*Uitbreiding van Ps. 131: ‘Een lied Hammaälôth, van David. O Heere! mijn hart is niet verheven, en mijne oogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen, mij te groot en te wonderlijk. Zoo ik mijne ziel niet heb gezet, en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijne moeder! mijne ziel is als een gespeend kind in mij. Israël hope op den Heere van nu aan tot in der eeuwigheid.’ De drie verzen waaruit deze psalm bestaat corresponderen met resp. strofe I-II-III, IV-V-VI en VII. Lodenstein staat in zijn psalmuitbreidingen gewoonlijk zeer vrij tegenover zijn voorbeeld. Hij volgt hier wel de hoofdgedachte en neemt het centrale beeld van het gespeende kind over. Willem Sluiter maakte eveneens een uitbreiding van Ps. 131 (Jeremia's Klaag-liederen, Amsterdam 1687), maar hij onderscheidde angstvallig bijbelwoord en toevoeging door resp. een gotisch en romeins lettertype; cf. Blokland, p. 83.
27Voor de piëtist vormt de geduldige lijdzaamheid een eerste vereiste voor de Godsbevinding. Daarom rekent hij zich graag tot de ‘stillen in het land’ uit Ps. 35: 20 en wil hij niets liever dan zijn ziel in afwachtende ontvankelijkheid stilhouden voor Gods inwerking; cf. nog Ps. 62: 2 en 131: 2. Gods zwijgen geldt hier als het grote voorbeeld voor deze religiositeit. Zie Langen, p. 174-182. Men vergelijke ook het gedicht Jesus Voorbeeld, vs. 19.