*Proost (p. 191-192) dateert dit gedicht omstreeks 1668. De hierin uitgesproken minachting voor de schoolwijsheid van Leiden vindt haar grond in het feit dat deze hogeschool toen door het onderwijs van Coccejus en Heidanus de naam had van cartesiaanse onrechtzinnigheid. ‘Terwijl Lodenstein zo dicht, acht hij niettemin de kerkleer een onmisbare hulp, een middel om tot de ware bekering, de innerlijke verlichting te komen. We vinden bij hem dan ook geen anti-dogmatisme, wat Duker en Proost beweren’ (De Boer, p. 140).
De tekst 1 Petr. 2: 2 luidt: ‘En, als nieuwgeborene kinderkens, zijt zeer begeerig naar de redelijke onvervalschte melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen.’