terug  begin  verder

[p. 56]

Den besloten Hoff
Op Cant. 4: 12*

 
Een Lust-hof is mijn ziel gelijck /
 
Beplant met heylsaam cruyd / en water-rijck /
 
Den Coning van 't Magtig Al heeft dien geplant /
 
Geen Rover comt daar in / nog dier /
5
Besloten in een muyr van enckel vier.5
 
Wat sal mijn Beminden // In sijn Lust-hof vinden /
 
Dat Hem lief getal // Sijn Min vernoegen sal?7
 
 
 
Mijn Lief nam my uyt 't ander veld /
 
En heeft my tot een lustig Hof gestelt:
10
Daar ick voor heen
 
Lag vol assche / peuyn / en steen.
 
Den arbeyd in den Somer heet
 
Stond Hem niet min dan op een bloedig sweet /
 
Wat sal mijn Beminde etc.
[p. 57]
15
Hy bouwde een tooren / en spits daar op /
 
En stelde trouwe Wagters in den top /16
 
Die my / ten wal /
 
Schutten voor het ongeval.
 
Den Hemel Hy gebood en seyd
20
Son geeft uw warmt / en wolck uw vogticheyd.
 
Wat sal mijn Beminde etc.
 
 
 
Hy plantde daar veel edel cruyd.
 
De Kuysheyd als een suyvre Lely-spruyt.23
 
De Nedricheyd
25
Als Camill' langs d'eerde leyt.25
 
Den Palm-boom van Geduldicheyd,26
 
Die / hoe gedruckt / te meer sijn rancken spreydt.
 
Wat sal mijn Beminden etc.
 
 
 
Hy plant daar den Granaten-stam /29
30
De vrugt / daar in Hy oyd genoegen nam /30
 
Die 't hert (verstickt
 
Van den Middag-brand) verquickt.
 
Den eed'len Wijnstock, welckers sap
 
Hem daaglijcx dient tot saal'ge dronckenschap.
35
Wat sal mijn Beminden etc.
[p. 58]
 
Hy plant het Hert ten Sonneblom,36
 
Dat sig altijd keert na den Bruidegom /
 
Dat 's morgens soet
 
't Heylig opgaand Ligt begroet /
40
En volgt het van den Dageraad /
 
Tot dat het in sijn Middag-top-punt staat.
 
Wat sal mijn Beminden etc.
 
 
 
Een lieflijck / gull' / en Milde-cruyd
 
In vetten grond uyt Liefde-wortel spruyt;
45
(Dien / ongemeen /
 
d'Eeuw'ge Liefde bragt bene'en)
 
Daar set Hy Munt, en Goudsbloem by /47
 
Op dat het Milde-cruyt te beter dy'.48
 
Wat sal mijn Beminden etc.
 
 
50
Goutsbloem dat dorr' en schaadlijck cruyd50
 
Als 't sonder Milde-cruyd in hoven spruyt /
 
Dat groeyen doet
 
Giftig cruyd in overvloed;
 
Ja al het heylsaam cruyd versmoord /
55
Het Herte dorr't / en maar het oog bekoort.55
 
Wat sal etc.
[p. 59]
 
Het schaadlijck on-cruyd / dat het cruyd
 
In 't groeyen deert / dat delgt Hy nigtig uyt /58
 
En boven al
60
't Eygen-Self dat groot getal
 
Van cruyden smoort: en 't Self, dat door
 
En voor den Hemel groeyt / plant Hy daar voor.
 
Wat sal mijn etc.
 
 
 
Het vose Clim van Hovaardy64
65
Dat alles over-steygren wilt / ruckt Hy65
 
Ter aarden uyt /
 
Of sijn wortel weeldrig spruyt67
 
Met duysend cronck'len / daar hy snood
 
Den veeg meed steelt / en andre cruyden dood.69
70
Wat sal etc.
 
 
 
Het Nijd-cruyd, dat sig selv verteert
 
Als andre groeyen / Hy met yver weert.72
 
De Dist'len meed /73
 
't Steeck'lig cruyd van Quetse-vreed.74
75
Van Spyticheyd, van Stuyr-gelaat,75
 
Van Toorn, en Wraack, van Spotterny, en Smaad.
 
Wat sal etc.
 
 
 
Een Veyns-cruyd heeft schier yder cruyd /
 
Dat hem gelijckt in maacksel op end' uyt.
80
Dat was in my
 
Leugentaal en Veynsery.
[p. 60]
 
Dees' Hy van alle deck ontbloot /
 
En steeckt dan met sijn Waarheyd-Sonne dood.
 
Wat sal etc.
 
 
85
Mijn Hof eertijds een dorre Land /
 
Is nu vercierd / gesuyverd / en beplantd.
 
