terug  begin  verder

[p. 67]

Het jonge en onbecommert leven*

 
Doet yemand sorg / of jaren beven /
 
Verteert hem commer of verdriet /
 
(Hoe wonder wel lust my het leven!)
 
Van sorg of commer weet ick niet.
 
 
5
Mijn jeugdig hert wil aan geen banden /
 
Het schrickt voor commer en voor pijn:
 
Dies geev' ick dat in Iesus handen /7
 
Daar 't altijds vry en bly sal sijn.
 
 
 
Mijn hertje is een wees verlaten /9
10
En / als het sig van schild ontbloot /
 
Ist onder duysend die het haten /
 
In duysend prijck'len van de Dood.12
 
 
 
De wereld segt / Ick sal u cleden
 
Met sijd en costelijck gewaad /
15
Dat na de mood' uw soete leden
 
En jonge jaren voeg'lijck staat.
 
 
 
Ick deck uw wang met losse locken;
 
Ick maack uw arm ter elboog naackt:
 
Ick koord' en boord' uw sijde rocken;19
20
En herstell' al wat u mismaackt:
[p. 68]
 
Ick prang uw schouders in balijnen /21
 
In doecken en in diere kant:22
 
En doe in soet verschiet verschijnen
 
Aan hand en borst den Diamant.
 
 
25
Weg ydelheden! strenge banden!
 
Aan-lockelijcke slaverny!26
 
Gy bindt mijn armen en mijn handen /
 
En laat mijn jeugdig hert niet vry.
 
 
 
Soud ick mijn wel-geschapen leden /
30
En dier-gecogte sieltje meed /
 
En jonge jaren gaan besteden
 
In 't kopen van mijn eeuwig leed?
 
 
 
Die sijde stricken wis sijn stricken /33
 
En prangen van mijn vrye siel;
35
Daar my de Hel me'e komt versticken /
 
Op dat ick in sijn handen viel.
 
 
 
Mijn lieven Jesus trouwen Vader /37
 
Die Deugd-cieraad voor ydlen schijn38
 
Wt-deelt; gy sult mijn goedheyds ader
40
En ick sal altijd d'uwe sijn.
 
 
 
Het is my beter hier met Deugden
 
Voor Godt en mensch verciert te staan /
 
(Want dat is hier ons Hemels-vreugde /
 
Eer wy ten Hemel inne-gaan;)
 
 
45
Dan na een cleyn vermaack van d'oogen
 
Verworpen van uw aangesigt /
 
Het eeuwig knersen te gedogen
 
In 't eeuwig Duyster / sonder Ligt.
[p. 69]
 
Sal ick eens Hallelu-jah singen
50
Met die hier sijn in smaad en pijn /
 
Soo moet ick van de wereldlingen /51
 
Als Jesus Bruyd / gescheyden sijn.
 
 
 
Pause
 
 
 
De bose lusten my verleyden
 
Door overdaat en leckerny /
55
Om my van Jesus af te scheyden
 
Door slegte tongen-heerschappy.
 
 
 
Neen tonge / daar sijt gy te cleyn toe /
 
Gy werdt so ligt mijn Meester niet:
 
En Hertje daar sijt gy te reyn toe /
60
En onder suiverder gebied.60
 
 
 
Mijn Jesus / als ick so veel spijse
 
Maar hebbe / dat ick leven can /
 
So sal ick uwe Goedheyd prijsen
 
Voor enckel brood als smaacklijck Mann.64
 
 
65
In waarheyd dit en is mijn spijs niet /
 
Maar 't Hemelsch brood van boven af;
 
Het vleesch dat Jesus ons ten prijs liet
 
Als hy 't voor ons ter cruyce gaf.
 
 
 
Begeerten! die ick niet en kenne /
70
Blijv uyt mijn onbesoedelt hert /
 
Dat ick aan Jesus liefde wenne /
 
Op dat het niet bevleckt en werd.
 
 
 
Ey Jesu lief! besit mijn oogen:
 
Ey Jesu lief! besit mijn tong:
75
Ey Jesu lief! wilt niet gedogen
 
Dat oyt mijn voet te dertel sprong.
[p. 70]
 
Ey Jesu lief! besit mijn ooren/
 
Ey Jesu! houd mijn handen vast/
 
Dat die niet dertels oyt en horen /
80
Dat geen van desen mis en tast.
 
