen. Arbeidskosten waren laag en

illustratie



illustratie

De arbeiders van de verschillende afdelingen van de wollengarenfabriek Van Schuppen te Veenendaal op een groepsfoto uit 1890. De geportretteerden zijn voorzien van attributen uit hun werk, zoals de stoker met de kolenschop en de reparatiewerkploeg met smidshamer en aambeeld. De jongeheer in het midden vooraan is, gezien zijn kleding en schoeisel, geen onderdeel van de werkploeg. De nv Veenendaalsche Sajet- en Vijfschachtfabriek v.h. Wed. D.S. van Schuppen & Zoon was in de negentiende eeuw uitgegroeid tot de grootste wolfabriek in Veenendaal. Begonnen omstreeks 1800 als wolkammerij werd na 1850 overgegaan tot mechanisering. In 1886 beschikte het bedrijf over een stoominstallatie met een vermogen van 300 pk en 300 arbeiders.


de aanvoer van steenkool was relatief duur. Spinnerijen als die van Hofkes en de Enschedesche Katoenspinnerij die in 1834 werd opgericht, toonden aan dat het niet onmogelijk was om een bepaald type fabrieken met winst te drijven, en de nhm maakte daar ook geen principieel bezwaar tegen. In Holland lagen de kostenverhoudingen van arbeid en grondstoffen anders, en bovendien was daar een armoedige bevolking die ‘normaal gesproken’ ook in

[p. 152]

fabriekachtige werkinrichtingen zou worden opgenomen. Vandaar dat de nhm het geen probleem vond om in Haarlem, Leiden en Rotterdam de pogingen te steunen om de meest moderne stoomfabrieken met honderden arbeiders - ook vrouwen en kinderen - in werking te brengen. Verder speelde waarschijnlijk mee dat vooral Koning Willem i, groot-aandeelhouder en oprichter van de nhm, vooral winst verwachtte van fabrieken naar Engelse snit.

 

Het voorstel de landbouw met de nijverheid te verbinden in een werkverschaffingsproject kwamen we al tegen bij de Maatschappij van Weldadigheid. Het verschil is echter dat toen de landbouw centraal stond en nu de nijverheid. Deze koppeling van landbouw aan industrie werd ook door enkele grote ondernemers als zeer gunstig beschouwd. De Almelose fabrikant J.H. Coster schreef in 1836 ‘betrekkelijk het fabrijkwezen (...) dat eene vereeniging van zoo velen in één gebouw, en voor de zedelijkheid en voor de gezondheid vooral van kinderen, nadeelig was (...) doch daarenboven werd tevens van veel belang geacht, dat, even als voor dezen, de landbouw met de weverij weder afwisselend gedreven werden.’84. B.W. Blijdenstein te Enschede meldde in datzelfde jaar over de ‘betrekkingen van den landbouw met de Twentsche fabrijken’ dat ‘deze verwisseling met den landbouw ook voordeeliger [is] voor de gezondheid, dan onophoudelijke fabrijkarbeid, en overal, waar de landbouw en fabrijk hand aan hand gaan, wordt de toenemende bevolking, die de fabrijk vraagt en bevordert, door den landbouw gespijsd.’85.

Maar ook vanuit de Nederlandse wolstad, Tilburg, waren dergelijke geluiden te horen. Pieter van Dooren merkte hierover in 1837 ‘...dat de werkman eigen met het gebruik van schop en spade, bij oogenblikkelijk gebrek aan werk, zich met de bearbeiding van zijn tuin of land onledig houdt, of als arbeider bij den landbouwer gaat werken, en bij de herneming of ontstaan van werk, tot zijn hoofdberoep terugkeert; en deze toeverlaat, waarvan de werkman in de steden verstoken is, oefent eenen heilzamen invloed op de zedelijke betrekkingen en op de physische gesteldheid onzer werklieden uit.’86.

Het voorkomen van excessen

In de Algemeene konst- en letterbode van 1839 verscheen een artikel van mr. Jan Ackersdijck (1790-1861)87., buitengewoon hoogleraar staathuishoudkunde te Utrecht, getiteld ‘Over het werken van kinderen in fabrieken’.88. Directe aanleiding voor Ackerdijcks bijdrage was de oprichting van vier katoenweverijen door de Twentse textielfabrikeur Salomonson in Zeeland. Daar werden behoeftigen en kinderen aan het werk gehouden. Het ophemelen van deze pauperfabrieken in de periodieken stuitte de schrijver tegen de borst. Ook de positieve aandacht in 1837 van Gedeputeerde Staten van Holland voor de tulle-fabriek van Warnsinck te Amsterdam ‘waar werk werd verschaft zelfs aan zeer jonge kinderen’ vond hij niet op z'n plaats. Ackersdijck was weliswaar overtuigd van de goede bedoelingen van de betrokkenen, maar hij oordeelde ‘...dat de fabrijkarbeid voor kinderen, dikwijls ook voor vrouwen, zoo nadeelig is, dat men niet genoeg bedacht kan zijn, om daar tegen te waken. Het land, waar de fabrijksnijverheid hare grootste uitbreiding bekomen heeft, levert ons daarvan de schrikbarendste voorbeelden.’ Het was echter niet tot Engeland beperkt gebleven ‘en een bezoek in de schoone fabrijken van den heer Dikson te Enschede, van den heer Hofkes te Almelo en anderen, zal elkeen kunnen overtuigen, dat inderdaad het kwaad reeds een aanvang genomen heeft en de opkomende fabrijksnijverheid reeds hare slagtoffers telt.’

Overheidsingrijpen was volgens Ackersdijck de enige mogelijkheid om dit euvel te bezweren. ‘Terwijl de staatshuishoudkunde zoo dikwijls de tusschenkomst van wettelijke bepalingen afraadt, roept zij voor dit onderwerp die tusschenkomst in, en ik mag er voor ons land bijvoegen: principiis obsta.’

Dat de verontwaardiging en bezorgdheid niet algemeen was, blijkt uit een reactie op Ackersdijck's artikel van J.H. van Opdorp.89. Van Opdorp was arts te Arnemuiden en had in Middelburg vaak de weverij van Salomonson bezocht. Hij vond dat weverijen niet met spinnerijen gelijkgesteld konden worden, omdat in eerstgenoemde ‘bij voorkeur jonge lieden van 14 jaren en daarboven worden gebruikt.’ En trouwens, zo vroeg hij zich af, was het beter ‘de regelen der hygiëne te volgen en honger te lijden, of zich eenig ongemak te getroosten en zijn brood te verdienen?’ Hij gaf zelf antwoord door ‘niets hartelijker’ te wensen ‘dan dat het den heer Salomonson mogt gelukken, ook in [Arnemuiden] eene afdeeling hunner weverij te kunnen vestigen’.90.

Ondanks opvattingen als die van Van Opdorp dat het allemaal wel meeviel, waren anderen omstreeks 1840 bezorgd over kinderarbeid in fabrieken. Begin 1840 liet de Koning zich een paar Franse brochures toezenden, waarin de kinderarbeid aan de kaak werd gesteld. In Frankrijk was rond die tijd de discussie over dit onderwerp opgelaaid, wat resulteerde in de Franse wet op de kinderarbeid van 22 maart 1841. Naar aanleiding van de brochures erkende de administrateur der Nationale Nijverheid, mr. J.Th. Netscher, dat de situatie in Nederland nog niet zo erg was als in Engeland, Frankrijk en Duitsland maar ‘er zijn werkelijk vele fabrijken, neringen en hanteringen, waar vele werkzaamheden en bezigheden worden waargenomen door jonge en zelfs zeer

[p. 153]

jonge kinderen en aankomende jongens en meiden, die buiten de gelegenheid om regelmatig het onderwijs in kerk en school bij te wonen in het wilde opgroeijen, hunne tusschenuren in baldadigheid doorbrengen en later, zoo zij al niet tot uitspattingen en misdaden vervallen, toch hunne onbeschaafdheid en zedeloosheid op kinderen en kindskinderen voortplanten.’91.

De bezorgdheid leidde ertoe dat de minister van Binnenlandse Zaken de provinciale gouverneurs opdroeg gegevens te verstrekken over de fabrieken in hun provincies. Behalve informatie over arbeidersaantallen, lonen en werktuigen werd ‘hoofdzakelijk gedoeld (...) op zoodanige bedrijven van zekeren omvang, waar de arbeid gedeeltelijk en soms geheel of grootendeels door aankomende jongens en meiden en door kinderen verrigt wordt en waar het aangeduide kwaad, waartegen de regering voorzieningen wenscht daar te stellen, reeds in eenige mate kan aanwezig zijn of bij verdere uitbreiding zou kunnen geboren worden en wortel schieten.’92. De antwoorden die de regering bereikten, hebben niet geleid tot maatregelen van overheidswege ter beperking van de kinderarbeid. De leer van de staatsonthouding bereikte haar hoogtepunt, maar ook godsdienstige opvattingen over de standenverdeling en de nuttige aspecten van een arbeidzaam leven (ook voor kinderen) lagen ten grondslag aan die passiviteit.93. Geschriften van enkele onderwijzers en artsen, die de kinderarbeid hekelden, brachten geen ommekeer in de publieke opinie.94. De prijsvragen van de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van Nijverheid, waarin de beperking van de kinderarbeid centraal stond, hadden slechts indirect en op langere termijn succes.95. Pas in 1863 stelde de regering een commissie samen, die een onderzoek moest instellen naar de kinderarbeid in fabrieken.96. Eind 1869 verscheen het eerste deel van het rapport van de commissie. Nog eens vijf jaar later, op 19 september 1874, werd eindelijk het initiatiefwetsvoorstel van Samuel van Houten tot wet verheven ‘houdende maatregelen tot het tegengaan van overmatigen arbeid en verwaarlozing van kinderen.’

Het heil van de techniek

Bij de meeste Nederlandse critici van het fabriekswezen schemerde toch een zekere bewondering door voor het menselijk vernuft dat zulke ‘kunstwerktuigen’ voortbracht. Opvallend is ook dat de kritiek vrijwel uitsluitend beperkt bleef tot de textielsector. Op ontwikkelingen in de metaalindustrie - en die telde in Nederland toch twee zeer grote bedrijven - of andere bedrijfstakken reageerde men niet.

Uitgesproken voorstanders van technische ontwikkeling en mechanisatie moeten in de eerste helft van de negentiende eeuw vooral gezocht worden onder technici en natuurwetenschappers. De machinefabrikanten G.M. Roentgen en Paul van Vlissingen hadden, uiteraard, belang bij een grootscheepse toepassing van stoomkracht en werktuigen in allerlei takken van nijverheid, terwijl ingenieurs als W.A. Bake en W.C. Brade de voordelen van spoorwegaanleg al begin jaren dertig verkondigden. Toch waren zij geen uitgesproken modernisten met utopische denkbeelden omtrent een toekomst waarin de technische vooruitgang een centrale plaats innam. Van een werkelijke discussie tussen de sceptici ten aanzien van het machine- en fabriekswezen, die wij hiervoor tegenkwamen, en radicale vooruitgangs-adepten was geen sprake. Bij ingenieurs was de technische belangstelling over het algemeen beperkt tot de problemen waar zij direkt mee te maken kregen: waterstaat, bouw- en werktuigkunde. Degenen die zich inzetten voor vormen van technisch onderwijs, hadden ook concrete doelen voor ogen en geen hoger ethisch streven. Twee uitzonderingen hebben wij kunnen traceren: J.A. Uilkens en S.A. Bleekrode.

Uilkens was de auteur van het in 1819 verschenen Technologisch handboek, waarin hij per bedrijfstak de produktieprocessen besprak.97. Hij was één van de eersten en weinigen met een enigzins technische achtergrond die zich in de discussie mengden. In de verhandeling van de econoom Tydeman werd hij veelvuldig aangehaald. In zijn visie was ‘de geschiedenis der kunsten de geschiedenis (...) van 's menschen verstandsontwikkeling.’ In zijn adoratie van de techniek ging hij verder dan de meeste van zijn tijdgenoten. ‘Zonder thans te overwegen, hoe de meer en meer kunstig zamengestelde werktuigen (...) het hooger geklommene menschelijk verstand kenmerken, zoo moet zelfs de omgang met zulke werktuigen; de bestuurder te zijn van zulke kunststukken, den geest verheffen.’98.

Zowel Van Hogendorp als Van den Bosch citerend vond hij dat de oplossing van het armoedeprobleem gelegen was in werkverschaffing in de landbouw. Door mechanisatie overbodig geworden handen konden gebruikt worden in het veldwerk, ‘waar de machinerie zoo weinig vermag.’99. Waar de machinerie wel dienstbaar kon zijn, in de nijverheid dus, moest deze onbelemmerd worden ingevoerd. Het uitvinden en verbeteren van handenbesparende werktuigen was immers een opdracht van God, ‘omdat [de mens] door zijn scheppend vermogen de schepping Gods verfraaijende, en rondom zich het schoone en heerlijke daarstellende, zich zelven hoe langs hoe meer zoude verheffen in de school zijner ontwikkeling en voorbereiding, tot veel hooger geestelijk genot bij een eeuwigdurend leven.’100.

In de tweede helft van de jaren dertig was het

[p. 154]



illustratie

Ook in de tweede helft van de negentiende eeuw bleef een grote werkloosheid bestaan onder de arbeiders en armen. Veel losse arbeiders zaten bijvoorbeeld 's winters zonder werk en zonder inkomsten. Om deze mannen en hun gezinnen te steunen werden door gemeente- en armbesturen allerlei werkverschaffingsprojecten georganiseerd. Grondarbeid was voor grote aantallen ongeschoolden de kans om zich, tegen een gering dagloon, toch nog ten nuite van de samenleving te maken. In de duinen bij Den Haag was altijd wel werk te doen, zoals het zandafgraven met behulp van kruiwagen en schop, hier in 1879.


vooral de Groningse genees-, wis- en natuurkundige Salomon Abraham Bleekrode die een standpunt innam puur ten faveure van de technische ontwikkeling. Bleekrode besteedde in het eerste deel van zijn handboek over de technologie uit 1836-1838 maar liefst 40 pagina's aan ‘het belang en de voordeelen, die uit het gebruik van de meer volmaakte werktuigen voortvloeijen.’ Hij voerde een zevental redenen aan, waarom het gebruik van machines bij de arbeid als nuttig moest worden beschouwd. Machines maakten de arbeid gemakkelijker, kwamen de gezondheid van de arbeider ten goede, en maakten het voor ‘gebrekkigen’ vaak mogelijk aan het arbeidsproces deel te nemen. Tevens werd bij verschillende bewerkingen ‘het vermogen der natuurkrachten’ met behulp van machines beter benut. Produkten konden daarenboven sneller, goedkoper, nauwkeuriger en volmaakter worden gefabriceerd. Ook was het mogelijk om nieuwe produkten te maken, waarvoor handen te zwak of te onnauwkeurig waren. Verder konden stoffen die normaal gesproken als afval werden weggeworpen, nu wel worden verwerkt. Mechanisatie bevorderde tevens ‘ondernemingen in het groot en het oprigten van vele nieuwe fabrijken.’ De invoering van machines bezorgde de arbeider andere taken. Hij kon zich gaan toeleggen op werkzaamheden ‘die bijzonder van zijn zielsvermogen afhankelijk zijn.’ Tenslotte kon de ondernemer zich nu ‘voor bedrog en luiheid der arbeiders in acht nemen, ja zelfs elke ontvreemding voorkomen en ontdekken.’101.

