*Van dit bij uitstek zangerige lied werden de strofen IV t/m VI door Geerten Gossaert, enigszins gewijzigd, opgenomen in zijn gedicht In meretricem nimis immaturam (voor het eerst gepubliceerd in Het Jaar der Dichters, Muzenalmanak voor 1912; nadien herdrukt in zijn Experimenten). Gossaert zelf sprak van ‘een verantwoord citaat uit een ouder gedicht organisch ingeschakeld in een nieuw’. Door die wijziging ‘werd een stichtelijk lied (...) dat een waarschuwing behelst tégen de gevaren der zinnelijkheid, omgegoocheld tot een integrerend deel van een mild ònstichtelijk, knapjes zinnelijk gedicht’ (Geerten Gossaert, Op het matje, in Maatstaf III, 1955-'56, p. 675-676).
19koord': voorzie van koord = fluwelen of zijden streng; cf. WNT VII, 5437; een ww. koorden wordt daar niet vermeld. boord': voorzie van een boordsel; meestal gebruikt men het ww. omboorden met die betekenis van een boord aannaaien, cf. WNT III, 473.
104Openb. 14: 4: ‘Deze zijn het, die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden; deze zijn het, die het Lam volgen, wáár Het ook heengaat; deze zijn gekocht uit de menschen, tot eerstelingen Gode en het Lam.’
109draff: eigenlijk: drab, spoeling; figuurlijk: wat zedelijk onrein is. ‘Dit gebruik berust waarschijnlijk geheel op dat in de gelijkenis van den verloren zoon’ (WNT III, 3227).
168Cf. Matth. 12: 36: ‘Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de menschen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels.’