terug  begin  verder

[p. 42]

Den naackten Jesus,
of Aandagt op Joh. 19: 23.*

Aan D. Samuel Doreslaar op sijne Bedenckingen daar over. 19. Maart 1652.
 
Vermogend Goud, dat om uw glans gepresen
 
Uw Dienaars cluystert / en had my wel eer2
 
Gevangen / my sal na dees' tijd veel meer3
 
Den naackten Jesus wesen.4
 
 
5
Na dat ick dien had in mijn oog gecregen /
 
Strax was den Amethijst beswalckt / en 't sonck6
[p. 43]
 
Al wat te voren preuits en pragtig blonck /7
 
Voor 's naackten Jesus segen.
 
 
 
'k Laat hem dien 't lust na groote schatten delven /9
10
'k En wensch geen Scepter nog geen groot gebaar
 
Van Magt / geen pragtig cleed van Iesus: maar
 
Den naackten Iesum selven.
 
 
 
Wat moogt gy / Babel / dus uw heyl vermindren /13
 
En kiest en kust een douck / een lomp / een staff /
15
Die Jesus aan die schelmen schonck: en gaff
 
Sig selven naackt sijn kindren.
*Oudste leesvers van Lodenstein; vond zijn aanleiding in een op 19 maart 1652 te Delft gehouden predikatie van L's vriend en collega ds. Samuel Doreslaar (overleden 5 oktober 1652) over de tekst: ‘De krijgsknechten dan, als zij Jesus gekruisigd hadden, namen Zijne kleederen (en maakten vier deelen, voor elken krijgsknecht een deel) en den rok. De rok nu was zonder naad, van boven af geheel geweven.’ Lodenstein zat onder het gehoor van Doreslaar. Zijn gedicht bevat waarschijnlijk een korte samenvatting van de preek. Doreslaar van zijn kant maakte eveneens een gedicht, nadat hij op 24 maart 1652 zijn ambtsbroeder had horen preken over Matth. 27: 45-47. Zijn sonnet Jesus Verlaten, dat dus de pendant vormt van Den Naackten Jesus, werd door Lodenstein in duidelijke samenhang opgenomen in zijn Uyt-Spanningen. Niettemin is het altijd abusievelijk als een gedicht van Lodenstein opgevat, totdat W.A.P. Smit in Ntg. 46 (1953) de werkelijke auteur aanwees. Anders dan Doreslaar beperkt Lodenstein zich in zijn gedicht tot een loutere toepassing van de bijbeltekst. De direkte beschrijving van het passiegebeuren blijft achterwege. De contemporaine lijdens-poëzie toont overigens juist een grote voorliefde voor het drastische beeld; cf. Joh. Heesterbeek, Gedichten op Christus' lijden in de zeventiende eeuw, in: Studiën, nw. reeks, jrg. 65, dl. 119 (1933), p. 123-132; 432-446; dl. 120 (1933), p. 168-182.
2wel eer: voorheen.
3my: datief.
4Den naackten Jesus is onderwerp; L. gebruikt vaak den in de nom. sg. masc. vóór iedere consonant (Trimp, p. 66), bij vreemde eigennamen als Jesus past hij de latijnse buiging toe.
6Strax: aanstonds.
De Oosterse amethist is een kostbare, violet-kleurige edelsteen, die o.a. ter versiering diende van de borstlap van de hogepriester, cf. Exod. 28: 19.
beswalckt: bezoedeld.
7preuits: 1) overmoedig, trots; 2) dartel, uitgelaten.
pragtig: trots.
9na: naar.
13Babel: eigenlijk bijbelse naam voor de stad Babylon; figuurlijk hier ter aanduiding van de ‘zondige’ wereld waar overdaad en zedeloosheid heerst.

terug  begin  verder