terug  begin  verder

Genoegen in het cleyne*

 
On-nosel diertje! sprack u taal /1
 
U liefelijcke stemme-straal /
 
Uw wijse treckjes altemaal:
 
Wat wijsheyd soud gy ons /
5
Wat wijsheyd soud gy ons al leeren?
 
Wat wijsheyd leert gy ons dog niet?
 
Nu 't Godlijck Woord-boeck van u lied
 
Ons waarlijck wijs-maackt; en 't bedied8
 
Leert van uw lieflijck quinckeleren.
[p. 65]
10
Cleyn segt gy (Menschjes) ben ick: cleyn
 
Mijn nootdruft is / en nesje reyn /
 
En koos daar voor geen Conings pleyn /12
 
Want groter can ick niet
 
Want groter can ick niet besitten.
15
Mijn vol genoegen / mijn genugt
 
Heb ick als d'ongebonde vlugt
 
Mag kiesen d'eyndelose lugt /
 
En 't sonne-ligt my schenckt sijn' hitten.
 
 
 
Laat d'Oyevaar / de grote Swaan
20
Veel rijsen slepen af end' aan /20
 
Ick sal een vrolijck liedje slaan
 
Mijn Schepper onder dies22
 
Mijn Schepper onder dies ter eeren:
 
Wat ben ick veler sorgen vry!
25
Wat singt en springt mijn hertje bly!
 
Ick werd benijd nog ick beny /
 
En niemant steurt mijn quinckeleren.
 
 
 
De sotticheden van uw breyn
 
De soeticheden van het Cleyn
30
Verwarelosen; om een pleyn30
 
Veel groter dan gy cunt
 
Veel groter dan gy cunt besitten:
 
Daar uw genoegen uw genugt
 
Vind ruymer ligt / en ruymer lugt /
35
Daar 't hert om 't eyndelose sugt /
 
En branden can in Hemelsch' hitte.
[p. 66]
 
Siet (Mensch) met goeden oogen aan37
 
Dat sotten grote gangen gaan /38
 
Maar leert met my een liedtje slaan
40
Ons Schepper / dien gy kent /
 
Ons Schepper / dien gy kent / ter eeren:
 
Wat waart gy veler sorgen vry?
 
Wat song en sprong uw herte bly?
 
Doet dog soo / of com (cont gy) my
45
(Ick sal het doen) uw lof-sang leeren.
 
 
 
Dat soete beckje / 't pluym-gediert /
 
Dat wuff van tackje op tackje swiert /47
 
Spelt vast mijn vonnis; dog bestiert48
 
Mijn gangen oock / en ick
50
Mijn gangen oock / en ick wil 't volgen.
 
Weg! ydel eer / ondraaglijck pack!
 
Gemack vol lastig ongemack!
 
Weg! wigtig Goud! ick kies den tack53
 
Van 't heyl dat my heeft opgeswolgen.54

11. Wintermaant 1659.55

*Thematische verwantschap met Vondel's Wiltzangk (WB, IX, p. 279) nodigt uit tot een vergelijking. In beide gedichten bezingt het vrolijk vogeltje zijn onbezorgd geluk dat zo schril afsteekt tegen het hebzuchtig gezwoeg van de mens. Hoewel ook Vondel een verbinding legt tussen het Beatus ille-motief van Horatius en de evangelische bezitloosheid van Mattheus 6: 26, culmineert bij hem de geluksstaat van de vogel toch in een eeuwige bruiloft hier op aarde. (cf. W.J.M.A. Asselbergs Staatzucht en bruiloft, in Nijmeegse colleges, Zwolle 1967, p. 198). Het vogeltje van Lodenstein wijst nadrukkelijker naar het hemels heil. De luchtige liedvorm met zijn drievoudige rijmen, zijn verkleinwoorden en retarderende effecten evenaart overigens Vondel's Wiltzangk.
1On-nosel: onschuldig.
8bedied: betekenis.
12Conings pleyn: koninklijk paleis.
20rijsen: takjes.
22onder dies: ondertussen.
30pleyn: ruimte, plaats.
37met goeden oogen: zonder afgunst (niet in WNT); cf. het omgekeerde: iets of iemand met schele ogen aanzien.
38groote gangen gaan: ‘de grote mijnheer uithangen’; cf. WNT IV, p. 219-220: gangen gaan = zich gedragen.
47wuff: snel, beweeglijk.
48Spelt: voorspelt.
vast: diverse mogelijkheden: 1) vast en zeker; 2) onophoudelijk; 3) reeds; cf. Weijnen, paragraaf 110.
53wigtig: hier met dubbele betekenis van ‘gewichtig’ en ‘zwaar’.
54opgeswolgen: cf. voor wat hierboven, p. 64, over Lodensteyn's intellectieve beeldspraak is opgemerkt.
55Wintermaant: december.

terug  begin  verder