*Lodenstein's alexandrijnen hebben slechts zelden de ‘normale’ tweeledigheid met een cesuur halverwege de versregel. Zijn heftige bewogenheid geeft ook aan deze lange verzen een grote expressiviteit, vol onverwachte syntactische rustpunten en metrische verschuivingen. Een tweede hieraan tegengesteld vormkenmerk is gelegen in de sterke syntactische parallellie tussen de opeenvolgende strofen (‘Dat ick... Dat is...’) die een zekere koppige nadrukkelijkheid suggereert.
4Het tweede woord krijgt metrisch nadruk. Er staat pondē.
43desen: de andere mensen, ‘'t menschelijck geslagt’ van vs. 36.
46-47Cf. Hooglied 5: 7: ‘De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij; zij sloegen mij, zij verwondden mij; de wachters op de muren namen mijnen sluier van mij.’ Lodenstein doelt met die wachter op de stedelijke overheid die hem, als predikant, zou moeten steunen maar hem juist tegenwerkt.