terug  begin  verder

Den nedrigen Christen,
Op Psalm 131.*

 
Myn Vader die mijn smerte siet /
 
Mijn herte siet /
 
Mijn hert gebiedt /
[p. 44]
 
En al sijn grepen weet:
5
My dunckt / daar legt het neer /5
 
Daar legt het nedrig neer
 
En / dwaal ick / proeft het selve wis /7
 
Of 't nog verheven is.8
 
 
 
Siet / Vader / of mijn oogen aan
10
Het hoge slaan /9-10
 
En hoge staan?
 
Siet my gebogen gaan.
 
Mijn hert / mijn cleyn begrip /
 
Mijn oordeel is een stip /
15
Ten comt aan 't grondelose niet /
 
Dat het niet door en siet.
 
 
 
Als ick u my genegen sie /
 
Uw wegen sie /
 
Verlegen bie19
20
Ick u mijn dienst. En wie
 
Wie ben ick worm / of maad21
 
(Seg ick) die uwen raad22
 
't Geheym van uw gena-verbond
 
Soud peylen tot den grond?
 
 
25
Heb ick my niet in billijckheyd25
 
Gewillicheyd /
 
En stilligheyd27
 
Ootmoedig neergeleydt?
[p. 45]
 
So nedrig als een kind /
30
So nedrig als een kind
 
Dat sig ten vollen vergenoegt
 
Als 't maar de Moeder mint.32
 
 
 
Een kindje dat maar suygen kan /
 
En buygen can /
35
En tuygen van35
 
Sijn onlust met een traan:
 
En treckt men 't van de borst /
 
En treckt men etc.
 
't Mag schreyen om des moeders raad /39
40
Maar noyt het twisten dorst.
 
 
 
So my Heer uw genade-stroom41
 
Te stade coom;42
 
Of spade coom;43
 
Of sig van my vertreckt:44
45
O! droevigen vertreck!
 
O! droevigen vertreck!
 
Nog sal mijn siele swijgen stil
 
Om dat het Vader wil.
 
 
 
O! Sienders / Priesters / Koningen!49
50
Die woningen /
 
En kroningen
 
Hebt van Israels Heer.
 
Wagt verder op sijn gunst /
 
Wagt etc.
55
Want is sijn goedheyd grondeloos /
 
So is sy eyndeloos.56

*Uitbreiding van Ps. 131: ‘Een lied Hammaälôth, van David. O Heere! mijn hart is niet verheven, en mijne oogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen, mij te groot en te wonderlijk. Zoo ik mijne ziel niet heb gezet, en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijne moeder! mijne ziel is als een gespeend kind in mij. Israël hope op den Heere van nu aan tot in der eeuwigheid.’ De drie verzen waaruit deze psalm bestaat corresponderen met resp. strofe I-II-III, IV-V-VI en VII. Lodenstein staat in zijn psalmuitbreidingen gewoonlijk zeer vrij tegenover zijn voorbeeld. Hij volgt hier wel de hoofdgedachte en neemt het centrale beeld van het gespeende kind over. Willem Sluiter maakte eveneens een uitbreiding van Ps. 131 (Jeremia's Klaag-liederen, Amsterdam 1687), maar hij onderscheidde angstvallig bijbelwoord en toevoeging door resp. een gotisch en romeins lettertype; cf. Blokland, p. 83.
5legt: ligt.
7wis: zeker.
8verheven: hoogmoedig.
9-10of mijn oogen...slaan: of mijn ogen opwaarts zien; cf. vs. 1 van de psalm.
19bie: bied.
21maad: made, larve van een insect.
22raad: raadsbesluit.
25in billijckheyd: zoals betaamt.
27Voor de piëtist vormt de geduldige lijdzaamheid een eerste vereiste voor de Godsbevinding. Daarom rekent hij zich graag tot de ‘stillen in het land’ uit Ps. 35: 20 en wil hij niets liever dan zijn ziel in afwachtende ontvankelijkheid stilhouden voor Gods inwerking; cf. nog Ps. 62: 2 en 131: 2. Gods zwijgen geldt hier als het grote voorbeeld voor deze religiositeit. Zie Langen, p. 174-182. Men vergelijke ook het gedicht Jesus Voorbeeld, vs. 19.
32Moeder is onderwerp!
35tuygen: getuigen.
39Mag: kan.
41So: indien.
42te pas komt.
43spade: laat.
44sig vertreckt: zich terugtrekt.
49Sienders: profeten.
56So: evenzo.

terug  begin  verder