Twee boecken vande stantvasticheyt


auteur: Justus Lipsius


bron: Justus Lipsius, Twee boecken vande stantvasticheyt. Vertaald door J. Mourentorf, met inleiding en aantekeningen door H. van Crombruggen. Stichting ‘Onze oude letteren’, Amsterdam / De seven sinjoren, Antwerpen 1948.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 138]

Glossarium

aenslag: handeling
aentasten: aanraken, ter hand nemen
aenworpen: toewerpen
afhouden: vellen
allesins: uit alle richtingen
alleynden: ellende, ongeluk
als: alles
arguatie: redetwist
bast: strop
bedienen: behandelen
begheven: verlaten
begrypen: aanvallen (II,13)
benauwinghe: verdrukking
benemen: wegnemen
bequaem: geschikt
bernend: brandend
beroerte: beweging
bescheed: duidelijk, nauwkeurig
beswaert: overdreven
bevanghen: weerhouden
bevroyen: begrijpen (I,5); vermoeden (I,11)
bilancie: balans, weegschaal
boersch: landelijk
borghemeester: consul
broodroncken: woelig, onbeschaamd
bycomen: benaderen
calanderken: onbenulligheid
camerspel: toneelspel
catyvicheydt: ellende
corts: weldra
cout: gesprek
crijgelheyt: koppigheid
domp: damp, walm
door: deur
driakel: tegengif, geneesmiddel
drijven: zich met iets bezig houden, behandelen
dul: waanzinnig
eyghentlijcken: persoonlijk
gebiet: gebod
geleden: gebeurd, voorbij
genoechlijck: verheugend
gesicht: gedaante
gestadich: gematigd, mild
ghebuerte: beurt
gheconfijt: verworden, vergroeid
gheduerich: bestendig
gheheel: heelal
ghelat: glad
ghelaten: veinzen, voorwenden
ghelijckenisse: vergelijking
ghelijckerwijs: zoals
ghemeyn: den staat betreffend
ghereckelijck: in vollen ernst
ghevaet: begrepen
gheveert: samenstel
ghevonden: uitgevonden
gheweer: wapen
gheysterend: gensterend, flikkerend
goetduncken: mening
greniken: in zich zelf lachen
grimpen: grimmig zijn, wrokken
guychelspel: goochelspel, onbeduidend spel
hem: elkaar
herschijnen: toeschijnen, neerschijnen op
her-wech: middenweg
heyrcracht: leger
hier voortijts: weleer
huer: hun
immers: dan toch
imposten: belastingen
iocken: schertsen
ionghers: dienaars
ist dat: indien
jae en trouwen: ja, in trouwe; ja voorwaar
kortauwe: kanon, oorlogstuig
kout: gesprek
laech-recher: ondergeschikt rechter
ledich: nietsdoend
leggen: tellen
letten: kwetsen
liever: vriend
lijf: leven
maghe: verwante
[p. 139]
mancop: papaver
marbel: marmer
medecijn: geneesheer
medecyne: geneesmiddel
mogelijcken: misschien
mommen-aensicht: masker
na: naar
naer: na
niet: niets
nootelijck: noodzakelijk
oeffeninghe: beproeving; het aanleggen, bebouwen (II,2)
oiren: nakomelingen
ommers: althans; dan (I,14)
onberoerlijck: onbeweeglijk
onbescheyde: onverstandig
onbevoelijck: ongevoelig
ongetydich: onbetamelijk
onghetemd: ontembaar
ongoddelijck: goddeloos, heidens
onnoosel: onschuldig
onschamelheyt: schaamdeel
onsiend: hatelijk
ontsteken: levendig
onverscheydingen: tussenpozen
oorbaer: voordeel, welzijn
oorden: orde
ophouden: staande houden, ondersteunen
opsicht: aangezicht
overlasten: verdrukking
overmidts: vermits
overslaen: herhalen
paleyen: foltertuigen om een beschuldigde uiteen te rukken
parck: beperkt, omschreven gebied
pene: straf
plaet: zandbank
plomp: onbeholpen
porren: pogen, trachten
pyper: fluitspeler
rappicheyt: schurft
rock: kleed
roeren: bewegen
rijck: gezag
salich: heilzaam
schalcheyt: schelmerij
scheynden: in 't verderf storten
schoutet: praetor
schouwen: schuwen, vluchten
scrofficheyt: schurft
seynden: zenden
seckten: secte, slag van mensen
sin: geest, verstand
slechste: eenvoudigste
smale: kleine, onaanzienlijke
snorcken: pralen
sonderlinghe: vooral
sop: sap, drank
sorchvuldich: nieuwsgierig (II, 13)
sorchvuldicheyt: bezorgdheid
sorghen: vrezen
spade: laattijdig
speelgheweer: speelgoedwapens
spijtich: hardnekkig
staet-giericheyt: ambitie
stapijns: toneelschoenen, kothurnen
stede (in - van): als
steeckdoornen: spitsvondigheden
sterrelincx: star
stovinghe: warme omslag om de pijn te verzachten
straf: streng
studoor: studeerkamer
subijtelijck: opeens
swaerde: zwaarte
toebrengen: aanbrengen, aanbieden
toestaen: toegeven
trauwant: medewerker
t' seffens: tezelfdertijd
uutgetrocken: weggehaald
uytspraek: bewoordingen, taalvaardigheid
vaddicheyt: vadsigheid, luiheid, traagheid
verdacht: verwacht
verdouwen: verteren
verdrach: verdragen, lijden
verfrayen: verlustigen
vergeestinghe: inblazing
verheven: trots, hoogmoedig
verleet: kwetst, maakt wrevelig
vermakinge: versteviging, herstel
[p. 140]
vermanghelen: ruilen
vermeten: vermetel plan
verminginghe: vermenging
vermoyen: vermoeden
verrichten: den rechten weg aanwijzen
versekerheyt: veiligheid
versieren: uitdenken, dichten, zich inbeelden
verslaghen: ombrengen
verstellen: verplaatsen
vertreck: eenzaamheid
vertrecken: vertellen
verwerren: verwarren
vierschale: vierschaar, gerechtshof
vloer: voorhuis, vestibule
voorder: verder
voorderen: bevorderen
voorhoudinghe: opwerping
voorschieten: voorwenden
voorsichticheyt: voorzienigheid
voortbrengen: voorbrengen
voortijts (hier -): weleer
voorwindt: gunstige wind
voos: stem
vroom: die de regels eerbiedigt (I,10)
vrijt-hof: omsloten ruimte, toevluchtsoord
wederhorich: weerspannig
wederstrijden: zich verzetten
weer: hetzij
weerslaghen: teneergeslagen
werderinghe: schatting
werren: dwalen
werringhe: wanorde, verwarring
yewers: ergens