6soete Slaverny: oxymoron, typerend voor het petrarkisme.
9het Eygen: Lodenstein toont een opmerkelijke voorkeur voor het gesubstantiveerde adjectief of adverbium, cf. vs. 18: het kuys = het zuivere. Onder deze substanriveringen is eygen bijzonder geliefd. Het komt ook voor in allerlei samenstellingen en correspondeert aldus met self- in het idioom van de engelse puriteinen. Zie K. Waentig, Die Self-Komposita der Puritanersprache, Inaugural-Dissertation Leipzig 1932. Het zelfonderzoek van de piëtisten leidt tot zelfvernietiging. Het zelf (eygen) wordt gezien als de antagonist van God.
19Met: kortere vorm naast mede dat bijw. en voorz. is, cf. WNT, s.v. mede III, dl. IX, 330; betekent hier: evenzo, ook.
33Ader: opwellende waterstraal en zo figuurlijk: bron, oorsprong (zie Middelnederl. Woordenb. I, 57; WNT I, 809). Het beeld gaat terug op Jer. 2: 13, waar Jahweh zich ‘de Springader des levenden waters’ noemt. Mijn collega dr. H. Vekeman attendeert mij op Vita Beatricis III, 215-216 (ed. J. Reypens, p. 138-139) met zijn vizioen van de Godmens als bronader der genade; en voorts op Ruusbroec, Die Chierheit der gheestelijker Brulocht I, 222.17: ‘Ende in desen gronde der ghevoelijcker minnen soe levet die wallende adere, dat es dat inschinen ochte dat inwerken gods’.
34spring: bron; cf. Jes. 55: 1 en Openb. 21: 6 waar dit beeld op teruggaat. In de late middeleeuwen werd de voorstelling van Christus als levensfontein populair, zie J.B. Knipping-P.J. Meertens, Van de Dene tot Luiken, Zwolle 1956, p. 30.
39-42Leg al wat er in de wereld aan heerlijks te vinden is op één hoop, (ge zult dan ondervinden dat) het minste stofje in de wind dezelfde waarde bezit.
51Des: tweede naamval van dat in bijw. gebruik; betekent: op die grond, daarom.
53Deze regel hangt af van schuldig sijn. Er staat abusievelijk dragen.
65druckig: Lodenstein gebruikt vaak adjectieven met het suffix -ig, waar wij een participium zouden plaatsen; -ig kan dienen om aan te geven dat iets de eigenschap van het stamwoord heeft, cf. Trimp, p. 70. Lodenstein schrijft o.a. doodig, rampig, quistig, vlayig, moordig, schendig.