terug  begin  verder

't Cruyce van een Christen*

 
Al ist van Cruys, van leed / van droefheyd / van verdriet /
 
Dat ick dit Lied op heff / uyt smerte en is het niet:
 
Want Jesu lieve Heer! die my altijd verheugt /
 
Voor een pond cruys en leed wel duysend ponden vreugd!4
 
 
5
Dat ick geen aardschen schat / nog rust / nog lust geniet /
 
Noch op de wereld troost maar onlust en verdriet;
 
Dat is om uwent wil O Jesu lieven Heer!
 
Mijn schat / mijn rust / mijn lust / mijn hoop / mijn troost / mijn eer.
 
 
 
Gy vult al mijn gebreck / mijn nodelose sorg
10
Staackt gy / als gy u stelt voor al mijn schulden Borg:
 
Dies wat ick lijden moet / O Jesu lieven Heer!11
 
Wil ick wel lijden / en / als 't u belieft / nog meer.
[p. 81]
 
Dat ick des werelts schat weldoende missen moet /
 
Gedwongen of verschalckt berooft werd van mijn Goed:14
15
Dat is om uwent wil O Jesu lieven Heer!
 
Dat wil ick lijden / en / als 't u belieft / nog meer.
 
 
 
Dat ick mijn siel met sorg voor so veel' haters hoe'en
 
En met veel arbeyd moet des liefdes pligten doen /
 
Dat is om uwent wil / O Jesu lieven Heer!
20
Dat wil ick lijden / en / als 't u belieft / nog meer.
 
 
 
Dat ick mijn lichaam leuy tot neerstige arbeyd dwing /21
 
En om uw leedtjes teer met mijne lusten ding:
 
Dat is om uwent wil / O! etc.
 
 
 
Dat ick in nood of vrees op uw gebod my stel
25
Tot vasten, en ter sonden-doot mijn lichaam quel:
 
Dat is om uwent wil / O! etc.
 
 
 
Dat ick my speen van lust, en voor de satheyd rijs27
 
Met vake uyt den slaap / met honger van de spijs:28
 
Dat is om uwent wil / O! etc.
 
 
30
Dat ick mijn vrienden / ja mijn dierbaar naaste bloed /
 
Als ick uw voetstap volg / van my vervreemt sien moet;
 
Dat is om uwent wil / etc.
 
 
 
Dat ick den bitsen steeck der monden vol fenijn33
 
Verdraag / dewijl' mijn mond haar ziel wil balsem sijn:
35
Dat is om uwent wil / etc.
 
 
 
Dat ick ondragelijck aan 't menschelijck geslagt
 
Des werelts uyt vaagsel ben verschopt / bespott / veragtt:
 
Dat is om uwent wil / etc.
[p. 82]
 
Dat ick in haar oog na mijn eygen hersens leev'39
40
Daar ick mijn will' in d'uw geheelijk overgeev':
 
Dat is om uwent wil / O! Iesu lieven Heer /
 
Dat wil ick dulden / etc.
 
 
 
Als ick in desen all nog mis de vriendelijckheyd43
 
Van uwes Vaders gunst ter hoop- en hulp-loosheyd;
45
Dat is om uwent wil / etc.
 
 
 
Ja dat de wagter self / die my sijn troost belooft /
 
Met mijne clagten spott / en sig mijn sleuyer rooft;46-47
 
Dat lijd ick al om u O Jesu lieven Heer
 
Ick wilt wel lijden / en / als 't u belieft / nog meer.
 
 
50
'k Veragt Rijckdom en rust en 's vleesches lusten al /
 
En wat my 's werelts troost / of aansien geven sal:
 
Want Gy sijt (segg ick nog) O Jesu lieven Heer!
 
Mijn schat / mijn rust / mijn lust / mijn hoop / mijn troost / mijn Eer.

16. Loumaand 1659.54

*Lodenstein's alexandrijnen hebben slechts zelden de ‘normale’ tweeledigheid met een cesuur halverwege de versregel. Zijn heftige bewogenheid geeft ook aan deze lange verzen een grote expressiviteit, vol onverwachte syntactische rustpunten en metrische verschuivingen. Een tweede hieraan tegengesteld vormkenmerk is gelegen in de sterke syntactische parallellie tussen de opeenvolgende strofen (‘Dat ick... Dat is...’) die een zekere koppige nadrukkelijkheid suggereert.
4Het tweede woord krijgt metrisch nadruk. Er staat pondē.
11Dies: daarom.
14verschalckt: bedrogen. Er staat Gedwongē.
21leuy: lui (adjectief in postpositie).
27speen: onthoudt, ontzeg.
satheyd: verzadiging.
rijs: opsta (van tafel of bed).
28vake: slaap. L. mocht dat wel zeggen: hij stond elke morgen om drie uur op!
33steeck: schimpscheut.
39haar: van de wereld namelijk.
43desen: de andere mensen, ‘'t menschelijck geslagt’ van vs. 36.
46-47Cf. Hooglied 5: 7: ‘De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij; zij sloegen mij, zij verwondden mij; de wachters op de muren namen mijnen sluier van mij.’ Lodenstein doelt met die wachter op de stedelijke overheid die hem, als predikant, zou moeten steunen maar hem juist tegenwerkt.
54Loumaand: januari.

terug  begin  verder