Bleekrode erkende een aantal negatieve aspecten verbonden aan de invoering van nieuwe machines, zoals werkloosheid en een daling van de arbeidslonen. Hierdoor kon een toename van de armoede ontstaan ‘waaruit noodzakelijk veel onheil voor de staat en de maatschappij ontstaat.’ Hij betoogde echter ‘dat de uitvinding van nieuwe werktuigen en derzelver toepassing, om den arbeid te vereenvoudigen, op zich zelve genomen, niet het minste onheil veroorzaakt, maar juist der werkende menigte groote voordeelen verschaft; dat al de slechte gevolgen, die men bij de werkende klasse waarneemt, ontstaan door haar eigen toedoen, of door het misbruik, dat men van de roemrijkste ontdekkingen gemaakt heeft’.102.

Nieuwe uitvindingen, zo vervolgde hij, leidden op den duur tot een vergroting van de werkgelegenheid. Verbeterde machines verlaagden de produktiekosten, wat een vergroting van het afzetgebied betekende. Dit verhoogde de arbeidskansen voor

[p. 155]



illustratie

De Amsterdamse Jodenbuurt aan het eind van de negentiende eeuw. Deze buurt was een van de armere wijken van de stad, waar het altijd druk was met de meest uiteenlopende straathandel. Niet ver hiervandaan verrees in 1879 de grote diamantslijperij Boas (zie p. 146). Het ontstaan van dergelijke uitgestrekte, verpauperde buurten, waar de onvermogende stadsbevolking hoog opeengestapeld leefde, was een schrikbeeld dat in Nederland pas tegen 1880 werkelijkheid werd.


[p. 156]

hen die in eerste instantie werkloos waren geworden. Hij staafde zijn beweringen met voorbeelden als de boekdrukkunst en de Engelse textielindustrie. Tevens wilde hij bewijzen dat de lonen door mechanisatie niet per se hoefden te dalen. De loonkosten per eenheid produkt waren weliswaar lager, maar dat hoefde niet noodzakelijk tot lagere uurlonen te leiden. Er dreigde echter overproduktie als door het succes van een uitvinding meer fabrikanten de nieuwe techniek gingen toepassen. De fabrikant moest dan, om rendabel te kunnen produceren, zijn prijs laten zakken door te beknibbelen op de lonen en verlenging van de arbeidstijden. Hierin bestond nu het door de schrijver bedoelde misbruik: werkplaatsen die door het aanvankelijke succes ‘te talrijk en te uitgebreid’ werden, waardoor het evenwicht werd verstoord en ‘sommige takken te veel bevorderd, terwijl andere, en vooral de landbouw, over het hoofd gezien worden’.103.

Er was volgens Bleekrode dus geen reden voor verzet tegen nieuwe technologieën. Arbeiders die dat toch deden waren dan ook zelf schuld aan hun lot. De fabrikanten konden in zo'n geval immers niets anders doen dan de ‘onwillige werklieden’ wegzenden en proberen nieuwe arbeidsbesparende machines te gaan gebruiken of de fabriek te verplaatsen.104. Hierover deelde hij de mening van Andrew Ure, die in 1835 had geschreven: ‘It is one of the most important truths resulting from the analysis of manufacturing industry, that unions are conspiracies of workmen against the interests of their own order, and never fail to end in the suicide of the body corporate which forms them.’105. In Engeland was Andrew Ure (1778-1857) één van de meest vooraanstaande technici uit die tijd. Als chemicus en technisch adviseur van diverse fabrieken genoot hij groot aanzien. In 1835 verscheen zijn Philosophy of Manufactures. Hierin bepleitte hij een zoveel mogelijk doorgevoerde mechanisering in fabrieken. De taak van de arbeider zou op den duur beperkt moeten blijven tot die van ‘supervisor’.106.

De zorg om de fabrieksarbeider: zedelijk bederf, discipline, gezondheid en veiligheid

De visie van de vooraanstaande Nederlandse economen omstreeks 1840 op technische ontwikkeling hebben we getypeerd als berustend. Negatieve effecten als tijdelijke werkloosheid en kinderarbeid beschouwden ze als een noodzakelijk kwaad. De liberalen zouden in Nederland in de tweede helft van de negentiende eeuw politiek en cultureel de toonaangevende ‘zuil’ worden. Hoewel juist bij deze groep geen eenvormigheid in de opvattingen over techniek aanwezig was, bleef tot circa 1870 bovenstaande visie de grootste gemene deler. De liberale voorman H. Goeman Borgesius schreef bijvoorbeeld nog in 1876 over industriële produktie: ‘aan schaduwzijden ontbreekt het niet, maar mag ons dat een oogenblik stemmen tot moedeloosheid? Mag dat een reden zijn om de tijden terug te wenschen, toen er met oneindig meer moeite oneindig minder werd voortgebracht? Neen, duizendmaal neen.’107.

Ook J. de Bruijn Kops, oprichter (1852) en redacteur van het tijdschrift De Economist, was van mening dat het proces van technische ontwikkeling uiteindelijk heilzaam voor de maatschappij en de arbeider was.108.

Omstreeks 1860 was het vooral Samuel Le Poole die in De Economist arbeidersvraagstukken aan de orde stelde. In 1859 beschreef hij de maatregelen die in diverse landen betreffende kinderarbeid in fabrieken waren genomen. Hij spoorde de Nederlandse industriëlen aan zelf maatregelen te nemen, omdat anders - door hem liefst achterwege gelaten - wettelijke regelingen noodzakelijk zouden worden.109. In 1861 stelde hij de produktiviteit van arbeiders met lange arbeidsdagen aan de orde. Uit ‘welbegrepen eigenbelang’ zou de fabrikant alleen al de belangen van de arbeider beter in het oog moeten houden.110. Hiermee was hij een typisch voorbeeld van een stroming binnen het liberalisme die, wars van overheidsingrijpen, aandacht kreeg voor de belangen van de werknemer. Dit leidde in 1870 tot de oprichting van het ‘comité ter bespreking der sociale quaestie’. Van het vijfendertig leden tellende comité, dat in 1880 ophield te bestaan, maakten de industrieel J.C. van Marken, de leraar B.H. Pekelharing, de schoolopziener A. Kerdijk en de arts en Kamerlid H. Goeman Borgesius deel uit.111. Hun visie werd veelal verwoord in tijdschriften als Vragen des Tijds112. en Sociaal Weekblad113..

Ook bij deze nieuwe generatie, ook wel als sociaalliberalen aangeduid, stond de technische ontwikkeling op zich niet ter discussie. Zij stelden zich echter actiever dan hun voorlopers op om de nadelen te beperken. Goeman Borgesius vond bijvoorbeeld dat ‘het niet genoeg [was] dat wij de stoomkracht voor de productie hebben weten dienstbaar te maken, niet minder inspanning kost het een voldoend antwoord te geven op de vraag: op welke wijze zullen de regeringen den vermeerderde productie het best aan de geheele menschheid ten goede doen komen? Dat is het groote probleem, waarvoor de beschaafde wereld is geplaatst. Eenmaal zal ongetwijfeld een tijd aanbreken, waarin de toepassing van het recht op de economische betrekkingen zoo volmaakt zal zijn, dat er bij vooruitgang in de nijverheid voor geen enkele stand in de maatschappij meer sprake behoeft te wezen van nadeel.’114.

Het debat over de moderne techniek en haar gevolgen werd eveneens gevoerd binnen de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van Nijverheid. Het idee dat technische verworvenheden op den

[p. 157]



illustratie

Eind negentiende eeuw trok Nederland, met zijn goeddeels nog weinig gerept landschap, waarin met ouderwetse tred noeste arbeid werd verricht in schamelige edoch stemmige omstandigheden, veel artistieke belangstelling. Naast Nederlanders legden ook buitenlandse kunstenaars dit beeld vast. Een van de regelmatige gasten in Nederland was de Duitse schilder Max Liebermann (1847-1935). Hij bezocht, naast Amsterdam, veelal het plaateland. Liebermann hield onder meer verblijf in Laren, dat in de jaren tachtig uitgroeide tot een schilderskolonie. Het sobere maar daardoor des te indrukwekkende beeld van de eenvoudige arbeid in de vlasspinnerij bood een dankbaar motief. In 1886 maakte Liebermann in een vlasschuur te Laren schetsen die hij het jaar daarop uitwerkte tot de hier afgebeelde compositie. De houten schuur was speciaal opgericht voor het opslaan en bewerken van vlas tot linnen garens, die gebruikt werden bij het weven van scheepszeilen. Er waren een twintigtal wielen, waaraan - naast de wieldraaier - een of twee meisjes werkten. De spinsters hielden het voorbewerkte vlas in een dot onder de arm dat ze, al achteruit lopende, uitrekten en ineendraaiden tot een draad. Het garen werd daarna gebundeld en geklopt.


[p. 158]

duur de welvaart van iedereen ten goede zou komen, lag impliciet ten grondslag aan deze vereniging. Haar leden waren voor een groot deel notabelen en ondernemers. Het was gedurende de gehele negentiende eeuw de grootste ondernemersorganisatie van Nederland, ruimschoots groter dan de Vereeniging tot Bevordering van Fabrieks- en Handwerksnijverheid, met 1000 leden in 1875 de op één na grootste. De Maatschappij ontleende haar belang aan het feit dat het een ontmoetingsplaats was van ondernemers, politici en wetenschappers, waar men kennis en ideeën kon uitwisselen over de nijverheid en (aanvankelijk vooral) over de technische aspecten ervan. Behalve de top van het Nederlandse bedrijfsleven, landelijke politici en vooraanstaande wetenschappers en technici waren echter ook vele kleinere ondernemers, lokale bestuurders en anderszins geïnteresseerden lid, waardoor kennisen ideeënoverdracht ook plaats vond naar de lagere echelons van het economische leven. Door de heterogene samenstelling van het ledenbestand zal het niet verwonderlijk zijn dat de sociale aspecten van het moderniseringsproces hier relatief vroeg aandacht kregen. De Maatschappij besteedde vanaf de jaren vijftig toenemende aandacht aan de negatieve aspecten van de modernisering.115.

 

In het debat over het fabriekswezen kwamen drie hoofdpunten van zorg naar voren:

-het zedelijk bederf van de fabrieksarbeiders;
-het overmatig disciplinerende dat uitging van de machine, wat onder meer bijdroeg tot het afstompende karakter van fabriekswerk;
-het onveilige en ongezonde van fabrieksarbeid.

Hier zullen we bekijken hoe het debat over deze drie aspecten verschoof in de loop van de negentiende eeuw en tot concrete maatregelen leidde.

Het zedelijk bederf

Met name door de beschaafde burgerij werd het sinds de achttiende eeuw als een morele plicht beschouwd om de laagste klasse te behoeden voor de gevaren van ‘gemengde’ arbeid, dat wil zeggen: mannen, vrouwen, jongens en meisjes dooreen. ‘Die klasse’ was immers door hun geringe beschaving bevattelijk voor dierlijke driften. De fabriek was door de veelal ongeschoolde arbeid die er plaatsvond als het ware voorbestemd om de minst ontwikkelden van werk te voorzien. Vloeken, drankmisbruik en nog ergere voorbeelden van volwassen gedrag zouden het normbesef bij fabriekskinderen al vroeg aantasten.

In diverse takken van nijverheid was het echter de hele negentiende eeuw gebruikelijk dat er ‘gemengd’ werd gewerkt. In de landbouw, de huisnijverheid en bijvoorbeeld in steenbakkerijen en vlasindustrie116. hielpen kinderen hun ouders mee. In fabrieken werd juist de nagestreefde scheiding van leeftijden en seksen mede in de hand gewerkt door de arbeidsdeling. Taken werden naar zwaarte, eenvoud of pietepeuterigheid verdeeld over mannen, vrouwen en kinderen. Het aparte betalingsniveau van elk van die groepen maakte een nauwgezette verdeling voor de fabrikant ook economisch aantrekkelijk, en als verschillende bewerkingen in aparte ruimten plaatsvonden, was het ook niet moeilijk om de fysieke scheiding te handhaven.117.

Een merkwaardig verschijnsel is overigens dat in de jaren twintig en dertig de klachten over slecht gedrag van fabriekspersoneel niet zozeer de ongeschoolde Nederlanders betreffen. Het waren vooral buitenlanders - Engelsen en Belgen - die als deskundigen naar Nederland kwamen waarover fabrikanten klaagden. Dronkenschap, ruziezoeken, opstandig gedrag maakten dat men de ‘vreemdelingen’ het liefst zo snel mogelijk kwijt was. En dan kon een begin worden gemaakt met het opvoeden van Nederlanders tot nette en oppassende werklieden. Deze laatste kwalificaties blijven de hele eeuw in zwang om fabrieksarbeiders lof toe te zwaaien. Ze werden gebruikt in de verhoren van de Enquêtecommissies die in 1887 en 1891 de arbeidsomstandigheden onderzochten; de Vereeniging tot bevordering van Fabrieks- en Handwerksnijverheid hanteerde ze in de jaren zeventig bij het uitreiken van prijzen. Thomas Ainsworth en anderen in de jaren dertig beschouwden hun werkgevende taak in diezelfde vaderlijke termen. De fabrikant-nieuwestijl kreeg meteen een patriarchale verantwoordelijkheid toebedeeld, die hij als ondernemer in het kleinbedrijf lang niet zo sterk had ondervonden. Sommigen zouden daar overigens nooit aan wennen, merkten de Enquêtecommissies van 1887 en 1890.

Waar dus enerzijds de vrees bestond voor zedeloosheid als gevolg van fabrieksarbeid, ging men anderzijds uit van de opvoedende werking die kon uitgaan van arbeid in een humaan geleide fabriek. Daar kon, net als in de pauperfabrieken, het gewone volk leren wat orde, netheid, oppassendheid was. Een arbeidzaam leven zou hen moeten opleiden tot een deugdzaam bestaan. Arbeid, ofwel het maken van dingen ten nutte van het algemeen, was meer dan geld verdienen. Door zijn arbeid verdiende het individu zijn plaats in de gemeenschap, het leerde er zijn gaven te ontwikkelen en zijn plaats in de hiërarchie van de maatschappij kennen. Diverse verenigingen van industriëlen streefden in de tweede helft van de negentiende eeuw inderdaad bewust naar een opvoeding van ‘den werkman’ tot een redelijk en beschaafd wezen, zij het dat fabrieksvolk niet per se hoefde uit te stijgen boven zijn sociale klasse. Vanuit dat laatste gezichtspunt hadden in de acht-

[p. 159]

tiende eeuw vooruitstrevende fabrikanten al gezegd dat fabrieksscholen er niet toe moesten leiden dat pauperkinderen zich op den duur te goed zouden vinden voor handwerk.

