terug  begin  verder

[p. 91]

III. Deel
Behelsende eenige / Stigtelijke Invallen / op / Verscheydene Voorvallen.

[p. 93]

Op een versch Hoender-Ey geschoncken tot verquickinge*

 
Gaat segt oyt weer / dat die den Hemel dient1
 
Den Hemel in syn sorge niet te vriend
 
En vindt; nog werd / als hy in last verstickt /3
 
Verquickt.
 
 
5
Daar was een trouw getuyge / die den poock5
 
Van Jesus vyand in het hoy ontdoock /6
 
En had van enckel honger in sijn traan
 
Vergaan /
 
 
 
Had niet den Hemel goedig hem verquickt /9
10
En een gepluymde Kakelers beschickt /10
 
Die hem van dag tot dag besogt / en ley
 
Een ey.
 
 
 
Onwetend deed dat beesje sulck een goed.
 
Maar Christi lieveling het Christlijck doet /
15
En dient / uyt Jesus liefde / Jesus raad
 
Met daad.
[p. 94]
 
Hoe tijdig quam dat schepsel daar te pas?17
 
't Was of m'er Christi-leden-liefd' in las /18
 
Die (buyten hard) den merg van binnen heeft /
20
En geeft.
 
 
 
'Ten leeft niet maar 't is digt by 't leven: can
 
Dus haast sijn cragt uyt-leveren / en van22
 
Sijn Voetsel 't swacke lijff van flauwten hoe'n23
 
En voe'n.
 
 
25
Maar hoger! 't Eytje toont my in sijn schaal
 
Het sobre leven / dat wy altemaal
 
Hier leven / of niet leven / 'k weet haest niet27
 
Hoe 't hiet:
 
 
 
Tot dat den Geest (als 't water in 't begin)29
30
Het met sijn warmt' uyt broed' / en Jesus in
 
Sijn laatste comst geev / dat het heel volmaackt31
 
Ontwaackt.
 
Amen.
*Dit gedicht illustreert een opvallende trek van de piëtistische religiositeit, namelijk haar neiging om alle kleine voorvallen uit het dagelijks leven door godvruchtige meditatie te begeleiden. Zelfs het nietigste gebeuren levert ‘dankensstof’ en nodigt uit tot geestelijke toepassing. Talrijke voorbeelden bij Willem Sluiter, Theodoor à Brakel, David Montanus en geestverwanten.
1Gaat segt: De eerste geb. wijs betekent: welaan! en is slechts een korte, levendige aansporing; de tweede maakt het eigenlijke bevel uit (WNT IV, 39). vs. 1-2 houden een uitdaging in: Zeg het ooit nóg eens dat hij die de hemel dient, de hemel in zijn zorg niet een vriend bevindt te zijn... etc.
3nog: noch.
werd: wordt.
5een trouw getuyge: cf. o.a. Hand. 26: 16: ‘om u te stellen tot een ... getuige der dingen’ in navolging van Christus die in Openb. 1: 5 ‘de getrouwe getuige’ wordt genoemd.
poock: dolk.
6Jesus vyand: de duivel.
9goedig: goedgunstig.
10Kakelers: eigenlijk: kakelaarster; betekent: een hoen.
beschickt: gezonden.
17Het zeventiende-eeuws plaatst na een uitroep in de vorm van een retorische vraag een vraagteken; cf. Weijnen, p. 17.
dat schepsel: versta: dat ei, zoals blijkt uit het vervolg.
18Christi-leden-liefd': de liefde die de leden van Christus' gemeente kenmerkt.
22haast: weldra.
uyt-leveren: uitdelen.
23van: tegen.
flauwten: zwakheid.
hoe'n: beschermen. Het is niet ondenkbaar dat Lodenstein, verzot op allegoriseren als hij is, het ww. hoe'n gebruikt om een woordenspel met hoen = kip mogelijk te maken.
27haest: bijna.
29Cf. Gen. 1: 2: ‘de Geest Gods zweefde op de wateren’.
31Sijn laatste comst: de Parousia of wederkomst des Heren waarover gesproken wordt in Openb. 1: 7.

terug  begin  verder