Als 't nu den Heer
 
Die hem maackte tot sijn eer
 
Sal lusten / dat den invloed van
90
Sijn Geest hem coestert / en maackt vrugtbaar; dan
 
Dan sal mijn Beminden // In sijn Lust-hof vinden
 
Dat hem lief-getal // Sijn Min genoegen sal.92
*Van verschillende zijden heeft men voor dit allegorische gedicht gewezen op de thematische verwantschap met het 16e-eeuwse lied van suster Bertken ‘ic was in mijn hoofkijn om cruyt gegaen’. Vergeleken bij de sobere aankleding van Bertkens tuin doet de lusthof van Lodenstein met zijn veelheid aan gewassen overdadig aan. Terwijl de Utrechtse kluizenares de toepassing van haar lied aan de lezer overlaat, geeft de predikant telkens beeld èn explicatie. Zijn gedicht is dan ook ruim driemaal zo lang.
Evenals Bertken vergelijkt Lodenstein de ziel met een door God geplante tuin, in aansluiting aan Hooglied 4: 12: ‘Mijne zuster, o bruid! gij zijt een besloten hof, eene beslotene wel, eene verzegelde fontein.’ Wat hier over de relatie bruidegombruid wordt gezegd, brengt Lodenstein dus in verband met de relatie God-ziel. De exclusiviteit van hof, wel (bron) en fontein duidt op de kuisheid van de bruid, of in geestelijke zin op de ontoegankelijkheid van de ziel voor de wereld. Zie voor het motief van de hortus conclusus Odell Shepard, The Lore of the Unicorn, Boston-New York 1930; en het art. van Liselotte Wehrhahn-Stauch in Reallexikon zur deutschen Kunstgeschichte IV, 1504-1544, s.v. Einhorn, met rijke literatuur-opgave.
5Cf. Zach. 2: 5: ‘En Ik zal haar wezen, spreekt de Heere, een vurige muur rondom’.
7lief getal: welgevallig.
16Cf. Jes. 62: 6: ‘O Jeruzalem! Ik heb wachters op uwe muren besteld’.
23De lelie wordt in het Hooglied herhaaldelijk genoemd in verband met de bruid.
25De camille komt niet in de bijbel voor. Henkel-Schöne, p. 337, vermelden haar onder verwijzing naar Plinius als zinnebeeld van de goede inborst. De hagedis zoekt bij haar zijn toevlucht om zich tegen gif te beschermen.
26De palmboom verschijnt al in het oudste emblemataboek, Andrea Alciati's Emblematum liber van 1531, als het zinnebeeld van standvastigheid die groeit tegen alle verdrukking in. Hij wordt in de emblematiek dikwijls afgebeeld met een zwaar gewicht op zijn takken (cf. Henkel-Schöne, p. 192-193). De zin hiervan is: men moet de boosheid weerstand bieden.
29De granaat wordt o.a. genoemd Hooglied 4: 13. Zijn bitterzoete smaak gaf aanleiding tot emblematische toepassing, waarbij de granaatappel het samengaan van vreugde en verdriet aanduidt: sunt mala mixta bonis; cf. Henkel-Schöne, p. 233-234.
30oyd: steeds.
36De zonnebloem wordt niet in de bijbel genoemd. Volgens J.B. Knipping-P.J. Meertens, Van de Dene tot Luiken, Zwolle 1956, p. 56, komt zij als embleem het eerst voor bij Paradin, Devises héroiques, Lyon 1551. Uit de Emblemata, Rotterdam 1625, van Zacharias Heyns citeren zij een zinnebeeld op de zonnebloem met uitvoerige proza-kommentaar over de symbolische betekenis van deze plant. Langen, p. 302, wijst op het gebruik van de zonnebloem als symbool voor de godzoekende ziel bij Ruusbroeck en latere mystici.
47Munt (lat. Mentha): lipbloemige plant, o.a. vermeld Matth. 23: 23. Mogelijk is er tevens allusie op het homoniem munt = geld, zodat munt en gouds bloem samen hier aanduiden de goedgevigheid die het tastbaar bewijs moet leveren van de milde liefde. De goudsbloem komt bij middeleeuwse schilders ook voor als symbool van de brandende minne (Timmers, nr. 1901). Dezelfde vermeldt onder nr. 1910 een laat-middelnederlands liedje vol bloemsymboliek, waarin de goudsbloem als zinnebeeld van de gehoorzaamheid figureert. Deze betekenissen zijn hier echter minder op hun plaats.
48dy': gedije, groeie.
50vv.: versta: het bezit van goud (geld) zonder dat men tevens een mildadig mens is, leidt tot verderf.
55dorr 't: doet verdorren (Het Herte is lijdend voorwerp).
58nigtig: twee mogelijkheden: 1) zorgvuldig, ijverig; 2) haastig; volgens WNT IX, 1686, s.v. nechtig, ‘een woord dat vooral in Hollandsche dialecten, en met name te Amsterdam in de 17e E. voorkwam’.
64vose: krachteloze, bedorven.
65over-steygren: overwoekeren.
67Of: concessief voegwoord, cf. Weijnen, paragraaf 102.
69veeg: teelkracht van de grond; cf. WNT XVIII, 4 s.v. vaag. L. gebruikt wel vaker den bij een vrouwelijk substantief.
72Hy met yver weert: houdt hij zorgvuldig buiten de tuin.
73meed: mede.
74Quetse-vreed: vredebreuk, vredeverstoring. De vorming van dergelijke abstrakte neologismen is typerend voor het piëtistisch taalgebruik.
75Spyticheyd: wrevel.
Stuyr-gelaat: stuurs voorkomen.
92Sijn Min: aan Zijn liefde.

terug  begin  verder