Fabrikanten waren ook om andere dan puur menselijke redenen niet gebaat bij zedelijke ‘verwildering’ van hun werkvolk. Met ongezeglijke, improduktieve, diefachtige, halfdronken en rokkenjagende arbeiders kon een bedrijf absoluut niets beginnen. De morele standaard van werklieden was ook verbonden met de arbeidsdiscipline die de fabriekmatige produktie vereiste. Toch waren er ook ondernemers die discipline uitsluitend beschouwden als een ‘produktietechnisch’ probleem, en zij trachtten dan ook het gedrag van hun arbeidsvolk op een redeloze manier, door harde boetes, te drillen: geen morele maar werktuiglijke discipline.

De discipline

Vooral de fabrieken die een centrale aandrijfkracht hadden, dwongen de arbeiders tot stiptheid. Op het moment dat de stoommachine in werking werd gezet, moest iedereen op zijn of haar post zijn. Een intrigerend, maar nauwelijks meer te achterhalen aspect is hoe vooral de eerste generaties fabrieksarbeiders ‘op tijd’ leerden te zijn. Zeker in de eerste helft van de negentiende eeuw was een tijdsbesef, uitgedrukt in minuten, vermoedelijk afwezig. Uurwerken waren zeldzaam, laat staan dat die precies dezelfde tijd aangaven. Wanneer we de afbeeldingen bekijken van grotere en kleinere fabrieksgebouwen uit die jaren, valt op dat ze vaak voorzien zijn van een bel op het dak. Mogelijk heeft die, naar analogie van de torenklok die de missen aankondigde, het ochtenduur voor de fabrieksarbeiders geluid. Overigens blijkt nog aan het einde van de eeuw dat in sommige fabrieken wel een half uur speling werd gegeven bij de aanvang van de werkdag, en dat op maandag een deel van de arbeiders wegens voorafgaand jenevergebruik gewoon niet kwam opdagen. De produktie werd dan met minder werkvolk in gang gezet.

Was het werk eenmaal begonnen, dan bepaalde het ritme van de werktuigen hoe snel de wever, spinner of kaarsengieter moest bewegen. Juist dat verlies aan individuele vrijheid werd door critici als een zeer principieel punt beschouwd. De thuiswerker en degene die zelf de macht had over een kleine krachtbron had daarom een menswaardiger bestaan, ook al moest ook hij lange werkdagen maken om zijn brood te verdienen. Bij de discussie over de hogere morele waarde van thuisarbeid werden overigens de arbeidsomstandigheden van wevers en kleine ambachtslieden wel idealer voorgesteld dan ze in werkelijkheid waren. In de fabriek werd de gehoorzaamheid aan de machine en de arbeidsdeling

illustratie

In alle oude binnensteden bestond tot ver in de twintigste eeuw een wirwar van woningen en krotten, vaak weggestopt in stegen en sloppen. In deze buurten drong licht en lucht maar moeizaam door, zoals hier in de Verversgang te Groningen, in 1907. De ‘straat’ namen in oude stadskernen verwijzen vaak naar de oorspronkelijke concentratie van beroepen in een bepaalde straat of buurt.


gehandhaafd door de aanwezigheid van ‘bazen’. Afhankelijk van de bedrijfsgrootte en de bedrijfstak ontstonden binnen de fabriek hiërarchieën van ploegbazen, opzichters en afdelingsbazen die weer verantwoording schuldig waren aan de bedrijfsleider of (onder)direkteur. In zulke ordeningen was veel machtsmisbruik mogelijk, en die mogelijkheden werden naar hartelust benut. Maar ook leende een hiërarchische structuur zich voor geleidelijke promotie naar andere taken in het bedrijf of, op microniveau, rond eenzelfde machine.

De Arbeidsenquêtes van 1887 en 1891 laten de uitersten op de schaal van inhumane en vaderlijkzorgzame bedrijfsculturen zien. Daarbij wordt duidelijk hoe persoonsgebonden, dus hoe verschillend per bedrijf, de arbeidsomstandigheden waren. Juist

[p. 160]

bij gebrek aan regels kon elke ondernemer naar eigen inzicht met menselijke waarden omgaan. Tot hun verbijstering constateerden de verhorende commissieleden dat fabrikanten soms uiterst kortzichtig waren in het handhaven van een soort discipline. In de jaren tachtig leek aangetoond dat extreem lange werktijden leidden tot een lager arbeidsrendement. Sommige fabrikanten deden in hun eigen bedrijf onderzoek naar de effecten van kortere werkdagen: 12 uur in plaats van 14 uur per dag.118. Niettemin waren er fabrikanten die een incidentele werk ‘dag’ voor vrouwen van 24 of 30 uur als onvermijdelijk beschouwden.

Een van de onderbazen van de Koninklijke Fabriek van Waskaarsen in Amsterdam kon de fantasie niet opbrengen om aan het geestdodende werk van sommige vrouwen enige afwisseling te geven, terwijl dat voor het bedrijfsresultaat geen aanwijsbaar nadeel zou betekenen. De verbazing van de Enquêtecommissie is merkbaar. Die werd nog groter toen de boetemaatregelen ter sprake kwamen. De geringste onvolkomenheden van produkten werden beschouwd als fouten van het personeel, en als om hen te drillen werden de vrouwen buiten verhouding zwaar gestraft met looninhouding voor elke partij kaarsen die kleine foutjes vertoonde. Naar het oordeel van de Commissie, die in de loop der tijd nog wel meer van zulke rechtlijnige figuren voor zich kreeg, had een dergelijke stijl van bedrijfsvoering niets van doen met het nastreven van een rendabele produktie, maar met domheid.

Gezondheid en veiligheid

Vooral de fysieke belasting, de verhouding tussen werk- en rusttijden, kinderarbeid en beroepsziekten werden in de loop van de negentiende eeuw onderwerpen van toenemende zorg. Slechts heel summier zijn wij in het voorafgaande ingegaan op de eerste sociale wetten of aanzetten daartoe. Hier willen we speciale aandacht besteden aan de veiligheid en arbeidsomstandigheden die direct met de techniek te maken hebben.

Beroepsziekten waren van oudsher bekende verschijnselen, en ze werden geaccepteerd als vrijwel onvermijdelijk. Loodwitmakers werden nooit oud; mijnwerkers, steenhouwers en vlasbrakers konden rekenen op vroegtijdig zieke longen door het stof dat ze inademden; azijnmakers leden veel aan aandoeningen van luchtwegen en ogen; hoedenmakers die met kwik werkten werden gek, en spiegelglasmakers overleden vroeg door de kwikdampen die ze inademden. Lettergieters kregen loodkoliek en werden zelden ouder dan vijftig. Wevers waren herkenbaar aan hun kromme of scheve gestalte: als de ergonomische aspecten van arbeid al onderwerp van medisch onderzoek waren, resulteerde dat slechts bij hoge uitzondering in aangepaste ontwerpen van werktuigen. Vooral de luchtwegen werden in diverse beroepen aangetast door stof of giftige dampen.

De wettelijke aandacht voor beroepsziekten zou in de negentiende eeuw beperkt blijven. Het fabriekswezen bracht vooral door zijn mechanische bewerkingen de categorie bedrijfsongevallen op de voorgrond. Beroepsziekten waren echter geen ongevallen - naar de toenmalige opvattingen was dat het lot dat sluipend toesloeg. De oorzakelijke verbanden tussen beroep en ziekte waren evident, maar volgens de ondernemers viel het niet mee om zodanige technische maatregelen te treffen dat zowel een winstgevende produktie als de gezondheid van het werkvolk ermee gediend waren. In de loodwitfabrieken werd geprobeerd om stofvorming bij het malen tegen te gaan door nat te malen, maar het inademen van stof en kwalijke dampen was nauwelijks helemaal uit te bannen. Mechanisatie van handwerk leidde in sommige gevallen tot sterke verbetering, zoals in de vlasserij.119.

Een ander probleem was dat, zo er al minder ongezonde werkwijzen bestonden, ondernemers niet gedwongen konden worden om die methoden te gebruiken. Dat vereiste wettelijke maatregelen die tot ver in de negentiende eeuw werden beschouwd als ongepaste inmenging van autoriteiten in particuliere aangelegenheden. Strikt geredeneerd kon men zelfs volhouden dat niet de ondernemer maar de werkman zelf verantwoordelijk was als hij een beroepsziekte opliep: hij werd immers niet gedwongen om juist dat ongezonde beroep uit te oefenen, waarvan algemeen bekend was dat het met ziekte gepaard ging. Karakteristiek is dat de Hinderwet en haar voorloper wel aan omwonenden het middel gaf om zich te laten beschermen tegen de kwalijke uitstoot van gassen, vloeistoffen en geluiden voor zover die buiten het privéterrein van de onderneming merkbaar was. Maar wat er op dat bedrijfsterrein en binnen fabrieksmuren allemaal plaatsvond dat aan derden geen last opleverde, bleef buiten de greep van de wetgever - en zo hoorde het ook, vond men. In die logica past ook de redenering die J.R. Thorbecke verkondigde toen hij in 1865 een herziening van de Stoomwet voorstelde:

‘De vraag, waarom strekt het onderzoek, dat vanwege den Staat op stoomtoestellen wordt uitgeoefend, zich niet uit tot andere werktuigen, die eveneens soms menschenlevens kosten, vindt daarin hare beantwoording, dat wanneer er met de laatste een ongeluk plaats vindt, het schier alleen voor hen, die er mede werken, noodlottige gevolgen heeft; van de ontploffing echter van een stoomketel ook derden, aan het bedrijf, waarbij de ketel gebruikt werd, geheel vreemd, de slachtoffers kunnen worden.’120.

[p. 161]

Van particuliere zijde werd de bedrijfsveiligheid intussen breder opgevat. Eveneens in 1865 schreef de arts Samuel Le Poole in De Economist over dit onderwerp. Nu de kinderarbeid wettelijk geregeld leek te worden (het zou in werkelijkheid nog negen jaar duren) ‘zijn het andere nadeelen aan fabriek-arbeid verbonden, die mij tot schrijven dringen, het zijn de ongelukken in fabrieken’.121. Ook over de grens kon het veiligheidsaspect zich in een toenemende belangstelling heugen. In 1867 werd te Mulhouse door de ‘Société industrielle’ en onder leiding van de fabrikant Engel Dollfus de ‘Association pour prévenir les accidents de fabrique’ opgericht. Het doel was fabrieksongelukken te voorkomen door geregelde inspecties in de fabrieken te houden en toestellen tot voorkoming van ongelukken die door de leden (een dertigtal industriëlen) waren uitgevonden of werden toegepast, te propageren. Om dit laatste te bevorderen werden prijzen (ook aan werklieden) in het vooruitzicht gesteld. Hoewel het succes van de vereniging moeilijk valt te meten omdat aanvankelijk geen ongevalsstatistieken werden bijgehouden, kan het feit dat in 1889 al 1027 fabrieken, die 80.000 arbeiders vertegenwoordigden, lid waren illustratief zijn voor de behoefte die eraan bestond. Ook in Parijs, Rouaan en het Duitse Gladbach werden dergelijke verenigingen opgericht.122.

De veiligheid in fabrieken vereiste een staatstoezicht. Dat had de enquêtecommissie die in 1887 was ingesteld om de werking van de kinderwet van Van Houten uit 1874 te onderzoeken, in haar eindverslag dringend aanbevolen. Een klein aantal fabrieksinspecteurs zou toezicht moeten gaan houden op de veiligheid in fabrieken en werkplaatsen. Zij zouden ‘noch politie-beambten, noch geneeskundigen, maar bij voorkeur ervaren ingenieurs behooren te zijn. Als zoodanig zouden zij door hunne technische kennis en door hunne bekendheid met de eischen der nijverheid aan de industriëelen dat ontzagen vooral ook dat vertrouwen inboezemen, waaraan bij de vervulling van hunne gewichtige taak zoo hooge waarde moet gehecht worden. Voor zoover hunne werkzaamheden het gebied der hygiène mochten raken, zouden zij de medewerking der ambtenaren van het geneeskundig Staatstoezicht kunnen inroepen.’123. Hun doel moest drieledig zijn:

-het vergaren van kennis op het gebied van industriële veiligheid;
-advies uitbrengen aan de regering hieromtrent; om wettelijke maatregelen mogelijk te maken;
-toezien op de naleving van de wettelijke bepalingen.

De conclusies van de commissie vonden grote weerklank in de Kamer. Op 5 mei 1889 werd de Arbeidswet in het Staatsblad gepubliceerd en per 1 maart 1890 konden de drie inspecteurs van arbeid hun werk beginnen. H.F. Kuyper was verantwoordelijk voor het zuiden van ons land, A.D.P.J. van Löben Sels kreeg de noordelijke regio toebedeeld en ingenieur H.W.E. Struve werd arbeidsinspecteur in het westen en midden.

Hoezeer ook de noodzaak van een arbeidsinspectie werd ingezien, de schrik voor overheidsbemoeienis op dit gebied onder fabrikanten was groot. Met afschuw werd gewezen naar de inspectie en controle in Duitsland. F.W. Westerouen van Meeteren (1851-1904) deed dan ook een beroep op ‘alle Nederlandsche industrieelen’ en verschillende verenigingen en maatschappijen om in plaats van staatstoezicht gezamenlijk een vereniging op te richten. Door het nemen van een eigen verantwoordelijkheid konden de ergste uitwassen van overheidsbemoeienis worden voorkomen. Westerouen van Meeteren had chemische technologie gestudeerd aan de Polytechnische School te Delft. Hij was directeur van de Surinaamsche Bank te Paramaribo en van de nv Het Nederlandsch Handelsmuseum geweest. Vanaf 1885 trad hij op als onafhankelijk adviseur voor veiligheid en hygiëne in fabrieken en werkplaatsen, een functie die hij tot het einde van zijn leven zou blijven vervullen. In 1893 werd hij hoofdredacteur van het tijdschrift van de Maatschappij van Nijverheid.

Wat de door hem beoogde vereniging betreft voegde hij in 1890 de daad bij het woord toen hij samen met mr. H.J.A. Mulder te 's-Gravenhage de ‘Nederlandsche Vereeniging tot voorkoming van ongelukken in fabrieken en werkplaatsen’ oprichtte.124.

