terug  begin  verder

[p. 108]

Cruys-Schole van J. Christi Gemeynte.>
Op de voorvallen des selven Jaars.**

 
O Kruys-nacht schoner dan de dagen!
 
Hoe can de werld het ligt verdragen
 
Dat in uw duysternisse schijnt?2-3
 
De Cruycelingen cunnen selven4
5
Ten gronde van dat heyl niet delven /
 
Daar al uw droefheyd in verdwijnt.
 
 
 
De Cruycelingen stonden deerlijck7
 
En sagen in het cruys verveerlijck8
 
Malcand'ren aan; en hieven 't oog'
10
En hert / en hand te saam na boven;
 
Maar riepen (so het scheen) ten doven:
 
Tot sig den Hemel tot haar boog.
[p. 109]
 
Den Hemel ging sijn hulp bestellen /13
 
Onsigtbar' hulp / en strax de schellen14
15
Van d'oogen vielen / en 't was ligt.
 
Doe sagen wy de soete vrugten16
 
Van al ons kermen / al ons sugten /
 
In 't cruyce selv ons toegerigt.18
 
 
 
't Hovaardig herte wierd gebogen:19
20
De lage sielen vlogen hoge:
 
De creup'len liepen als een hind:21
 
De swacken droegen sware lasten:
 
Het Cooren bleev ten dorsch-vloer vaste /
 
Als 't caff verstoov voor sulck een wind.24
 
 
25
O! heyl'ge wind! wat baart gy heylen!25
 
By u ons trage boot can seylen:26
 
Gy maackt van onse vonck een gloed:
 
Gy reynigt onse lugt van dampen:
 
En onse siecke siel van rampen:
30
Dewijl gy 't caff verstuyven doet.30
 
 
 
Gy doet ons speceryen vloeyen:
 
En ons met vleug'len opwaarts spoeyen:
 
Gy maakt ons vrugt den Hemel soet:
 
Gy maalt het stenig hert aan bricken:34
35
En doet de flauwe siel verquicken:35
 
Dewijl gy 't caff verstuyven doet.
[p. 110]
 
Te vooren in ons oogen schenen
 
Verwerpelijcke slegte steenen38
 
En onbequaam ten Kercken-bouw /
40
Die in den strijd in storm en baren40
 
't Huys onderschraagden als pylaren /
 
En stonden op den hoeck-steen trouw.42
 
 
 
Te vooren dagten wy het waren
 
Onwrickelijcke Kerck-pylaren,44
45
Die laas! so haast de schudding quam45
 
Strax toonden d'ongesonde gronden46
 
In laster-schrift / of laster-monden
 
Op d'onweerbare duyv' / dat lam.
 
 
 
O! heyl'ge smelt-croes! wat al heylen49
50
Baart gy! die soo het hert cunt peylen /
 
En wijst ons wat daar binnen is.
 
En leert ons 's Geestes eerstelingen52
 
Den donck'ren dag der cleine dingen53
 
Niet smaden als een duysternis.
 
 
55
En leert ons sien hoe menschen liegen.
 
Die sullen ons niet meer bedriegen /
[p. 111]
 
Hoe schonen schijn haar boosheyd deckt.
 
Die wolven kentmen aan haar tanden /
 
Als 't vyer haar schaapen-vagt verbranden59
60
Comt; en ons so ten baken streckt.
 
 
 
Ja 't vier aan 't branden / niet te vreden /
 
Den schonen schijn van lammer-cleden
 
Te teren / grijpt haar selven aan:63
 
En sengt haar vagt / en crenckt haar luyster /64
65
Ja sendt sijn cragt / en dringt sijn fluyster65
 
Door 't vel / om 't vleesch met pijn te bra'en.66
 
 
 
Mijn luyt! hier dienen hoger snaren.
 
Daar sie ik 't vier door 't vel-diep varen
 
En roosten 't vleesch / en roosten 't been:
70
Ick vrees men raakt door pijn aan 't rasen.
 
So maar den storm niet voort gaat blasen71
 
Den vlam door d'ingewanden heen.
 
 
 
Raad-rijcke Godt! wat sijn uw wercken
 
Met aandagt weerdig aan te mercken!
75
Men had dien roock gebracht ten vlam /75
 
Men woud / men soud uw diere sielen
 
Met duysend / in een gloed vernielen /
 
Die telgen delgen met de stam:
[p. 112]
 
Maar 't vuyr was van uw eygen handen /
80
(Alstuyrend Godt) geraackt aan 't branden /
 
Des moest'et uwen wille doen;81
 
Des van / en na uw wijsheyd blaken /
 
En geen van uw Gesalfden raken /
 
Ten waar om haar van quaad te hoe'n.
 