 
 
Ja Jesu lief! besit gy 't herte /
 
En houdt dat rijck voor eeuwig in /82
 
Duldt daar nog min / nog minne-smerte /
 
Als / Iesu lief! uw reyne min.
 
 
85
Nog eens Heer Jesu! mijn gedagten
 
(Die duysenden tot stricken sijn)
 
Bewaart die / dat sy maar betragten
 
Ons liefden / Here / d'uw en mijn.
 
 
 
Laat dubben / dutten in gepeynsen /89
90
Laat sugten vry so lang hy leeft /
 
Laat anders dencken / anders veynsen
 
Die Jesum liev niet liev en heeft:
 
 
 
Laat vry / die wil / die heerschappy toe /
 
En treurig draag dien overlast /93-94
95
Mijn jeugdig hert blijft daar te vry toe /
 
Mijn jonge jaren vreugde past.96
 
 
 
U sal ick soetste Jesu singen /
 
Een vrolijck liedtjen; en weerom
 
Mijn hertjen in u vrolijck springen /
100
Van nu aan tot mijn ouderdom.
[p. 71]
 
Daar sal dan 't Hallelu-jah na-slaan /101
 
Als ick u in een reyn gewaad
 
Sal als een reyne maagd'lijn na-gaan
 
Op Syons hoogten / waar gy gaat.+104
 
 
 
2. Pause
 
 
105
Niet can mijn herte meer bederven105
 
Als 't volgen van mijn eygen sin,
 
Dies leerde Jesus my versterven
 
Als ick quam t'sijner scholen in.
 
 
 
Mijn eygen sin is niet dan draff: ja109
110
Mijn Jesus is mijn heyl: daarom
 
Hoe 'k verder van my selven af-ga
 
Hoe 'k digter by mijn Iesus com.
 
 
 
En meest dewijl mijn jonge jaren
 
Des Hemels wegen ongewent /
115
In 's menschen-saken onervaren
 
Sijn; Jesus uw geleyde sendt.
 
 
 
Gy hebt mijn Vader my benomen /117
 
Dat was uw wil / dies oock de mijnn':
 
U sal ick / Heer / als Vader schromen /119
120
En so sult Gy mijn Vader sijn.
 
 
 
Mijn lieve Moeder sal ick eeren /
 
En lieven met een trouwe min /
 
En in gehoorsaamheyd gaan leeren
 
Haar Moederlijck gebod en sin.
[p. 72]
125
Mijn lieve Moeder uw bevelen
 
Sal ick betragten alle-tijd /
 
Die my na 't goddelijck bedelen127
 
Mijn Vader en mijn Moeder sijt.
 
 
 
Mijn sin / mijn soete Jesu! buygen
130
Wil ick om u / en Moeder meed /
 
En dat in al mijn doen betuygen /131
 
Dog meest so ick ten egte treed.
 
 
 
3. Pause
 
 
 
Myn Hert / Heer Jesu! wilt hervormen
 
Ten Hemel door uw Heerschappy /
135
Om die met yver te bestormen:
 
Den sleur-trant van de werld verby.136
 
 
 
Geen sleur-dienst can mijn siel genoegen /137
 
My walgt het padt dat d'eerde gaat /
 
Maar wil my met die reye voegen139
140
Die steeds op Zyons heuvel staat.
 
 
 
Weg vuyle lied'ren / dertle boecken /
 
Het Woord dat 's Hemels liefde gaf /
 
Sal ick in Liefden ondersoecken:
 
Sendt / Heer / uw Geest van boven af.
 
 
145
Het verckens-gnorren van de sangen
 
Des werelts is mijn siele een last /
 
Mijn jeugdig vrolijck hert sal hangen
 
Aan Zyons maat-sang eeuwig vast.
 
 
 
Uw lieve leedtjes / Here / clede'
150
En spijsigen mijn spijse sy;
 
En dat ick in dien pligt bestede
 
Mijn tijd / mijn geld / mijn sorg / en my.
[p. 73]
 
Doet my / Heer / na Bethlehem reysen /
 
My na de lage hutjens troont /
155
En lóóven doet / dat dat paleysen
 
Sijn / daar gy nu onsigtbaar woont.
 
 
 
In die paleysen sal ick singen /
 
Op Conincklijcken toon / het lied
 
Van uwe diere Lievelingen;
160
De wereldlingen kennen 't niet.
 
 
 
Haar vreugden is maar schijn van vreugde:
 
Het blickren van een doorne-vlam /162
 
Die maar een corten tijd verheugde /
 
En in verdriet een eynde nam.
 