Algemene voorschriften en concept-statuten voor een dergelijke vereniging had hij al een jaar eerder ontworpen en openbaar gemaakt. Het doel moest in zijn ogen zijn: fabrieksinspecties, voorlichting, propaganda en hulp, en het uitloven van premies voor de uitvinding of invoering van nieuwe veiligheidstoestellen.125. Behalve als bestuurslid fungeerde Westerouen van Meeteren als technisch adviseur.

Eén van de doelstelingen werd verwezenlijkt door de uitgave tussen 1893 en 1896 van een periodiek, getiteld De Veiligheid, waaraan hij zelf vele bijdragen leverde. Zijn kennis en ervaring bezorgden hem de benoeming van technisch adviseur van de Eerste Verzekeringsmaatschappij ‘Op het Leven en tegen Invaliditeit’, waar hij met fabrieksinspecties werd belast. Zijn voornaamste publicatie, Handboek der nijverheidshygiëne, verscheen in 1893.126.

Intussen hadden ook andere particuliere initiatieven geleid tot het onder de aandacht brengen van de veiligheid in fabrieken. Naast Le Poole en Westerouen van Meeteren was de arts dr. W.P. Ruysch (1847-1920) hiervan een warm pleitbezorger.

Ruysch, die in Utrecht medicijnen had gestudeerd, was adviseur in gezondheidskwesties bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. Hij was onder meer inspecteur van het krankzinnigenwezen, hoofdin-

[p. 162]

specteur voor de volksgezondheid en voorzitter van de gezondheidsraad. In 1887 pleitte hij op de jaarvergadering van het departement 's-Gravenhage van de Vereeniging tot bevordering van Fabrieks- en Handwerksnijverheid voor het houden van een tentoonstelling op het gebied van de veiligheid in fabrieken. De Haagse afdeling kreeg Ruysch' voorstel op de agenda van de landelijke vergadering. Ook daar was men enthousiast en er werd een commissie benoemd die de ideeën verder moest uitwerken. Zij bestond behalve uit Ruysch uit ingenieur J.M. Elias, lid van het hoofdbestuur, en de scheikundige G.D. Nellensteijn, bestuurslid van de afdeling Amsterdam. De drie bezochten in 1889 de ‘Deutsche Allgemeine Ausstellung für Unfallverhütung’ te Berlijn. Het initiatief voor deze tentoonstelling was uitgegaan van de Duitse brouwerijsector en door overheidssteun uitgegroeid tot een groots opgezette internationale gebeurtenis. Ze werd gehouden in het noordwesten van de stad op het terrein waar in 1883 een hygiënetentoonstelling had plaatsgevonden die Ruysch indertijd ook had bezocht.127. De commissie bracht verslag uit en sprak de wens uit ‘tot het houden eener tentoonstelling hier te lande, hetzij te Amsterdam, hetzij te 's-Gravenhage, mede om tot de stichting van een museum te geraken’.

Achteraf werd het verlangen naar een dusdanige tentoonstelling verklaard door ‘de ondervinding der geneeskundige ambtenaren bij hunne inspectiën der fabrieken, het geneeskundig onderzoek der werklieden in sommige fabrieken waar vergiftige stoffen bewerkt worden, het internationaal congres voor hygiëne te Wenen in 1887, de uitkomsten der enquête-commissie, de besprekingen die geleid hebben tot de wording der wet van 5 mei 1889 en de goede uitkomsten der Deutsche Allgemeine Ausstellung für Unfallverhütung’.128.

Drie maanden later werd in het Paleis van Volksvlijt te Amsterdam een comité van 50 leden gevormd en werd besloten om in de zomer van 1890 een dergelijke tentoonstelling met een nationaal karakter in het Paleis te organiseren. Ook werd besloten om aan het einde van de expositie een congres voor nijverheidshygiëne en reddingswezen te houden.129. Op 15 juni 1890 opende minister van staat mr. J. Heemskerk Azn. de veiligheidstentoonstelling. Ze was verdeeld in achttien afdelingen (zie tabel 6.1). Hoewel een kritische noot zeker niet ontbrak - zo werd de voorlichting bij de apparaten en andere voorwerpen niet altijd als voldoende ervaren - was de tentoonstelling een succes. Ze trok meer dan een miljoen bezoekers en kende een batig saldo van ƒ 3.500. In het tijdschrift Eigen Haard stond na de sluiting te lezen:

 

‘Deze tentoonstelling was een teeken van onzen tijd, die sedert kort is gaan begrijpen, dat, indien de behoeften der maatschappij de opeenhoping vorderen van menschen in een omgeving, waar milliarden mikroskopische dwergen met Titanen samenspannen om hun leven te belagen, die maatschappij op het verstrekken van weermiddelen bedacht moet zijn’.130. Na afloop van de tentoonstelling werden door verschillende inzenders zo'n zestig voorwerpen geschonken aan het op te richten museum. Op 8 mei 1891 werd op een vergadering van de Vereniging ter bevordering van Fabrieks- en Handwerksnijverheid besloten een museumcommissie te benoemen, die de voorbereidingen moest treffen voor een in korte tijd te stichten Veiligheids-museum in Amsterdam. Op 1 januari 1893 opende het Veiligheidsmuseum, dat onder leiding stond van ingenieur A.C.M. van Etten, zijn deuren.131.

Tabel 6.1: De afdelingen van de veiligheidstentoonstelling te Amsterdam in 1890

1. motoren, werktuigen in beweging, veiligheidsmiddelen aandrijfwerken, uitzetters, rem- en smeerinrichtingen
2. hijs- en heftoestellen, liften en kranen
3. technische industrie en landbouw
4. veiligheidsmiddelen aan stoomketels en andere toestellen
5. reddings- en voorzorgsmaatregelen bij en tegen brandgevaar
6. reddings- en voorzorgsmaatregelen bij zeerampen en overstromingen
7. veiligheidsmiddelen bij het verkeer te land en te water
8. veiligheidsmiddelen bij de bouwvakken
9. veiligheidsmiddelen bij het mijnwezen
10. veiligheidsmiddelen bij het krijgswezen te water en te land
11. middelen om de lokalen der fabrieken en werkplaatsen in het algemeen zooveel mogelijk tot niet ongezonde verblijfplaatsen te maken
12. maatregelen om de nadelige invloeden van schadelijke dampen en gassen in fabrieken en werkplaatsen tegen te gaan
13. middelen ter voorkoming van de verstuiving en inademing van prikkelende stofdeeltjes
14. maatregelen tegen verspreiding van ziektekiemen bij de bewerking van besmette voorwerpen
15. middelen tot uitrusting van den werkman bij beroepen die bijzondere voorzieningen eisen
16. middelen tot het verlenen van eerste hulp bij ongelukken en bij schijndood
17. maatregelen tot bevordering van de gezondheid voor den werkman
18. bibliotheek
Bron: Brochure Tentoonstelling tot bevordering van veiligheid en gezondheid in fabrieken en werkplaatsen, aanwezig in: GA Amsterdam, archief Departement Amsterdam van de Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid en Handel, inv. nr. 168.

[p. 163]



illustratie

Lijnbanen worden wellicht door sommigen geassocieerd met onze vroegere vaderlandse trots, de zeilvaart, en Michiel de Ruyter en zijn blauw geruite kiel, die draaide aan het wiel. In de negentiende-eeuwse werkelijkheid betekende het voor de werklieden een langdradig en zwaar werk, meestal buiten, in weer en wind. De lijnbanen waren ook berucht vanwege het grootschalige gebruik van kinderarbeid. Hier een touwslagerij aan de lange Burchwal te Oudewater, omstreeks 1870. De man links en de achterste jongen dragen een bos hennep voor hun buik. De bijnaam van de inwoners van Oudewater, geelbuiken, is hiervan afgeleid. De hennep werd in enkele strengen aan een kant van de baan op een wiel vastgezet, waaraan gedraaid werd. De touwslager liep langzaam acheruit en leidde met de hand de strengen, die tot een touw werden ineengedraaid. Na 1860 verliep de henneptouwproduktie en verdwenen de handbanen.
Stoomtouwslagerijen (in Oudewater in 1882) deden met nieuwe technieken en andere, exotische, grondstoffen als manilla en sisal, hun intrede.
In 1913 zou een aantal touwslagers uit de Alblasserwaard de Nederlandsche Kabelfabriek in Delft oprichten, waar zij hun expertise aanwendden voor elektriciteitskabels
.


[p. 164]

Het ideaal van de kleine krachtbron

‘De ontwikkeling onzer kleine industrie, voor ons land wellicht de belangrijkste, kan door niets zoo zeer bevorderd worden, als door een meer algemeen gebruik van stoomvermogen’, aldus J.R. Thorbecke bij de indiening van de Stoomwet in 1865.132.

De oplossing voor allerlei dilemma's rond de morele kanten van de moderne fabrieksnijverheid zou een minder dwingende krachtbron zijn: kleiner, minder duur in aanschaf, een soort democratisering van de energie. De eerste generatie stoomwerktuigen, tot in de jaren vijftig, werd gekenmerkt door een beperkte inzetbaarheid. Het waren apparaten die hun geld opbrachten in een beperkt aantal bedrijfstakken en bij een grote produktie. Ze waren duur in aanschaf en exploitatie en weinig geschikt voor kleine huisvesting.

De tijdschriften op het gebied van nijverheid en techniek hielden hun lezers op de hoogte omtrent de ontwikkelingen op het gebied van kleine krachtwerktuigen.133. Een belangrijke ontwikkeling was de gasmotor van Lenoir, die in 1860 in Frankrijk werd gepatenteerd. A. Winkler Prins schreef erover in het Praktisch Volksboek134., mr. J.A. van Eijk in De Volksvlijt en dr. E. van der Ven in het Tijdschrift ter bevordering van Nijverheid. De voordelen voor de kleine industrie werden door laatstgenoemde op een rijtje gezet. Vooral werd gewezen op de geringe investeringskosten, de geringe afmetingen waardoor ‘de machine zelfs door hen gebruikt [kan] worden die huurhuizen bewonen, daar zij als een gewoon meubel kan getransporteerd worden’. Ook werd het ontbreken van ontploffingsgevaar aangehaald en het feit dat de machine alleen brandstof kostte als hij werd gebruikt. Hiermee, zo concludeerde Van der Ven, kon de ambachtsman concurreren met de fabrieken die ‘...juist doordien zij enorme hoeveelheden produceren, den stoom tot hunnen dienst hebben’. Hij merkte als bijkomend voordeel voor stedelijke gebieden op, dat een concessie niet nodig was, iets dat voor een stoommachine wel vereist was en dat daar nog wel eens moeilijkheden kon opleveren.135. Van Eijk sprak van ‘eene groote schrede op den weg van vooruitgang’.136. In de Economist werd gesproken van ‘eene groote ommekeer in het gebruik van beweegkrachten op industrieel terrein’.137.

Het enthousiasme waarmee de machine aanvankelijk was ontvangen, ebde snel weg. De machine viel tegen in het gebruik, terwijl de gasprijzen een goedkope exploitatie verhinderden. De berichtgeving over nieuwe kleine motoren bleef echter doorgaan. De hetelucht-motoren van Ericson138. en Belou139. werden in De Volksvlijt uitgebreid besproken, alsook die van Laubereau, waarbij Van Eijk opmerkte:

‘Mijn begeerte werd dadelijk opgewekt om een dergelijk toestelletje in werking te zien, omdat ik hoopte dat in dit système Laubereau een middel zo gevonden worden, om de kleine nijverheid, die slechts behoefte heeft aan een moteur van gering vermogen, met een bewegingswerktuig van eenvoudige zamenstelling en behandeling te gerijven.’140. De behoefte aan een krachtwerktuig voor de ambachten bleef. De in 1867 ontwikkelde gasmoto van Otto en Langen voldeed ten dele in deze behoefte. Uit een rapport uit 1872 van het departement Groningen van de Maatschappij van Nijverheid ‘over de wenschelijkheid van de invoering van gaskrachtmachines en gaskagchels’ bleek dat deze motor, behalve op de Polytechnische School te Delft, op drie plaatsen in de nijverheid in gebruik was.141.

De hoge gebruikskosten speelden de gasmotoren en andere kleine krachtwerktuigen in de jaren zestig en zeventig parten. In 1876 (het jaar waarin Otto in Duitsland de viertakt-motor en Brayton in Amerika de ‘Ready-motor’ op de markt brachten) verscheen in het tijdschrift van de Maatschappij een kostenvergelijking van diverse krachtwerktuigen. De kosten per pk per uur waren bij een grote stoommachine van 100 pk zo'n kwart van die van kleine stoomwerktuigen, hete-lucht motoren en gas- en petroleummotoren (zie tabel 6.2). De oplossing voor het concurrentieprobleem van de kleine nijverheid werd dan ook ergens anders gezocht:

 

‘Opnieuw blijkt hieruit hoe voordeelig het zijn zoude, groote stoomwerktuigen op te richten en den arbeid daardoor verricht af te leveren aan kleinere werkplaatsen tegen een bepaald tarief. Reeds 10 jaar geleden, werd zulk eene inrichting, te Schaffhausen bestaande, beschreven in eene vergadering van ons Departement te 's-Hage. Hier en daar heeft men reeds iets dergelijks ingevoerd. De zich steeds uitbreidende toepassing van de overbrenging van beweging op groote afstanden, door ijzerdraad, -kabels, touwen of kettingen, heeft zulk eene aflevering van arbeid aan woningen en werkplaatsen, zeer in de hand gewerkt’.142.

 

Over de ontwikkelingen op het gebied van kleine krachtwerktuigen bleven zowel het Tijdschrift ter bevordering van Nijverheid als De Volksvlijt hun lezers in de tweede helft van de jaren zeventig en jaren tachtig uitgebreid informeren, waarbij ook de gebruikskosten veel aandacht kregen.143. Het in 1881 voor het eerst verschenen populair-wetenschappelijke tijdschrift De Natuur deed voor beide niet onder. Hoewel begin jaren tachtig vooral hoopvol werd uitgekeken naar de mogelijkheden, die de elektriciteit bood bij krachtoverbrenging144., lag het accent op andere motoren.145. In het Tijdschrift van de Maat-

[p. 165]

schappij van Nijverheid verscheen van de hand van H. Hinkelmann in 1887 en 1888 een uitgebreid artikel over de tot dan meest toegepaste motoren in de kleine nijverheid. Hij verdeelde deze in: wind-, water-, hetelucht, petroleum-, gas- en stoommotoren; ‘behalve deze zijn er nog eenige (elektriciteits-, koolzuurmotoren enz.), die echter als motoren voor de kleine industrie voorloopig nog waardeloos zijn en daarom ook hier buiten beschouwing kunnen blijven’.146. Hinkelmann berekende de kosten van verschillende kleine motoren en kwam daarbij aanzienlijk lager uit dan de kosten in 1876 (zie tabel 6.2).147.

