*Van verschillende zijden heeft men voor dit allegorische gedicht gewezen op de thematische verwantschap met het 16e-eeuwse lied van suster Bertken ‘ic was in mijn hoofkijn om cruyt gegaen’. Vergeleken bij de sobere aankleding van Bertkens tuin doet de lusthof van Lodenstein met zijn veelheid aan gewassen overdadig aan. Terwijl de Utrechtse kluizenares de toepassing van haar lied aan de lezer overlaat, geeft de predikant telkens beeld èn explicatie. Zijn gedicht is dan ook ruim driemaal zo lang.
Evenals Bertken vergelijkt Lodenstein de ziel met een door God geplante tuin, in aansluiting aan Hooglied 4: 12: ‘Mijne zuster, o bruid! gij zijt een besloten hof, eene beslotene wel, eene verzegelde fontein.’ Wat hier over de relatie bruidegombruid wordt gezegd, brengt Lodenstein dus in verband met de relatie God-ziel. De exclusiviteit van hof, wel (bron) en fontein duidt op de kuisheid van de bruid, of in geestelijke zin op de ontoegankelijkheid van de ziel voor de wereld. Zie voor het motief van de hortus conclusus Odell Shepard, The Lore of the Unicorn, Boston-New York 1930; en het art. van Liselotte Wehrhahn-Stauch in Reallexikon zur deutschen Kunstgeschichte IV, 1504-1544, s.v. Einhorn, met rijke literatuur-opgave.
5Cf. Zach. 2: 5: ‘En Ik zal haar wezen, spreekt de Heere, een vurige muur rondom’.
16Cf. Jes. 62: 6: ‘O Jeruzalem! Ik heb wachters op uwe muren besteld’.
23De lelie wordt in het Hooglied herhaaldelijk genoemd in verband met de bruid.
25De camille komt niet in de bijbel voor. Henkel-Schöne, p. 337, vermelden haar onder verwijzing naar Plinius als zinnebeeld van de goede inborst. De hagedis zoekt bij haar zijn toevlucht om zich tegen gif te beschermen.
26De palmboom verschijnt al in het oudste emblemataboek, Andrea Alciati's Emblematum liber van 1531, als het zinnebeeld van standvastigheid die groeit tegen alle verdrukking in. Hij wordt in de emblematiek dikwijls afgebeeld met een zwaar gewicht op zijn takken (cf. Henkel-Schöne, p. 192-193). De zin hiervan is: men moet de boosheid weerstand bieden.
29De granaat wordt o.a. genoemd Hooglied 4: 13. Zijn bitterzoete smaak gaf aanleiding tot emblematische toepassing, waarbij de granaatappel het samengaan van vreugde en verdriet aanduidt: sunt mala mixta bonis; cf. Henkel-Schöne, p. 233-234.
36De zonnebloem wordt niet in de bijbel genoemd. Volgens J.B. Knipping-P.J. Meertens, Van de Dene tot Luiken, Zwolle 1956, p. 56, komt zij als embleem het eerst voor bij Paradin, Devises héroiques, Lyon 1551. Uit de Emblemata, Rotterdam 1625, van Zacharias Heyns citeren zij een zinnebeeld op de zonnebloem met uitvoerige proza-kommentaar over de symbolische betekenis van deze plant. Langen, p. 302, wijst op het gebruik van de zonnebloem als symbool voor de godzoekende ziel bij Ruusbroeck en latere mystici.
47Munt (lat. Mentha): lipbloemige plant, o.a. vermeld Matth. 23: 23. Mogelijk is er tevens allusie op het homoniem munt = geld, zodat munt en gouds bloem samen hier aanduiden de goedgevigheid die het tastbaar bewijs moet leveren van de milde liefde. De goudsbloem komt bij middeleeuwse schilders ook voor als symbool van de brandende minne (Timmers, nr. 1901). Dezelfde vermeldt onder nr. 1910 een laat-middelnederlands liedje vol bloemsymboliek, waarin de goudsbloem als zinnebeeld van de gehoorzaamheid figureert. Deze betekenissen zijn hier echter minder op hun plaats.
50vv.: versta: het bezit van goud (geld) zonder dat men tevens een mildadig mens is, leidt tot verderf.
55dorr 't: doet verdorren (Het Herte is lijdend voorwerp).
58nigtig: twee mogelijkheden: 1) zorgvuldig, ijverig; 2) haastig; volgens WNT IX, 1686, s.v. nechtig, ‘een woord dat vooral in Hollandsche dialecten, en met name te Amsterdam in de 17e E. voorkwam’.