terug  begin  verder

[p. 40]

I. Deel
Behelsende eenige / Bybel-Stoff, / of / Bedenckingen over, en Uyt-breydingen van / eenige plaatsen der H. Schrifture / of Psalmen.

[p. 41]

Grootsheyd des levens*

 
Waar heen mijn hert? gy steygert niet / maar stijgt1
 
En hijgt oock sonder trappen opwaarts: sijgt2
 
Gemetlijck raad ick u / want so gy op3
 
Den top
 
 
5
In vollen runn comt / en daar meent te staan:5
 
't Sal wislijck tegen uwe mening gaan /6
 
Want uwen drift drijft u op 't hoogste weer
 
Ter neer.
 
 
 
En als gy dan aan 't rollen sijt: Oh! oh!9
10
Uw vaart vergroot uw val: dies seg ick nog10
 
Sta stil / en schouwt u self; ick wedd' gy siet
 
Een Niet.12
*Dit is een van de drie Aandachten (meditaties) op 1 Joh. 2: 16: ‘Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleesches, en de begeerlijkheid der oogen en de grootschheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld.’ Van Es heeft al gewezen op de fascinerende geladenheid van dit bij uitstek barokke gedicht, ‘kenbaar aan de hevig concrete beeldspraak, aan de woordspelingen en climaxen, aan de verzwarende binnenrijmen, de heftige enjambementen, ook van de ene strophe naar de andere, de omzettingen in de jambische maat en de breking der slotregels in den herhaalden slag van het eindrijm’ (a.w., p. 350).
1steygert: klimt.
2hijgt: 1) snakt; 2) zwoegt.
sijgt: daal.
3Gemetlijck: trapsgewijze, voorzichtig (niet in WNT).
5run: latere drukken hebben ren.
6wislijck: stellig.
9Oh!: blijkens het rijm uitgesproken als och, zoals in latere drukken ook gespeld is.
10dies: daarom.
12Een Niet: iets nietigs, iets dat volstrekt zonder waarde is; cf. voor dit sleutelwoord in Lodenstein's spraakgebruik ook p. 39.

terug  begin  verder