Tabel 6.2: Kosten van krachtwerktuigen volgens Grove (1876) en Hinkelmann (1887/88), per pk/uur

Grove Hinkelmann
(1876) (1887/88)
klein stoomwerktuig ƒ 0,190 ƒ 0,090
kalorische machine ƒ 0,170 ƒ 0,10
gas- en petroleum machine ƒ 0,165 ƒ 0,110
waterdrukmachine ƒ 0,573 ƒ 0,250
stoommachine (100 pk) ƒ 0,051  

Het artikel van Hinkelmann is behalve om zijn technische informatie ook nog om een andere reden interessant. Hij begon zijn artikel namelijk als volgt: ‘Het is eene bekende zaak, dat met de ontwikkeling der stoomwerktuigen de centralisatie der industrie hand aan hand in omvang heeft toegenomen. In het algemeen genomen, kan dit echter niet als wenschelijk worden beschouwd; velen verloren hierdoor een meer of minder onafhankelijk bestaan en na langeren of korteren tijd vermeerderden zij achtereenvolgens het arbeidersproletariaat.’148. Hiermeelegde hij expliciet een verband tussen een gewenste verheffing van de ambachten en de ontwikkeling van kleine motoren.

Beide processen - het om ideologische en economische redenen gewenst achten van het verbeteren van de concurrentiepositie van de ambachtsstand en de ontwikkeling van krachtwerktuigen voor de kleine nijverheid - speelden al langer, maar werden nu met elkaar in verband gebracht. Technische ontwikkeling werd gebruikt om een maatschappelijke verandering te bewerkstelligen. Het verheffen van het ambacht door mechanisatie en rationalisatie lijkt op het eerste gezicht vreemd omdat dit immers ook de basis was van de industriële produktiewijze. Indien deze wapenen van de ‘vijand’ echter op kleine schaal toegepast zouden kunnen worden, konden negatieve effecten van het grootbedrijf worden vermeden.

De herleving van het ambacht naast de groot-industrie

Het verval van de ambachten

In een tijd dat het industrieel grootbedrijf en fabrieksarbeid de meeste publieke aandacht opeisten, werden in Nederland net als elders in Europa overtuigde pogingen ondernomen om ambacht en techniek te verzoenen. Hier gingen commerciële en staathuishoudkundige ideeën over het kleinbedrijf samen met een overtuiging die men als uiting van de Romantiek zou kunnen aanduiden. Voor Nederland kreeg deze laatste ideologie, die betrekking heeft op ambacht en techniek, nog een specifieke verkaveling volgens de scheidslijnen van de zogenaamde verzuiling.

De teloorgang van het Nederlandse kleinbedrijf was al aan het begin van de negentiende eeuw onderwerp van debat. Men wees vooral op de geringe kundigheden van de ambachtsman. Daar vermoedde men een oorzaak voor de sterke concurrentie die de vaderlandse nijverheid ondervond van producenten uit het buitenland: anderen boekten vooruitgang waar het kwaliteit betrof, en Nederland bleef achter. Het publiek reageerde daarop, zo zei men, door een voorkeur uit te spreken voor ‘vreemde’ waren. In de jaren veertig en vijftig kwam de kwestie van een onbegrijpelijke voorliefde bij consumenten voor niet-Nederlandse artikelen regelmatig ter sprake. De Maatschappij ter bevordering van Nijverheid wijdde er aandacht aan, het was te lezen in artikelen in De Gids, het probleem werd in het genootschap Felix Meritis besproken. Fabrikanten klaagden dat het publiek niet vatbaar was voor onomstotelijke bewijzen van de kwaliteit van vaderlands fabrikaat.

Zelfkritiek was er ook, want er werd erkend dat het in Nederland ontbrak aan mannen met een ‘goede smaak’ en aandacht voor de vooral esthetische kwaliteit van luxeprodukten. De oorzaak zocht men in het ontbreken van ambachtsonderwijs om die kwaliteitszin aan te wakkeren. Zowel de fabrikant als de kleine ambachtsman moest leren onderscheiden waarin hun onverkoopbare artikelen afweken van die veelgevraagde Engelse, Franse of Duitse waren. En vervolgens moesten zij leren om zelf dat niveau van werken en afwerken te bereiken. Als er niets werd ondernomen om de kwaliteit van het kleinbedrijf te stimuleren, zouden tienduizenden kleine ondernemers brodeloos worden en zou veel te veel Nederlands geld worden uitgegeven aan buitenlandse producenten.

Pijnlijk duidelijk werd het internationaal kwaliteitsniveau op de Wereldtentoonstellingen. Zoals al in hoofdstuk 1 is gezegd, werden die gelegenheden in sommige kringen te baat genomen om het peil van

[p. 166]



illustratie

In samenwerking met gasfabrieken brachten technische handelsbureaus en fabrikanten de nieuwe gasinotoren onder de aandacht van het publiek. Op diverse plaatsen in het land werden in de jaren tachtig en negentig aparte Tentoonstellingen van Gastoestellen georganiseerd. Zo waren er achtereenvolgens tentoonstellingen te Middelburg (1884), Dordrecht (1886), 's-Gravenhage (1887), Utrecht (1888) en Leeuwarden (1889). Op deze laatste tentoonstelling stond het technische handelsburean De Voogt met drie gasmotoren systeem Cycle-motor van de Britse uitvinder Atkinson. De prijzen voor een gasmotor liepen in die jaren uiteen van circa ƒ 900 voor een 1 pk motor tot bijna ƒ 2500 voor een 8 pk machine. De steun die gasfabrieken gaven aan de propaganda rond gasmotoren, is begrijpelijk omdat deze motoren juist overdag belangrijke afnemers zouden zijn van lichtgas, dat doorgaans alleen 's avonds werd verbruikt. De gasfabrieken leverden hun lichtgas overdag aan de eigenaars van motoren tegen een lagere prijs, het zogenaamde ‘krachtgas-tarief’.


de Nederlandse cultuur in het algemeen aan te tonen. In alle opzichten was dat lager dan het ooit geweest was.

Ambachtelijk kunnen en terugblikken naar een groots verleden waren rond het midden van de negentiende eeuw op een bijzondere manier verbonden. Naast de verering van moderne techniek en vooruitgang als elementen van (inter)nationale trots groeide de nostalgische aandacht voor de nationale cultuur. Wat betreft het schoonheidsgevoel bij de ambachtsman had Nederland veel verloren sinds de zeventiende eeuw. De vraag was echter welk bestaansrecht de ambachtelijke nijverheid nog had, nu het moderne grootbedrijf zo onstuitbaar in opmars was. Was het tij nog te keren, of zou men een maatschappij tegemoet gaan die door eenvormigheid en massaprodukten werd gekenmerkt? De culturele armoede van het fabriekswezen tastte de samenleving tot in haar wortels aan, vreesden sommigen. De arbeider-was daar het willoos verlengstuk van de machine en werkte niet voor zijn eigen eer maar voor de winzucht van fabrikanten en aandeelhouders.

Aan het eind van de negentiende eeuw had het thema aan belangstelling niet ingeboet. Integendeel het stond meer dan ooit in de aktualiteit. Hessel Louis Boersma (geb. 1846), directeur van de Haagse ambachtsschool en sterk voorstander van een ambachtelijke manier van produceren, formuleerde het in 1890 zo:

‘Sedert de uitvinding en verbreiding van het stoomwerktuig, sedert de reusachtige vorderingen van de natuurwetenschappen en hare toepassing op de nijverheid, inclusief het handwerk, hebben eensdeels de vele technische hulpmiddelen, waarover men thans beschikt, anderdeels de hieruit voortgevloeide veranderingen in de wijze van arbeiden den handwerksman in eene geheel andere, over het algemeen veel ongunstiger positie gebracht, dan hij vroeger ten opzichte van zijn handwerk innam’. Maar ‘...is de mechanische kracht werkelijk in dienst getreden van den handwerksman en bevorderlijk geworden

[p. 167]

aan de ontwikkeling zijner zelfstandigheid, dan zien wij een nieuw tijdperk van bloei voor de kleinindustrie en van welstand voor hare beoefenaars tegemoet’.149.

Zowel in Nederland, als in Engeland, Duitsland, Oostenrijk en België ontstond in de tweede helft van de negentiende eeuw een bredere beweging die de ambachtsnijverheid wilde stimuleren.150. Vanaf de jaren zestig schonken ook organisaties als de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, de Vereeniging tot bevordering van Fabrieks- en Handwerksnijverheid en de Maatschappij van Nijverheid meer aandacht aan het ambacht, terwijl ook de katholieke zogenaamde gezellenverenigingen teruggrepen op de ambachtelijke produktiewijze.

Vooral Boersma hield zich bij de Maatschappij van Nijverheid bezig met initiatieven op het gebied van versterking van de ambachtsstand. Hij vond dat de ambachtelijke nijverheid een prominentere plaats in de samenleving diende te hebben dan de industriële produktie. Ambachten verpersoonlijkten voor hem het individuele, terwijl de industrie juist het unieke vernietigde. De ambachtsman leverde kwaliteit, terwijl de groot-industrie slechts eenvormigheid produceerde. Hier was immers efficiency en concurrerend vermogen belangrijker, waardoor de arbeid zelf minder waarde werd toebedeeld. Dit gevaar liepen de ambachten echter ook, omdat door arbeidsdeling de kleinschalige nijverheid ook het verantwoordelijkheidsgevoel voor het produkt verloor.

De ‘veredeling van het ambacht’ was voor hem het antwoord op de sociale kwestie. Hierdoor zouden de arbeid en de arbeider de waarde terugkrijgen die ze verdienden.151. Slechts zó kon gehoor worden gegeven aan de strekking van een strofe uit een lied ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Maatschappij van Nijverheid in 1877:

 
‘Daal, O kunst tot uw zuster, de nijverheid, neer,
 
Om bij 't goede haar 't schoone te leeren!
 
Breng 't persoonlijk genie boven 't werktuig in eer,
 
Leer den geest boven het ijzer waardeeren!’152.

Een nieuwe rol voor de ambachten

Behalve het eigenbelang van de ambachtsman om te kunnen concurreren met de industrie, vonden sommigen ook dat de maatschappij als geheel hierbij belang had. Ambachtslieden maakten deel uit van de maatschappelijke middengroep en vormden hiermee een buffer tussen de sociale bovenlaag en het proletariaat: ‘De eigenlijke Nederlandsche burgerstand, de ambachtsstand zit tusschen die groote machten gekneld en leidt een kwijnend leven’.153. Deze gedachte was niet nieuw.

Naast deze maatschappelijke functie verpersoonlijkte de ambachtsman voor velen het ideaalbeeld van de arbeidende mens, omdat de kwaliteit van de arbeid zijn weerklank vond in de kwaliteit van het produkt. Het ambacht werd daarenboven door sommigen als typisch Nederlands gezien in tegenstelling tot het fabriekswezen. F.W. van Eeden schreef bijvoorbeeld in 1888: ‘De Nederlandsche Ambachtsstand was echt republikeinsch; het van elders ingevoerd Fabriekswezen is monarchaal. Men houde dit bij alle pogingen tot bevordering van onze nijverheid wel in het oog, en wete alzoo welke toestanden hier natuurlijk, welke hier vreemd zijn’.154. Hij pleitte dan ook voor ‘eene hernieuwde ontwikkeling van de oude kracht van het Nederlandsche volk, van den Ambachtsstand, van den stand waarin elk burger vrij en onafhankelijk werken kan en zijn bedrijf innig is verbonden aan zijn huiselijk leven’.155.

Dat de middenstand en het verdwijnen ervan een thema was dat in Nederland (en in ieder geval ook in Duitsland) in geëngageerde kringen omstreeks 1890 speelde, blijkt wel uit de publicatie van een rede van een Duitse econoom over dit onderwerp in het Sociaal weekblad. De Duitse staathuishoudkundige Heinrich Herkner (1863-1932) vond de tijdperken waarin een brede middenklasse bestond ‘organische, positieve, opbouwende tijdvakken in de geschiedenis der menschheid. Daarin ziet men een gelukkige vereeniging van arbeid en genot, van rechten en plichten, een open oog voor gezonden vooruitgang’.156. De schrijver was tegen het kunstmatig instandhouden van de middenstand, middels proeven van bekwaamheid of bescherming. Sprekend over Duitsland vroeg hij zich af: ‘Zijn wij rijk en krachtig genoeg om ons de weelde eener economische romantiek te veroorloven, om met zoo kostbare middelen een middenstand in 't leven te houden?’157. Ook zag hij niet alle heil in de ontwikkeling van de kleine krachtwerktuigen:

‘Zooals bekend is zijn ook van de zijde der technici pogingen aangewend om de wonden, die de vooruitgang der techniek aan de kleinindustrie heeft toegebracht, te heelen en wel door ook haar te laten deelen in eenige vruchten van dien vooruitgang. De samenstelling van goedkoope kleine motors heeft dan ook werkelijk een verwonderlijke vlucht genomen en door de toepassing van zulke motors zal menig klein en halfgroot bedrijf ongetwijfeld beter met de grootindustrie kunnen mededingen. Toch zou ik niet gaarne van de ruimere verbreiding van kleine krachtmachines zulke vérstrekkende verwachtingen koesteren als bijv. Reuleaux158. heeft gedaan’.159.

Volgens Herkner moest de versterking van de middenstand gestalte krijgen door het verheffen van grote groepen arbeiders uit de grootindustrie tot de-

[p. 168]



illustratie

Het maken van hoepels in de griendstreken van Nederland was in het begin van de 20e eeuw nog grotendeels handwerk, dat voornamelijk in de openlucht gebeurde, zoals hier te Sliedrecht. Het was zwaar werk en geschiedde vrijwel uitsluitend door mannen. Het hoepmaken gebeurde grotendeels buitenshuis, als seizoensarbeid. Lange werkdagen, van 's morgens zes uur tot 's avonds zeven uur, waren de regel.


ze stand. Andere oplossingen die in Nederland werden aangedragen om de middenstand te redden, waren het vormen van coöperaties160. en de stichting van een eigen politieke partij.161.

Het blijft speculeren over de vraag in hoeverre de technische ontwikkelingen op het gebied van kleine krachtwerktuigen vanaf circa 1860 de ideeën ten aanzien van de ambachtsstand mee vorm hebben gegeven. Feit is echter wel dat zij die de verheffing van het ambacht voorstonden, dankbaar gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheden die de techniek bood. Behalve door het verhogen van het artistieke peil van de ambachten door vakonderwijs hebben mensen als Boersma omstreeks 1900 getracht de rol van de ambachten in het economisch leven te versterken door het mechaniseren en rationaliseren van de ambachten.

