terug  begin  verder

Kinder-lesse,
of Aandagt op 1 Petr. 2: 2.*

 
Ey! wijckt wat Hoge scholen!
 
Ik plagt met u te dolen /
 
En volgden uw geleyd:3
 
Sulck weten (merck ick nu) is maar Onwetenheyd.
[p. 54]
5
Uw dubbel-sinnig twisten5
 
Is tijd / en moeyte quisten:
 
Wie wert 'er beter van?7
 
Een nieuw-geboren suigeling my leren can.
 
 
 
O Lammeren die suygen
10
Ik com mijn hoogmoed buygen /
 
En voor u nedrig staan:
 
'k Wil niet na Leyden maar by u ter schole gaan.12
 
 
 
Uw lacchen / end uw schreyen
 
Mijn lessen sijn; uw vleyen
15
Is Leeren sonder stem:
 
By welck de Woorde-pronck is Leren sonder clem.16
 
 
 
O! ongeveynsde! Slegte!17
 
Als 't hongerig opregte
 
Hert tot sijn voedsel vliegt /
20
Wie twijfelt of gy 't meent? wie meent 'er dat gy 't liegt?
 
 
 
Gy kent geen ongelucken
 
Die ons in 't leven drucken:
 
Wat is 't dan dat gy schreyt?
 
Of werdt u melck / en met de melck uw lust ontseydt?
 
 
25
Daar comen volle borsten!
 
Wat happig / gratig dorsten26
 
Is dat? uw oogje vlamt /
 
Uw hertje springt / uw handje vat / uw voetje stampt.28
[p. 55]
 
Wat is dat gulsig lecken?29
30
Wat is dat trecke-becken?30
 
Gy neemt het wel gewis;
 
Uw mond / hand / voet / heel lijf / 't suygt al wat aan u is.
 
 
 
Wel! laat gy los? waar henen?
 
En waarom weer aan 't weenen?
35
Wat deert u dertel kind?
 
Of ist om dat gy juyst niet sogs genoeg en vindt?
 
 
 
Wat spoock heeft my betovert?
 
Wat vreemde lust verovert?
 
Dat ick in 't soecken van 't
40
Regt Voedsel van mijn ziel niet houd een kinder-trant?
 
 
 
Wis soo mijn Ziel sig keerde41
 
En van een kind dit leerde:42
 
So maackt' een suygend Lam
 
My veel geleerder dan ick oyd van Leyden quam.
 
 
45
'k Wil / Wigtje / met u schreyen /
 
'k Wil lacchen / buygen / vleyen /
 
En in uw range staan /
 
'k Wil met u Niet sijn / en met u ten Hemel gaan.

*Proost (p. 191-192) dateert dit gedicht omstreeks 1668. De hierin uitgesproken minachting voor de schoolwijsheid van Leiden vindt haar grond in het feit dat deze hogeschool toen door het onderwijs van Coccejus en Heidanus de naam had van cartesiaanse onrechtzinnigheid. ‘Terwijl Lodenstein zo dicht, acht hij niettemin de kerkleer een onmisbare hulp, een middel om tot de ware bekering, de innerlijke verlichting te komen. We vinden bij hem dan ook geen anti-dogmatisme, wat Duker en Proost beweren’ (De Boer, p. 140).
De tekst 1 Petr. 2: 2 luidt: ‘En, als nieuwgeborene kinderkens, zijt zeer begeerig naar de redelijke onvervalschte melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen.’
3geleyd: leiding.
5dubbel-sinnig: Lodenstein doelt hier op de sofistische spitsvondigheid waarmee aan elke term een meervoudige uitleg gegeven werd.
7wert: wordt.
12na: naar.
16clem: overtuigingskracht.
17Slegte: simpele.
26gratig: gretig.
28hertje: er staat abusievelijk hrrtje,
29lecken: likken.
30trecke-becken: telkens kussen.
41sig keerde: zich bekeerde.
42Soo: dan.

terug  begin  verder