terug  begin  verder

II. Hert-sterckte in Jehova.
Op 1 Sam. 30: 6.

 
Waar blijft daar het Vaderland?
 
Ja / waar blijft dien soeten band /
 
Daar mijn magen daar mijn vrinden
 
Daar het vroom geselschap my
5
Meed te vangen / meed te binden
 
Wist in soete Slaverny?6
[p. 50]
 
't Scheen wat groots en van gewigt
 
Weerdiger dan 't Sonne-ligt:
 
Maar het ziel-verdervend Eygen9
10
Was 'er in / end ongesind
 
Sig tot 't heylsaam Niet te neygen /
 
Daar de Ziel maar ruste vindt.12
 
 
 
En gelijck my daar verdwijnt
 
't Ligt dat in de vriendschap schijnt;
15
Soo verdwijnt my al de blyheyd;
 
Soo de ruste van mijn Huys;
 
Soo den blick van gulde vryheyd;
 
Soo 't genoegen van het kuys.
 
 
 
Met in mijn gedagten schiet19
20
't Eeuwig All, en 't eyndeloos Niet:
 
Alle eygen te versaacken /
 
All den HEERE toe te staan /
 
Dat is nu mijn hoogst vermaack / en
 
Dat doet alles my vergaan.
 
 
25
't Hoort den Hemel alles toe
 
Wat ick denck / en wat ick doe /
 
Wat ick hebb' / of oyt vermoge /
 
Wat my lief is / wat my lust /
 
Al 't begeren van mijnn' ooge /
30
Mijn vernoegen / en mijn rust.
[p. 51]
 
Wis / die 't alles schiep / wel weerd
 
Is / dat alles Hem vereert.
 
Hy is d' Aanvang-losen Ader /33
 
d'On-verwelckelijcke spring /34
35
't Grond'-loos diep daar 't al te gader35
 
Komt / dat uyt hem 't Al ontfing.
 
 
 
Wy sijn niet dan stof en eerd37
 
En by Hem geen stofje weerd.38
 
Hóópt wat Heerlijck is te vinden
40
In de Wereld all op een;
 
't Minste stofje in de Winden
 
Heeft gelijcke weerdicheen.39-42
 
 
 
Ey! helpt my het grondloos Niet
 
Sien / van al wat Schepsel hiet!
45
Niets / ja niets en sijn wy weerdig
 
Vriendschap / Goed / vermaack / of eer /
 
(Meenen wy't is onregtveerdig)
 
Alle Schepsel hoort sijn Heer.
[p. 52]
 
Leent hy ons oyd eenig Goed /
50
't Is uyt Goedheyds overvloed:
 
Des wy Hem te dancken schuldig51
 
Sijn / en neemt Hy 't ons weer aff /
 
Niets te vragen ongeduldig;53
 
Want het gaat tot die het gaff.
 
 
55
't Gaat weer tot dien Oceaan55
 
Daar het eerstlijck quam van daan.
 
Wis / mijn Heyl is niet gelegen
 
In dat my yet Goeds geschiet;
 
Maar dat ick de Godheyd segen'
60
Als den Heer' het al geniet.
 
 
 
Hebb' den Hemel wat Hem lust
 
Soo is al mijn lust gebluscht.
 
Dat Hy eyndeloos geluckig
 
Is / dat is my (laat / en vroeg
65
Ben ick vrolijck / ben ick druckig)65
 
Altijd vreugds / en Heyls genoeg.
 
 
 
Ick ben maar tot Godes Eer
 
Krijgt Hy die / wat wensch ick meer?
 
En Hy sal die sonder feylen
70
Altijd krijgen / wat Hy doet:
 
Soo sal ick mijn Heyl beseylen71
 
In het quaad / en in het goed.
 
 
 
Sit ick eensaam 't is mijn vreugd
 
Dat de Heere sig verheugt
[p. 53]
75
In den rey der Cherubijnen:
 
Of de Werld my alsem schanck /76
 
't Bitter sal my lieflijck schijnen
 
Drinckt den Hemel Hemel-dranck.
 
 
 
Foey! dat ick oyt onbedogt79
80
't Heyl in eygen voordeel sogt!
 
Dat de Waarheyd my regtveerdig
 
Leert / de Godtheyd alles / end
 
My te schatten 't minst niet weerdig /
 
Is mijn Heyl / of ick en ken 't.

Op 't Fort Nieuw Rees 4. in Loumaand 1674.85

6soete Slaverny: oxymoron, typerend voor het petrarkisme.
9het Eygen: Lodenstein toont een opmerkelijke voorkeur voor het gesubstantiveerde adjectief of adverbium, cf. vs. 18: het kuys = het zuivere. Onder deze substanriveringen is eygen bijzonder geliefd. Het komt ook voor in allerlei samenstellingen en correspondeert aldus met self- in het idioom van de engelse puriteinen. Zie K. Waentig, Die Self-Komposita der Puritanersprache, Inaugural-Dissertation Leipzig 1932. Het zelfonderzoek van de piëtisten leidt tot zelfvernietiging. Het zelf (eygen) wordt gezien als de antagonist van God.
12Zie voor dit adhortatieve maar p. 47.
19Met: kortere vorm naast mede dat bijw. en voorz. is, cf. WNT, s.v. mede III, dl. IX, 330; betekent hier: evenzo, ook.
33Ader: opwellende waterstraal en zo figuurlijk: bron, oorsprong (zie Middelnederl. Woordenb. I, 57; WNT I, 809). Het beeld gaat terug op Jer. 2: 13, waar Jahweh zich ‘de Springader des levenden waters’ noemt. Mijn collega dr. H. Vekeman attendeert mij op Vita Beatricis III, 215-216 (ed. J. Reypens, p. 138-139) met zijn vizioen van de Godmens als bronader der genade; en voorts op Ruusbroec, Die Chierheit der gheestelijker Brulocht I, 222.17: ‘Ende in desen gronde der ghevoelijcker minnen soe levet die wallende adere, dat es dat inschinen ochte dat inwerken gods’.
34spring: bron; cf. Jes. 55: 1 en Openb. 21: 6 waar dit beeld op teruggaat. In de late middeleeuwen werd de voorstelling van Christus als levensfontein populair, zie J.B. Knipping-P.J. Meertens, Van de Dene tot Luiken, Zwolle 1956, p. 30.
35te gader: tesamen.
37niet: niets.
38by: vergeleken bij.
39-42Leg al wat er in de wereld aan heerlijks te vinden is op één hoop, (ge zult dan ondervinden dat) het minste stofje in de wind dezelfde waarde bezit.
51Des: tweede naamval van dat in bijw. gebruik; betekent: op die grond, daarom.
53Deze regel hangt af van schuldig sijn. Er staat abusievelijk dragen.
55Oceaan: zie hiervóór, p. 49.
65druckig: Lodenstein gebruikt vaak adjectieven met het suffix -ig, waar wij een participium zouden plaatsen; -ig kan dienen om aan te geven dat iets de eigenschap van het stamwoord heeft, cf. Trimp, p. 70. Lodenstein schrijft o.a. doodig, rampig, quistig, vlayig, moordig, schendig.
71beseylen: bereiken.
76Of: indien.
alsem: eigenlijk het aftreksel van alsem; figuurlijk: de bittere lijdensdrank die Jezus aan het kruis heeft gedronken.
79onbedogt: onbedachtzaam.
85Er staat abusievelijk: 1664.

terug  begin  verder