De eerste methode werd bijvoorbeeld beoogd door de in 1898 opgerichte ‘Vereniging tot Veredeling van het Ambacht’.162. De Haagse vereniging van kunstindustriëlen ‘Arti et Industriae’ had hiertoe het initiatief genomen en in het bijzonder haar katholieke voorzitter, de architect J.J. van Nieukerken. In 1887 al had hij met een rede over het gildewezen gepleit voor een (vrijwillige) proeve van bekwaamheid voor ambachtslieden. Het afnemen van dergelijke proeven moest de voornaamste taak worden van de, na moeizame onderhandelingen met de Maatschappij van Nijverheid ruim tien jaar later gestichte ‘Vereniging tot Veredeling van het Ambacht’. De commissie die in het leven werd geroepen voor het instellen van de proeven van bekwaamheid, bestond uit J.F.W. Conrad, oudhoofdinspecteur van de Waterstaat en lid van de Tweede Kamer (voorzitter), P.J. van Houten, lid van het hoofdbestuur van de Maatschappij van Nijverheid (penningmeester) en Boersma (ondervoorzitter) en Van Nieukerken (secretaris).163.

De geëngageerde schilder Richard Nicolaas Roland Holst (1868-1938) geloofde niet in een ‘veredeling van het ambacht’, zoals hij liet blijken naar aanleiding van de oprichting van de vereniging:

‘De concurrentie heeft den ambachtsman alles afgenomen waarin de vreugde van zijn werk gelegen was; want die vreugde is het volbrengen van het kunde-eischende; zij heeft hem genoodzaakt tot haast allereerst, zij heeft hem gemaakt tot een ma-

[p. 169]

chine, voorzoover de machine al niet reeds het werk zijner handen doet. [...] Onze kapitalistische samenleving maakt iedere werkelijke herleving van het ambacht onmogelijk, en noch een vereeniging als deze, noch eenige talentvolle artiest-ambachtslieden kunnen tegen de bestaande vernietigende levensvoorwaarden in, hun idealen optrekken.’164.

Naar aanleiding van deze kritische noot van Roland Holst ontpopte zich een discussie in het socialistische tijdschrift De nieuwe tijd waarin velen zich mengden. De architect en commissielid van de Vereeniging ter veredeling van het ambacht, K. de Bazel, verdedigde de plannen,165. die ook door zijn katholieke collega P.J.H. Cuypers werden verwelkomd. Deze laatste had in 1896 gepleit voor een herinvoering van het gildewezen. De Franse revolutie had weliswaar een aantal misstanden afgeschaft maar tevens ‘eene volslagene desorganisatie gebracht in den ambachtsstand door de opheffing der gilden’.166.

J.F. Ankersmit, redakteur van De Kroniek, viel Roland Holst bij en introduceerde het begrip handwerk in de pennentwist: ‘het verdwijnen van het handwerk [staat] met teruggang van het ambacht gelijk. Het samengesteld werktuig, de machine die de hand vervangt, verdringt aldus de persoonlijke toets door de handwerksman aan het product gegeven. Hoe meer de machine te doen vindt, des te minder de ambachtsman. De prikkel tot de invoering der machine is de zucht naar winst en meer winst. Het middeleeuwsche handwerk kende die zucht nauwelijks.’ Het handwerk was gedoemd te verdwijnen en de ontwikkeling der industrie, waar arbeidsdeling en kostenbesparing inherent aan waren, noemde hij ‘onbedwingbaar’.167. Een ontwikkeling dus die loodrecht stond op de plannen van Boersma, Cuypers en De Bazel om van de arbeider weer een vakman te maken.

Laatstgenoemden hadden hun hoop - ijdele hoop volgens Ankersmit - gevestigd op een viertal grenzen aan een verdere industriële ontwikkeling. Ten eerste het feit dat de aard van sommige produkten vereiste dat de produktie niet al te ver weg kon plaatshebben. Ook kleinere plaatsen moesten deze goederen op kleine schaal produceren. Ten tweede geloofden zij erin dat de ‘individueele behoeften en wenschen der consumenten, waaraan de naar schemata werkende groot-industrie niet zou vermogen te voldoen’ het handwerk onontbeerlijk maakte. Ook zouden de ‘aesthetische eischen’ niet door de ‘ziellooze machine’ kunnen worden ingewilligd. Evenmin konden machines reparatiewerk uitvoeren.168. Ankersmits conclusie was echter dat er alleen van een veredeling van het ambacht sprake zou kunnen zijn indien ‘in stede van ten behoeve der voortbrengers en der leiders van de voortbrenging, ten behoeve der gebruikers geproduceerd wordt.’169. Curieus is dat in beide partijen de ideëen van William Morris - die Roland Holst in 1893 overigens in Londen had ontmoet170. - en de Arts and Crafts-beweging kunnen worden teruggevonden. Hadden Roland Holst en Ankersmit dezelfde socialistische denkbeelden als de Engelsman, zij kenden een volkomen afwijkende oplossing voor het probleem van de ontwortelde maatschappij. De remedie die Morris voorschreef voor de kwaal van de gedegenereerde arbeider, namelijk de veredeling van het ambacht, was wel conform de bedoelingen van Boersma en de zijnen; hen was een socialistische wereldvisie echter volkomen vreemd.171.

Engeland en België

In het verlengde van de Romantische techniekkritiek die wij eerder in dit hoofdstuk bespraken, ontstond in Engeland omstreeks 1860 de Arts and Crafts-beweging. Zij kan niet los gezien worden van een groeiend verlangen naar de eenvoud van een organische samenleving. De Verlichting met in haar spoor de industrialisatie had de maatschappij politiek, economisch en sociaal opnieuw ingedeeld. Sommigen verlangden terug naar ‘de goede oude tijd’. De middeleeuwen, waarin op het gebied van arbeid de gilden de dienst uitmaakten, werd voor hen het nieuwe romantische ideaal. Deze romantici streefden naar een homogene en organische maatschappij met vrije arbeidsvoorwaarden, waaraan een harmonisch en coherent wereldbeeld ten grondslag lag.172.

William Morris (1834-1896), William Richard Lethaby (1857-1931) en Charles Robert Ashbee (1863-1942) waren belangrijke vertegenwoordigers van de nieuwe beweging in Engeland. Hun vlucht van een geïndustrialiseerde samenleving naar een ‘menselijke’ maatschappij symboliseerde een andere kijk op arbeid en techniek en schiep een nieuwe stroming in de kunst(nijverheid). Arbeid was voor hen behalve een levensvoorwaarde, een doel op zich. Wel diende er onderscheid tussen verschillende vormen van arbeid te worden gemaakt. De Engelse romantische schrijver en historicus Thomas Carlyle (1795-1881), die sterk door de Duitse romantici was beïnvloed173., had nog geschreven: ‘all work, even cotton-spinning, is noble; work is alone noble’.

John Ruskin (1819-1900), een andere romantische voorloper van de beweging, onderscheidde al goede en slechte arbeid. Morris ging verder en verdeelde de arbeid in drie typen die hij a ‘mechanical toil’, b ‘intelligent work’ en c ‘imaginative work’ noemde. ‘Mechanical toil’ was slechts het mechanisch produceren, waarbij winstmaximalisering voor de werkgever het enige doel was. Bij intelligente arbeid daarentegen kwam het individuele van de arbeider

[p. 170]

en dus de waarde van de arbeid naar boven. ‘Imaginative work’ was in zijn visie de hoogste vorm van arbeid, waarbij de individuele schepping van de arbeider tot kunst werd verheven. Met deze laatste vorm van werk was de hoogste graad van civilisatie bereikt.174.

Conform de visies op arbeid ontwikkelden de voorlieden van de Arts and Crafts-beweging een visie op techniek en mechanisatie. Augustus Welby Northmore Pugin, een voorloper van de beweging, was nog gematigd negatief. De machine kon in zijn optiek kosten en tijd besparen, waardoor de arbeider meer met het creatieve aspect van zijn werk bezig kon zijn. De machine mocht echter onder geen beding in het artistieke deel van het ‘produktieproces’ binnendringen.

Ruskin daarentegen stelde zich onverbiddelijk op tegen de machine. Hij maakte een onderscheid tussen drie typen energie: a lichaamskracht (‘vital’), b water- en windkracht (‘natural’) en c kunstmatige energie (‘artificial’). Voor hem waren slechts de eerste twee vormen van energie geoorloofd als aandrijving om mechanisch te produceren. Het gebruik van het derde type energie leidde tot aantasting van de zuiverheid van lucht en water en dus tot aantasting van de menselijke gezondheid. Daarenboven veroorzaakte het luiheid en ijdelheid en tastte het de menselijke creativiteit aan. ‘Gunpowder and steamhammers are toys of the insane and paralytic’, oordeelde hij en machines ‘will not enable [people] to live better than they did before (...) No machines will increase the possibilities of life.’175.

William Morris' visie op machines maakte in de jaren zeventig en tachtig een ontwikkeling door van nagenoeg volkomen negatief - de machine als producent van overbodige zaken; machinewerk is onintelligent; de arbeider als slaaf van de machine; de vernietiging van de handwerkstradities - naar een meer gematigde houding. In 1888 was hij van oordeel dat machines de arbeid lichter konden maken en een verbetering van de levenskwaliteit van de arbeiders konden betekenen. De machine kon een zeker nut hebben. Dit nut had ze nu echter niet, omdat ze misbruikt werd door het naar winst strevende kapitalisme, dat haar slechts gebruikte om arbeidsdeling en daarmee kostenbesparing te bewerkstelligen. De machine zelf was niet verkeerd, ze werd slechts verkeerd aangewend. Hoewel hij zijn houding dus matigde, bleef hij zeer sceptisch staan tegenover het gebruik van machines. Machines konden immers geen kunst scheppen, de hoogste trede van arbeid en civilisatie.176. In 1897 schreef hij dat machines ‘...gewoonlijk zeer volmaakte werkstukken [waren], verwonderlijk juist ingericht voor het gewilde doel...’, maar wel aangewend ‘voor de produktie van-onnoemelijke getallen waardelooze prullen’.177.

In het overwegend katholieke België had omstreeks het midden van de vorige eeuw een katholiek réveil plaatsgevonden. Een verdieping van de religie gevolgd door de oprichting van een scala van organisaties waren voor conservatieve katholieken de remedie tegen een toenemende verwereldlijking en het opkomend socialisme. Zij wilden terug naar de hiërarchisch geordende maatschappij van het ancien regime. De ideeën van Pugin hadden in België, steviger dan waar ook op het vasteland, ingang gevonden. Hier gingen romantiek, nationalisme en katholiek réveil hand in hand. De kunstenaar Jean Baptiste Bethune (1821-1894) introduceerde Pugins kunsthistorische denkbeelden in de Belgische katholiek-ultramontaanse beweging.178. Ook had hij contact met andere Europese voorlieden van de neogotische beweging, waaronder de Nederlander J. Alberdingk Thijm.

In het licht hiervan moet de oprichting van de Sint-Lucasschool te Gent in 1862 worden gezien. Samen met de Gentse katoenfabrikant Joseph de Hemptinne (1822-1909) en de broeder Marès-Joseph (1838-1914) stond Bethune aan de wieg van het Sint-Lucasonderwijs. Aan de scholen stond een combinatie van het vak-, kunst- en (katholiek) godsdienstonderwijs centraal. In de rest van de eeuw werden nog tal van Sint-Lucasscholen in België opgericht, waaraan een grote groep architecten, kunstenaars en ambachtslieden een opleiding kregen.179.

Nederland en de Arts and Crafts-beweging

De Nederlandse kunstnijverheidsbeweging was aanvankelijk via België met de ideëen van de Arts and Crafts-beweging bekend geraakt. De Belgische kunstenaar Henry van de Velde (1863-1957), de kunstenaarsvereniging Les xx en een aantal avant-gardetijdschriften als l'Art moderne en La Société Nouvelle vervulden hierin een belangrijke rol. In 1894 verscheen Kunst en Samenleving van de Arts and Crafts-kunstenaar Walter Crane (1845-1915) in een Nederlandse vertaling. Ook van Ruskin en Morris verschenen er, zij het wat later, vertaalde uitgaven. De socialistische periodieken De Kroniek en De Nieuwe Tijd180. besteedden vanaf de oprichting (in respectievelijk 1895 en 1896) regelmatig aandacht aan de Engelse beweging en haar voorlieden.181. Opvallend is dat de nogal compromisloze kritiek op machines van de Engelsen door hun geestverwanten op het vasteland niet werd overgenomen. Van de Velde wees erop dat het niet-gebruiken van machines de kunst duur en dus elitair maakte, wat niet strookte met de socialistische ideëen. Henriëtte Roland Holst schreef in 1897/98 over Morris:

‘De machine was voor hem de indringster die met handen van staal en armen van ijzer gewapend alle

[p. 171]



illustratie
De Tilburgse wollenstoffenfabrikant Christiaan Mommers (met hoed), temidden van zijn voorlieden, 1889. De voorlieden zijn voor deze gelegenheid op hun best uitgedost, inclusief horloge met ketting. Waarschijnlijk draagt alleen het kantoorpersoneel schoenen in plaats van klompen. De werkbazen in het bedrijf, op de achterste rij, zijn minder deftig gekleed, maar herkenbaar aan de arbeidsattributen die zij vasthouden, zoals spoel, ruwlat en meetlat. Mommers was zelf opgeklommen van werkman tot fabrikant. In 1861 was hij met een fabriekje zonder stoomkracht begonnen, dat zich allengs uitbreidde. In 1875 liet hij een stoomweeffabriek oprichten. Hierin waren 100 arbeiders werkzaam, maar Mommers had daamaast ook nog 50 thuiswerkers in dienst.


persoonlijke vrijheid en schoonheid uit den arbeid verjaagd had en door doodsche eentoonigheid vervangen; hij heeft nooit als grondtoon in de dreunende rytme der machines de mogelijkheid eener hoogere maatschappelijke orde gehoord. Zijn haat tegen de bourgeois-beschaving droeg hij over op de werktuigen die haar schiepen, als een nevel stond die tusschen hem en de voorstelling der toekomst; zij belette hem de voortdurende omwenteling in de productie te voelen als de innerlijke drijfveer van vooruitgang. In dit eene opzicht bereikte hij niet 't hart van het wetenschappelijk socialisme, niet als bij Marx ontsloot de hedendaagsche werkelijkheid hem de toekomst: hij beeldde haar naar zijn eigen voorkeur, niet als idealist, maar als utopist’.182.

Ook F. van der Goes bekritiseerde het gemak waarmee de Engelse kunstenaars-socialisten de weg naar de socialistische heilstaat beoordeelden. Een simpele terugblik naar het verleden van vóór de industriële revolutie was geen kijkje in het paradijs. Het kapitalisme was een voorwaarde voor een betere toekomst. De kapitalist had de machine misbruikt. Aan dit misbruik moest een einde worden gemaakt.

