*Oudste leesvers van Lodenstein; vond zijn aanleiding in een op 19 maart 1652 te
Delft gehouden predikatie van L's vriend en collega ds. Samuel Doreslaar (overleden 5 oktober 1652) over de tekst: ‘De krijgsknechten dan, als zij Jesus gekruisigd hadden, namen Zijne kleederen (en maakten vier deelen, voor elken krijgsknecht een deel) en den rok. De rok nu was zonder naad, van boven af geheel geweven.’ Lodenstein zat onder het gehoor van Doreslaar. Zijn gedicht bevat waarschijnlijk een korte samenvatting van de preek. Doreslaar van zijn kant maakte eveneens een gedicht, nadat hij op 24 maart 1652 zijn ambtsbroeder had horen preken over
Matth. 27: 45-47. Zijn sonnet
Jesus Verlaten, dat dus de pendant vormt van
Den Naackten Jesus, werd door Lodenstein in duidelijke samenhang opgenomen in zijn
Uyt-Spanningen. Niettemin is het altijd abusievelijk als een gedicht van Lodenstein opgevat, totdat W.A.P. Smit in
Ntg. 46 (1953) de werkelijke auteur aanwees. Anders dan Doreslaar beperkt Lodenstein zich in zijn gedicht tot een loutere toepassing van de bijbeltekst. De direkte beschrijving van het passiegebeuren blijft achterwege. De contemporaine lijdens-poëzie toont overigens juist een grote voorliefde voor het drastische beeld; cf. Joh. Heesterbeek,
Gedichten op Christus' lijden in de zeventiende eeuw, in:
Studiën, nw. reeks, jrg. 65, dl. 119 (1933), p. 123-132; 432-446; dl. 120 (1933), p. 168-182.