 
165
Het Hert heeft in dat lachen smerten
 
(So is het gall met soet vermomt)
 
Als 't hert (hoe vrolijck) wil beherten167
 
Den wissen rekendag / die comt.168
 
 
 
Mijn vreugd / sal door / en weer door / vreugd sijn /169
170
Een vreugd / dien Jesus selve stuyrt;170
 
En 't Jeugdig hert van nu verheugt sijn /
 
In blijdschap die voor eeuwig duyrt.
 
 
 
Lust ymand draf / en slavernye /
 
Dat hy vry om de wereld ding' /
175
En ly dat ick de leckernye'175
 
Van 't jeugdig leve pluck; en sing.
[p. 74]
 
Doet ymand sorg of jaren beven /
 
Verteert hem commer of verdriet:
 
(Hoe wonder wel lust my het leven)
180
Ick weet van sorg of commer niet.
 
 
 
Mijn jeugdig hert wil aan geen banden /
 
Het schrickt voor commer en voor pijn;
 
Dus geev ick dat in Jesus handen /
 
Daar 't altijd vry en bly sal sijn.

25. Ougstmaand 1661185.

*Van dit bij uitstek zangerige lied werden de strofen IV t/m VI door Geerten Gossaert, enigszins gewijzigd, opgenomen in zijn gedicht In meretricem nimis immaturam (voor het eerst gepubliceerd in Het Jaar der Dichters, Muzenalmanak voor 1912; nadien herdrukt in zijn Experimenten). Gossaert zelf sprak van ‘een verantwoord citaat uit een ouder gedicht organisch ingeschakeld in een nieuw’. Door die wijziging ‘werd een stichtelijk lied (...) dat een waarschuwing behelst tégen de gevaren der zinnelijkheid, omgegoocheld tot een integrerend deel van een mild ònstichtelijk, knapjes zinnelijk gedicht’ (Geerten Gossaert, Op het matje, in Maatstaf III, 1955-'56, p. 675-676).
7Dies: daarom.
9verlaten: het adjectief staat na het substantief!
12prijck'len: gevaren.
19koord': voorzie van koord = fluwelen of zijden streng; cf. WNT VII, 5437; een ww. koorden wordt daar niet vermeld.
boord': voorzie van een boordsel; meestal gebruikt men het ww. omboorden met die betekenis van een boord aannaaien, cf. WNT III, 473.
21prang: boei.
22diere: kostbare.
26Aan-lockelijcke: misschien met allusie op de locken van vs. 17.
33wis: zeker.
37Mijn lieven Jesus is genitief.
38voor: in plaats van.
51Soo: dan.
60gebied: heerschappij.
64Mann: manna.
82En houdt dat rijk (van het hart) voor altijd bezet.
89dubben: weifelen.
dutten in gepeynsen: sombere gedachten koesteren.
93-94Laat gerust, wie dat wil, die heerschappij (van de aardse liefde) hem overmeesteren en laat hem er de droeve last van ondervinden.
96Mijn jonge jaren: aan mijn jonge jaren.
101na-slaan: weerklinken; deze betekenis niet in WNT dat met betrekking tot het gezang (van vogels) alleen de betekenis van ‘nabootsen’ kent.
+Openb. 14: 4.
104Openb. 14: 4: ‘Deze zijn het, die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden; deze zijn het, die het Lam volgen, wáár Het ook heengaat; deze zijn gekocht uit de menschen, tot eerstelingen Gode en het Lam.’
105Niet: niets.
109draff: eigenlijk: drab, spoeling; figuurlijk: wat zedelijk onrein is. ‘Dit gebruik berust waarschijnlijk geheel op dat in de gelijkenis van den verloren zoon’ (WNT III, 3227).
117De vader van de dichter stierf 21 april 1660.
119schromen: eerbiedigen.
127bedelen: toewijzen.
131Lodenstein is evenwel nooit getrouwd!
136sleur-trant: de gewone manier van doen; niet in WNT.
137sleur-dienst: in sleur ontaarde godsdienst (WNT XIV, 1696).
139reye: schare.
162blickren: flikkeren.
167beherten: ter harte nemen.
168Cf. Matth. 12: 36: ‘Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de menschen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels.’
169door en weer door: door en door.
170stuyrt: richting geeft.
175ly: verdraag.
185Ougstmaand: augustus.

terug  begin  verder