 

De Vereniging tot Veredeling van het Ambacht, die aan de proefafleggingen intussen haar voornaamste betekenis ontleende, had slechts beperkt succes door het gering blijven van de afgenomen proeven. De rol van de Vereniging in de opwaardering van het ambacht was na 1900 uitgespeeld.183. Juist na de eeuwwisseling zou de tweede methode (de mechanisering van de kleine nijverheid) een extra impuls krijgen. De kleine machines waren beter, goedkoper in aanschaf en goedkoper in gebruik geworden. Vooral de sterk verbeterde elektrische motoren boden nieuwe mogelijkheden om de ambachten te mechaniseren.

Het waren omstreeks 1900 echter de confessionelen die de voortrekkersrol met betrekking tot de verheffing van de ambachten van de liberale overnamen. Het versterken van de middenstand was hun voornaamste doel. De (katholieke) Hanzebode schreef in 1909: ‘In menig artikel hebben wij er

[p. 172]

reeds voor jaren opgewezen, dat de middenstands-bedrijven door de electrische beweegkracht weer tot bloei kunnen gebracht worden. De stoom, zoo schreven wij, dreef de menschen naar de fabriek, de electrische strooming zal ze weer eruit drijven naar de eigen werkplaats.’184.

In dit artikel werd verwezen naar Von Hertlings Naturrecht und Sozialpolitik uit 1893 (in 1905 in een Nederlandse vertaling uitgekomen met een voorwoord van dr. Nolens), waarin de schrijver op de nieuwe mogelijkheden voor de kleine bedrijven had gewezen. Als voorwaarde voor een succesvolle kleinschalige nijverheid stelde hij ‘...dat de kleinindustrie zich zoveel mogelijk den vooruitgang der moderne techniek eigen moest maken.’ De voortuitgang binnen de electrotechniek maakte een ‘decentralisatie’ van de industrie mogelijk en dit zou blijken ‘het probaatste middel te zijn om een einde te maken aan de maatschappelijke misstanden, die in onzen tijd met de ontwikkeling der industrieele productie gepaard gaan. De opeenhoping van arbeiders in enkele centra van industrie zou verminderen, de crises, die door de slingeringen van de wereldmarkt plegen uit te breken, zouden ophouden of ten minste aanmerkelijk beperkt worden, terwijl ieder der kleine bedrijven slechts voor een beperkt en daarom gemakkelijk te overzien marktgebied zou werken, en derhalve zonder moeite rekening zou kunnen houden met de behoeften.’185.

De zuilen en de techniek186.

De techniek-kritiek die aan het eind van de eeuw in protestants-christelijke kring werd verwoord, had wortels in de Réveil-beweging, die reeds voor 1850 vraagtekens had geplaatst bij de richting van het moderniseringsproces. Deze beweging kan worden gezien als de belangrijkste vertegenwoordiger van de Romantiek in Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw. Gezien de lage industrialisatiegraad van het land was het niet verwonderlijk, dat van een Nederlandse Romantische techniek-kritiek nauwelijks sprake was. Isaäc da Costa benaderde met een aantal van zijn gedichten de buitenlandse Romantische techniek-kritici nog het meest. Mensen als Willem de Clercq en andere prominente Réveil-aanhangers waren zeker geen warme pleitbezorgers van het fabriekssysteem maar kunnen toch moeilijk op één lijn gesteld worden met bijvoorbeeld Adam Müller, die in Duitsland een contra-revolutie predikte en honderd jaar terug in de tijd wilde.

In de politiek werd de stem van het Réveil vertolkt door mr. Guillaume Groen van Prinsterer (1801-1876). Vanaf omstreeks 1825 tot aan zijn dood had hij geagiteerd tegen de sociale misstanden die door de groot-industrie werden veroorzaakt.187. Abraham Kuyper was de opvolger van Groen als de voorman van de protestants-christelijke beweging in Nederland.188. Vanaf 1879 werd hij voorzitter van de door hem opgerichte Antirevolutionaire Partij. In een reactie op het opkomend socialisme bood hij een christelijk-sociaal alternatief. Zijn ‘socialistische heilstaat’ bestond uit een ‘van God gewilde gemeenschap, een levend menselijk organisme’.189.

Kuyper is voor ons doel vooral interessant omdat hij veel over techniek heeft geschreven. Zijn opvattingen over technische ontwikkeling veranderden in de loop van zijn leven. Aanvankelijk stond hij bijzonder sceptisch tegenover nieuwe technische verworvenheden. In 1869 schreef hij bijvoorbeeld dat ‘een ijzeren stoomwerktuig (...) de rijke schakeering weg [neemt] die weleer aan elk bedrijf, aan elken tak van nijverheid iets bekoorlijks gaf’.190. Later, vanaf de jaren negentig, werd zijn houding positiever. ‘Beschaving, verlichting, ontwikkeling en vooruitgang zijn niet uit den Booze, maar uit God, en van den Booze is alleen de verkeerde, onzedelijke en goddeloze aanwending ervan...’191.

Deze meer positieve houding valt te verklaren aan de hand van zijn visie op de schepping. De mensheid had de opdracht gekregen de paradijselijke natuur te overheersen. Na de zondeval was hiertoe de hulp van God nodig, die door het verlenen van een ‘gemene gratie’ het kwaad (de vijandige natuur) temperde. De mens kon nu (en moest nu) met gebruikmaking van hulpmiddelen de natuur beheersen. De mens diende de natuur te vervolmaken of, zoals hij het in 1891 uitdrukte: ‘we zijn met onze eigen menschelijke natuur in de natuur om ons geplaatst, niet om die natuur te laten voor wat ze is, maar met een aandrift en roeping in ons, om door menschelijke kunst op die natuur in te werken, haar te veredelen en te volmaken’.192. Technische ontwikkeling was voor hem ‘het ontdekken en ontwikkelen van de mogelijkheden die God in de Schepping heeft gelegd.’193.

De komst van Christus had er bovendien voor gezorgd dat er een particuliere gratie werd geschonken aan de Christenen die het bijgeloof hadden afgezworen. Hierdoor was de voorsprong in technisch opzicht van de Westerse (Christelijke) wereld te verklaren. Deze positieve houding ten aanzien van techniek ging bij Kuyper overigens wel gepaard met een negatieve visie op de geestelijke en maatschappelijke positie van de mens. De mensen werden onafhankelijker, individueler en raakten van God los. Technische ontwikkeling zou door deze negatieve aspecten dan ook niet leiden tot een nieuwe paradijselijke toestand.194.

Gelovigen, oordeelde de oudere Kuyper, moesten gebruik maken van moderne technieken, omdat het verder ontwikkelen daarvan een goddelijke op-

[p. 173]



illustratie

Veel planmatige aanpak was bij de meeste uitbreidingen van een snelgroeiende fabrieksplaats als Tilburg niet te bespeuren. De enorme vraag naar woonruimte gaf aanleiding tot allerlei speculatiebouw. Investeerders zetten dan in de nabijheid der fabrieken rijen huizen neer, met niet meer dan een voor- en een achtervertrek en een zolder. Uit deze opname uit 1913 van een dergelijke rij arbeiderswoningen aan de Bosscheweg spreekt niet direct een voorbeeldige staat van onderhoud. Een enkele lantaarn is wel voldoende om in deze duisternis licht te brengen. De fabrieksschoorsteen torende hoog boven de daken uit.


dracht was.195. Zijn volgelingen hebben deze raad ter harte genomen, zo lijkt het. Gereformeerden hebben zich van andere groepen onderscheiden, doordat ze een sterke gedrevenheid toonden om vooruit te komen in de maatschappij, mede door een ‘opvallende geneigdheid tot het toepassen van moderne technieken’. Zo gingen gereformeerde boeren sneller over tot landbouwrationalisering (o.a. het gebruik van kunstmest) dan andere orthodox-protestantse boeren.196.

Kuypers religieuze en politieke achterban waren de bekende ‘kleine luyden’: boeren, kleine ambachtslieden, winkeliers en een groep arbeiders. In hoeverre zijn aanhangers de positieve ideeën van Kuyper over techniek deelden, is moeilijk vast te stellen. Vast staat dat het geen gemeengoed was onder de orthodox-protestanten. Tegenover de groep gereformeerden die Kuyper volgde en door het gebruik van nieuwe technieken hogerop wilde komen in de maatschappij, stond een aanzienlijke groep orthodox-protestanten, die wars was van de ‘moderne wereld’ en nieuwe technieken.197.

De katholieke houding tegenover techniek kan circa 1890 als ambivalent worden getypeerd. Het katholieke volksdeel had zich pas in de loop van de vorige eeuw uit een minderheidspositie weten op te werken. Deze emancipatiebeweging van de eigen groep heeft er ongetwijfeld toe geleid, dat andere maatschappelijk problemen aanvankelijk nauwelijks een ‘eigen’ oplossing kregen. Een uitzondering op deze regel moet gemaakt worden voor Josephus Albertus Alberdingk Thijm (1820-1889), een Amsterdamse katholiek.198.

In Thijm kreeg de Romantiek in Nederland ook een katholiek tintje. Hij was een bewonderaar van de middeleeuwen en de toen bestaande katholieke ideeënwereld, en hij pleitte voor een herwaardering van de gotiek in de bouwkunst.199. Wat Thijm onder gotiek verstond, wordt duidelijk in een artikel van zijn hand, gepubliceerd in de Dietsche Warande, waarvan hij de hoofdredacteur was. Voor ons is een specifieke zinsnede met name van belang, omdat het behalve zijn kunstopvatting, ook zijn kijk op de moderne produktie verwoordde. Hij verwierp ‘alle

[p. 174]

eentonigheid, eenvormigheid, fabriekmatig afgietsel van een beperkt en voor plaatselijke behoeften ontworpen voorbeeld.’200.

Een jaar eerder al had hij in hetzelfde tijdschrift de predikant Johan Herman Gunning jr. (1829-1905) geciteerd, die in de Vaderlandsche Letteroefeningen van 1856 tegen de ‘richting des tijds’ van leer was getrokken. De tijdgeest die ‘uitsluitende belangstelling in het dagelijk-nuttige en tastbare, die ons in hare ontwikkeling eene egoïstische, harde maatschappij belooft, waarin de stelling van Hobbes [...] eene toepassing vindt: “oorlog van allen, tegen allen.” Kortom, wij bedoelen die geestelijke industrie, welke de maatschappij naar haren beelde en hare gelijkenis dreigt te vormen - bruikbaar als een fabrijkprodukt, maar gevoelloos als eene machine.’

Gunning was overigens ‘geenszins zoo kortzichtig en ondankbaar [...] om de industrie zelve, de reusachtige ontwikkelingen der natuurwetenschap en der industriële kunstvaardigheid, met al hare ontelbare weldaden, dien zegen en trots van onzen tijd, hiermede te willen beledigen of miskennen’. Hij ageerde slechts tegen het ‘ten troon verheffen der industrie, in hare tegenstelling tegen al wat ideaal en geestelijk is’.201. Hiermee was Thijm het ‘op zoo veele punten en in zulke mate eens’202. dat hij een gedeelte van het artikel in zijn eigen tijdschrift overnam.

Was Alberdingk Thijm aanvankelijk een van de weinige katholieken die een uitgesproken mening verwoordde over het moderniseringsproces, tegen het einde van de eeuw veranderde dit. De ‘sociale quaestie’ en alles wat daarmee samenhing werd toen ook een katholieke kwestie. Technische verworvenheden als de trein, het stoomschip, de telegraaf of de ballonvaart werden positief beoordeeld. De clerus was echter wars van de industriële produktiewijze. De arbeidsverhoudingen in de fabrieken stonden ver af van het ideaalbeeld dat ondernemers hun bedrijf moesten besturen als de vaders van een gezin, waarin de arbeiders de kinderen vertegenwoordigden.

‘Een menschlievend arbeidgever rekent de arbeider als in zekeren zin behoorende tot zijn huisgezin, als zijne huisgenoten,’ schreef de Castricumse pastoor en voormalig docent op het kleinseminarie te Hageveld, H.J.H. Russcheblatt, in het tijdschrift De Katholiek. Deze houding was bij ondernemers echter vaak ver te zoeken. ‘Stellen wij nu, (...) in plaats van den heidensche slavenhouder een fabrikant, een groothandelaar, een arbeidgever in het algemeen, en in plaats van den slaaf van vroegere tijden, den werkman of arbeider uit onze groote steden of in groote industriële ondernemingen bezig. Niemand zal deze vergelijking kunnen misbillijken: of wordt niet dikwijls, en te regt, in onzen tijd gesproken van de moderne slaven des kapitaals, der industrie?’ In de fabriek had arbeid geen hoger doel, zoals in de ambachtsnijverheid waar het werk de werkman ‘geestelijk vervolmaakte’. Nee, in fabrieken was de arbeider volkomen beroofd van dit geestelijk element dat aan de arbeid kleefde. Slechts de rust van de zondag ‘verheft zijn geest boven het gewone machinewerk en hij gevoelt zich wederom mensch, redelijk wezen’. De verhouding tussen patroon en arbeider in moderne fabrieken, werd bovendien als onchristelijk gezien.203.

De ‘zelfzucht’ van ‘onzen tijd’ was volgens de schrijver de hoofdzonde op sociaal gebied. Hierdoor werden de arbeiders ‘gedwongen (...) hunne krachten en hun zweet als koopwaar voor een spotprijs te verhuren of te verkoopen, als zij met hun huisgezin niet dak- en broodeloos willen worden’. Om de sociale kwestie op te lossen werden zowel van de arbeider als de werkgever inspanningen gevraagd. De arbeider diende trouw te zijn en ‘zijn meester niet in het minste willen tekort doen, den meester aan wien hij verbonden is niet alleen door den pligt der dankbaarheid, daar deze hem het werk geeft en zóó in zijn onderhoud helpt voorzien, maar ook door den eisch der regtvaardigheid, dewijl hij het geldelijk loon ontvangt voor arbeid en afgedaan werk’. Dit loon diende voldoende te zijn opdat de arbeider zijn gezin kon onderhouden, zodat zijn vrouw en kinderen niet hoefden mee te werken; ‘vooral is het gezegde van volle toepassing op de getrouwde vrouw. Deze is eigenlijk geen vrouw meer, als zij haar bijzonder beroep, het huishouden, niet bezorgt’. Ook jegens de gezondheid van de arbeider had de werkgever plichten. Al met al moest de arbeider ‘...uit zijne verlaging opgeheven worden en leeren begrijpen dat hij mensch, geen machine, dat hij redelijk wezen, geen lastdragend dier is. In den tegenwoordigen maatschappelijke toestand is hij diep gezonken, en wie hem het bijna uitgedoofde bewustzijn van zijne menschelijke waardigheid poogt terug te geven, is voor hem een reddende engel en behartigt op de beste wijze ook zijn maatschappelijk bestaan (...) Daarom eerst de arbeider volgens Gods leer en openbaring tot denkend mensch, vooral tot praktiesch christen vormen, en dan op die beginselen voortbouwen - daarin ligt de oplossing der quaestie.’

