*Het kunstig gebouwde sonnet weerspiegelt de innerlijke onzekerheid waarin Lodenstein omstreeks 1659 (het krisis-jaar in zijn ontwikkeling, volgens Trimp) verkeert. Het gedicht zit vol tegenstellingen: tussen de schuchterheid van het dubbend hart en de inspraak des Heren, tussen hart en ziel, tassen Wet en Genade. In het eerste kwatrijn weerhoudt de dichter zijn zondig hart om het H. Sacrament te naderen door de gedachte aan zijn ziel die door het heilig recht verslonden is. Het tweede kwatrijn bevat een dialoog tussen Godsspraak en dubbend hart. In het eerste terzine nodigt de Godsspraak het hart uit, waarna in het laatste terzine de ziel haar toestemmend antwoord geeft. Door de dramatisering van verschillende binnen zijn persoon verenigde elementen maakt Lodenstein de innerlijke verscheurdheid zichtbaar. Hij ‘wordt zichzelf gewaar als iemand, die uit losse delen schijnt te bestaan, waartussen onvoldoende verbinding tot stand komt, alx God haar niet aanbrengt’ (A. van Duinkerken, Beeldenspel, p. 120). Als hier van tragiek sprake is, dan geldt die echter niet alleen of zelfs maar in de eerste plaats Lodenstein zelf, maar de zondige mens.
2Opdringen: zich verheffen, zich verstouten om te naderen.
10-11De anti-these tussen wettische godsdienst die geen rechtvaardiging brengt en rechtvaardiging door de geloofsgenade berust op Paulus' brief aan de Galaten. De hele terminologie in dit gedicht (verstocker, gesogt, gevonden - en eerder - verslonden, wand'len) is bijbels zonder dat een bepaalde tekst letterlijk wordt aangehaald.
13eygen: eigen toe, neem aan. so cragtig: adjektief in post-positie!
14stenig: stenen; de beeldspraak is hier niet visueel maar intellectief zoals in de 17e eeuw vaak voorkomt, c.f. L.C. Michels, Filologische opstellen III, Zwolle 1961, p. 117-122.