De ambachtelijke kleinbedrijven dreigden door de grootschalige industrie te worden weggeconcurreerd. Niet alleen verdween hierdoor de natuurlijke relatie in de onderneming tussen patroon en arbeider maar ook de maatschappij zou zo een noodzakelijk element verliezen: de middengroep. De profetie van de socialisten leek uit te komen: een polarisatie in de maatschappij met de bezitters aan de ene en de bezitlozen aan de andere kant. De in Nederland in 1868 voor het eerst opgerichte katholieke gezellenverenigingen wilde beide ongewenste

[p. 175]

effecten van de groot-industrie bestrijden. Deze corporaties, met Jozef als beschermheilige, waren in 1846 in Duitsland ontstaan door toedoen van de priester Adolf Kolping. Ze hadden het doel ‘de gelovige arbeiders op te nemen in een voorstellings-wereld, die geheel buiten en tegenover de harde werkelijkheid van de industrialiserende samenleving stond en hen daardoor voor de invloed van die wereld ongevoelig te maken’. Verder wilde men ‘de ambachtsstand in zijn strijd tegen de grote industrie (steunen), vooral door middel van vakopleiding en het aankweken van een weerbare, zelfbewuste mentaliteit’.204. Door de arbeider zo van de grote boze wereld af te schermen, werd getracht de nadelige invloeden van de modernisering te beperken.

Belangrijk en in zekere zin ook een keerpunt in de visie van het katholieke volksdeel op technische ontwikkeling aan het einde van de eeuw waren twee stromingen binnen het katholicisme, die in de vorm van encyclieken een grote betekenis kregen. In 1879 verscheen de encycliek Aeterni Patris van paus Leo xiii. Hierin stipuleerde hij dat verkeerde opvattingen maatschappelijke misstanden veroorzaakten. De goede opvattingen nu waren volgens de paus de ideeën van Thomas van Aquino en hij beijverde zich dan ook om deze tot gemeengoed in de katholieke kerk te maken. Het thomisme, zoals de stroming zou worden genoemd, groeide door toedoen van Leo xiii uit tot een belangrijke richting binnen de katholieke kerk. Het thomisme is voor ons van belang omdat het techniek en technische ontwikkeling positief beoordeelde. De Schepper zelf was immers een ambachtsman en daarmee het begin van de technische ontwikkeling. Het verstand, dat een afspiegeling was van Gods intelligentie, gaf de mens het vermogen tot creëren. De mens moest met behulp van zijn gekregen verstand werken en produceren. Nieuwe technieken en gerationaliseerde arbeidsmethoden waren niet alleen acceptabel maar bovenal gewenst.205.

De andere stroming die aan het einde van de vorige eeuw binnen de katholieke kerk in Nederland aan betekenis won, kan als sociaal-katholicisme worden getypeerd. De angst dat grote groepen katholieke arbeiders zich tot het socialisme zouden bekeren, noodzaakte de katholieke top zich een mening over de sociale kwestie te vormen. Deze opvattingen werden verwoord in de encycliek Rerum Novarum uit 1891. Paus Leo xiii maakte hierin duidelijk dat de sociale kwestie een katholiek antwoord nodig had. Het moderniseringsproces kon en behoefde niet gestopt te worden, maar het moest in goede, katholieke banen geleid worden. Sociale ongelijkheid was een natuurlijk gegeven maar de excessen moesten worden bestreden. De overheid had hierin een taak door wettelijke maatregelen te treffen die de arbeiders beschermden. De arbeiders zelf konden hun positie verbeteren door het vormen van vakverenigingen.

Beide stromingen - thomisme en sociaal-katholicisme - waren niet nieuw maar namen in Nederland door een combinatie van factoren pas in de jaren tachtig aan betekenis toe.206. De overwinning van de confessionelen in de schoolstrijd in 1889 was een belangrijk breekpunt en bood ruimte voor de aanpak van andere maatschappelijke problemen. Kenmerkend is bijvoorbeeld het feit dat naast priesters katholieke wetenschappers vaker de inhoud gingen bepalen van katholieke opiniebladen als Studiën en De Katholiek. De pauselijke brieven uit 1879 en 1891 vormden in dit proces van heroriëntering de rol van katalysator. In het laatste decennium van de negentiende eeuw waren beide stromingen ook in Nederland toonaangevend binnen de katholieke kerk ten aanzien van de maatschappelijke betekenis van techniek en arbeid.

 

De visie die vooraanstaande socialisten ten aanzien van technische ontwikkeling ten toon spreidden, was evenmin negatief. Niet de machine bezorgde de arbeiders immers een zwaar leven, maar de kapitalist. Het kapitalisme had de technische ontwikkeling echter misbruikt.207. De arbeiders zouden zich op den duur de machinerie gaan toeëigenen, waardoor de negatieve gevolgen van de technische ontwikkeling tot het verleden gingen behoren.208.

Als geen ander ontwikkelde Karl Marx in de negentiende eeuw een filosofie over technische ontwikkeling. In 1898 verscheen er in De Nieuwe Tijd een Nederlandse vertaling van de hand van J.F. Ankersmit van Karl Kautsky's en Eduard Bernsteins populaire bewerking van Marx' Das Kapital. Veel aandacht werd besteed aan de opvattingen van Marx over technische ontwikkeling en de betekenis van mechanisatie.

Das Kapital citerend schreef Kautsky ‘Alle ontwikkelde machinerie bestaat uit drie geheel verschillende deelen: de bewegingsmachine, het overbrengingsmechanisme, eindelijk de werktuigmachine of arbeidsmachine’.209. De industriële revolutie was in de achttiende eeuw van start gegaan met de ontwikkeling van de werktuigmachines. ‘Om deze volkomen te benuttigen was een krachtiger, regelmatiger werkende drijfkracht noodig dan de tot dusver voorhandene. De mens is een zeer onvolkomen werktuig voor ononderbroken en gelijkvormige beweging en bovendien te zwak.’ Hierdoor werden bewegings- en overbrengingsmachines ontwikkeld en verbeterd. Kosten- en tijdsbesparing, schaalvergroting, aanwending van ander materiaal en de toenemende vervlechting van diverse industrietakken, deden het handwerk langzamerhand verdwijnen. Voor de arbeider had dit afhankelijkheid tot gevolg. ‘In de manufactuur was de arbeidsdeling nog voor-

[p. 176]



illustratie

Met name in de grotere plaatsen van het land kwam in de tweede helft van de negentiende eeuw door particulier initiatief, soms ondersteund van gemeentewege, de zorg voor de huisvesting der arbeiders op. Dit gebeurde meestal in de vorm van woningcorporaties, gevormd uit leden der burgerij die door hun financiële inzet de bouw van goede arbeiderswoningen mogelijk maakten, zoals hier te Leiden, in 1895. Deze naar de toenmalige maatstaven riante woningen staan nog steeds aan de Herenstraat.


[p. 177]

namelijk subjectief, elk afzonderlijk proces was aangepast aan de persoon van den arbeider; in het machinestelsel bezit de groote industrie een volkomen objectief voortbrengings-organisme, dat als afgerond geheel tegenover den arbeider komt te staan en waaraan deze zich dus heeft aan te passen. De samenwerking, het verdringen van de afzonderlijkstaande arbeider door den in-een-geheel sluitende, is niet meer toevallig, doch een door de aard van het arbeidsmiddel voorgeschreven technische noodzaak.’210.

De machine, die door Marx in wezen ‘het geweldige middel tot vervanging van arbeid en arbeiders werd genoemd’, werd echter ‘een middel om het aantal der loonarbeiders te vermeerderen door alle leden van het arbeidersgezin, zonder onderscheid van geslacht en ouderdom, in te lijven onder de onmiddelijke heerschappij van het kapitaal (...) Vrouwenen kinderarbeid was het eerste woord van de kapitalistische aanwending der machinerie!’211. Stond in de manufactuur het werktuig nog de arbeider ten dienste, in de fabriek diende de arbeider de machine. Hij werd een ‘levend aanhangsel’ van een onafhankelijk van hem bestaan dood mechanisme.

De Nederlandse socialistische opvattingen over techniek weken niet af van de toenmalige leidende opinie binnen het marxisme. Domela Nieuwenhuis bijvoorbeeld vond dat de zegen die de machinerie voor de arbeider had kunnen zijn, in de handen van de kapitalist een vloek was geworden. In Recht voor allen van 1894 werd dan ook de oproep gedaan: ‘werklieden, strijdt niet tegen de machines, maar tegen de bezitters van de machines’. De strijd tegen machinerie, zoals van de Rotterdamse havenarbeiders tegen nieuwe graanelevatoren, werd door vooraanstaande socialisten als Gorter en Nieuwenhuis als onjuist beoordeeld. De machine was niet de vijand maar de kapitalist.

Voor de gevolgen van de toepassing van nieuwe technieken voor de kwaliteit van de arbeid waren de socialisten niet blind. Kautsky kritiseerde bijvoorbeeld Proudhon, die de machine zag als ‘een protest van de genius der industrie tegen den verbrokkelden en menschenmoordende arbeid’. Kautsky oordeelde dat voor de arbeider de ‘hulpelooze afhankelijkheid van het fabrieksgeheel’ alleen maar was toegenomen; ‘Zijn arbeid wordt van allen geestelijken inhoud beroofd en is nog slechts een mechanisch, zenuwverwoestend afjakkeren.’ Daarbij kwam nog dat de machinerie in handen van de kapitalist een ‘opvoedende werking’ had, omdat de aanwending van machines een verregaande discipline op de werkplek vereiste. De arbeider werd onderworpen aan een fabrieksreglement dat was opgesteld onder een ‘absolute alleenheerschappij van den ondernemer.’212.

De vraag naar de kwaliteit van de arbeid in een socialistische samenleving, als de allenheerschappij van de ondernemer dus was afgeschaft, stond onder de Nederlandse socialisten niet ter discussie. Nadelen voor het werk van de arbeider, zoals afstomping, een vervreemdende werking door arbeidsdeling en dergelijke, werd niet door de nieuwe technieken veroorzaakt maar door de kapitalistische toepassing van de technieken. Henriëtte Roland Holst verweet William Morris bijvoorbeeld dat hij geen positieve grondtoon in het dreunen van de machines hoorde.213. Als het kapitalisme maar eenmaal was afgeschaft, zouden de zegeningen van de techniek ook de arbeiders ten deel vallen. De anarchist Kropotkin zag al omstreeks 1890 dat de machine hier en daar bevrijdend voor de arbeider ging werken. Er waren al fabrieken aan te wijzen, die voortreffelijk waren ingericht; geen lawaai- en stankoverlast, zuiver en licht, zodat het een genoegen moest zijn, daar te mogen werken (zij het niet langer dan vier uur daags en slechts als de arbeidstaken rouleerden).

Overigens voorzag hij nog een opmerkelijke verbetering: de machine zou ook driekwart van de taken van de huisvrouw gaan overnemen.214.

Nederlandse socialisten als Van der Goes en Wibaut waren minder optimistisch. In 1911 nog bespraken zij het proefschrift van de Delftse ingenieur Theo van der Waerden. Deze had cijfermatig de socialistische visie onderbouwd dat de arbeider in de meeste grote industrieën steeds minder geschoold behoefde te zijn.215. Van der Goes216. en Wibaut217. verweten de schrijver te weinig oog te hebben voor het achterliggende systeem van arbeidsdeling en mechanisatie: het kapitalisme. Hierin school de wortel van al het kwaad; was dit eenmaal overwonnen, dan konden utopieën als van Kropotkin werkelijkheid worden.

Techniek niet ter discussie

Nog voordat zich ingrijpende technische veranderingen hadden voltrokken, werd er in Nederland gediscussieerd over de maatschappelijke aspecten van de industriële revolutie. De ontwikkelingen in Engeland aan het begin van de negentiende eeuw wierpen hun schaduw vooruit. De toestand waarin het Engelse proletariaat was beland, vormde een schrikbeeld en leidde tot een academisch debat en een beginnend bewustzijn dat lichtvaardig enthousiasme over mechanisatie bestreed. Het debat in Nederland zou voortdurend beïnvloed worden door het buitenland. Engeland, België, Duitsland en andere landen vormden niet alleen een reservoir van technische kennis en nieuwe technieken, maar ook een schouwspel van wat er in de omwenteling mis kon gaan, een bron van inspiratie voor het formuleren van nieuwe ideologieën en een leerschool om via wetgeving en andere maatregelen ontwrichting te voorkomen.

[p. 178]



illustratie

Ook in de dienstverlening (zoals bij deze coiffeur) deed het mechanisch krachtbedrijf in de tweede helft van de negentiende eeuw zijn intrede. Stoominstallaties waren echter voor dit soort ondernemingen veelal bezwaarlijk en te kostbaar vanwege het voortdurende toezicht op ketel en machine. De verbrandingsmotor (in eerste instantie de gasmotor) bracht hiervoor een oplossing.


Het is opmerkelijk hoe men de techniek geïsoleerd beschouwde van haar maatschappelijke context. Zij kreeg daardoor een onproblematisch en deterministisch karakter. Doorgaans klonk het ontzag voor het menselijk vernuft in de publicaties door en werd gewezen op de onvermijdelijkheid van de technische ontwikkeling. De techniek zelf stond nauwelijks ter discussie. De kritiek richtte zich op de wijze waarop de techniek door ondernemers werd ingezet, op de grootschalige produktiewijze en op het fabriekswezen. Het debat zou uiteindelijk onder de noemer ‘sociale quaestie’ gevoerd worden.

Het debat had na 1850 een meer gestruktureerd karakter. Voorheen lieten intellectuelen zich incidenteel uit over de techniek in relatie tot de sociale toestand. Daarna kreeg het debat zijn vorm in verenigingen en tijdschriften. Aan het eind van de negentiende eeuw hadden de belangrijke maatschappelijke stromingen in Nederland een visie ontwikkeld over de moderne techniek.

Een anti-technische stroming heeft Nederland niet gekend, laat staan het voeren van harde acties zoals die van de Luddieten. Dat betekent niet dat er geen effect uitging van het debat. Het stimuleerde in het geval van de Twentse textiel-nijverheid de Nederlandsche Handel-Maatschappij aanwijsbaar tot het opzetten van een handmatige productie in de jaren dertig. Later zouden wettelijke maatregelen genomen worden onder meer op het gebied van veiligheid en gezondheid van de arbeider. Een technische ontwikkeling werd unaniem met veel enthousiasme ontvangen en wel die van het kleine krachtwerktuig. Daarmee lagen er weer nieuwe mogelijkheden voor ambacht en kleinbedrijf, waarvan de bevordering door velen gewenst werd. Er was echter geen sprake van een gerichte sturing van de technische ontwikkeling. Het kleine krachtwerktuig kwam veeleer als een geschenk uit de technische hemel vallen.

 

m.s.c. bakker en e.a.m. berkers