 
85
Den vlam om siel en lijff te teren
 
En cond nog siel nog lichaam deeren;
 
Maar bragt het heil in grote maat:
 
Een toetse der Opregticheden
 
Verbranden 't schuym van bose seden
90
Voor helsch vergiff / voor siel-verraad.
 
 
 
Thans ruckten 't vier op 't felst aan 't woeden
 
(Dewijl dat schuym de vlamme voede)
 
Sijn oogmerck / en sijn paal verby;93
 
En vat het naast en valt aan 't schroocken94
95
Die self den gloed voor and'ren stoocken /
 
En braadt sijn stokers op een ry.96
 
 
 
Daar teert het scepters, cronen, ampten,97
 
Daar d'ydelheyd so lang om campten /
 
In eenen dag. en als een mot
100
Verteert het pragt van purp're cleden
 
De vangsten van Staatsugtigheden /101
 
En maackt haar vanger tot een spot.
[p. 113]
 
My dunckt / ick sie de Drie her-leven103
 
Die brandend' ongeschonden bleven
105
En Viere wierden in het vier.+
 
My dunckt / ick sie dat rot her-sterven106
 
Die sig verdorven in 't verderven107
 
In 't vierig woeden op die Vier.
 
 
 
Den Godt van Abednego, Mesah
110
En Sadrag, die ons rampen me sag
 
Riep; Mijn Magt eyndt in Babel niet.
 
O Lam! die 't vier hebt met uw wonden112
 
Dat u verslinden woud / verslonden /
 
Verslindt den vloeck van ons verdriet.
*Het derde deel van Lodenstein's Uyt-Spanningen bevat een viertal Aandagten over de kerckelijcke voorvallen des jaars 1660; achtereenvolgens: Treur-liedt, Weemoedige Suchten ende Gelovige Gebeden van de bedroefde gemeinte Jesu Christi tot haren Heere, Cruys-Schole en Standvastige Onstantvastigheyd der onder-Hemelsche dingen. Het zijn uiterst felle reacties op de eind 1658 weer opgelaaide strijd in Utrecht over de autonomie der kerk. Het conflict spitste zich toe op de vraag of de kerkelijke goederen, zoals werkelijk het geval was, aan particuliere leken ten goede mochten komen, of ten dienste der kerk moesten worden aangewend. De streng-gereformeerde predikanten onder wie Lodenstein, Teellink en Van de Velde, geruggesteund door Voetius, eisten het laatste. De stedelijke magistraat wilde hier niet van weten. Toen het stadsbestuur bovendien toelating eiste van twee politieke commissarissen tot de kerkeraadsvergadering, waartegen de genoemde predikanten vanaf de kansel scherp protesteerden, kwam het tot een openlijke uitbarsting Op 19 juli 1660 werd aan Van de Velde en Teellinck bevolen om de provincie Utrecht binnen 24 uur te verlaten. Lodenstein werd kennelijk ontzien, hetzij om zijn voorname afkomst, hetzij om zijn prestige bij de gemeente. Maar hij liet zich de mond niet snoeren, getuige onder andere deze Cruys-Schole.
De eerste strofe is een imitatio van de aanhef van de Rey van Klaerissen uit Vondel's Gijsbrecht van Aemstel.
*titel: het aantal samenstellingen met kruis- in 17e-eeuws piëtistisch taalgebruik is legio; cf WNT VIII, 432 vv.
des selven Jaars: 1660.
2-3de paradox reeds bij Vondel.
4Cruycelingen: zij die hun heil stellen op Christus en Diens kruis (niet in WNT).
7deerlijck: jammerlijk.
8verveerlijck: geducht (adjektief in postpositie).
13bestellen: verlenen.
14strax: aanstonds.
16Doe: toen.
18toegerigt: toebereid.
19Cf. Jes. 5: 15: ‘...de oogen der hoovaardigen zullen vernederd worden’ en Jes. 13: 11: ‘de hoovaardij der tirannen zal Ik vernederen.’
21Cf. Jes. 35: 6: ‘Alsdan zal de kreupele springen als een hert.’
24Cf. Ps. 1: 4: ‘Alzoo zijn de goddeloozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft.’
25Cf. Ps. 147: 18: ‘Hij doet Zijnen wind waaien.’
26By: door.
30Dewijl: aangezien.
34stenig: stenen.
bricken: gruzelementen.
35flauwe: krachteloze.
38slegte: ongeschikte; cf. Ps. 118: 22: ‘De steen, dien de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden’.
40in den strijd: de kerketwist van 1658-1660.
42In Efez. 2: 20 heet Christus ‘de uiterste hoeksteen’.
44Onwrickelijcke: onverzettelijke, d.w.z.: betrouwbare.
Kerck-pylaren: steunpilaren van de kerk.
45laas: helaas.
46d'ongesonde gronden: onbetrouwbare grondvesten, bodem; tevens woordspeling met gronden in de zin van redenen.
49Cf. Jer. 9: 7: ‘Daarom zegt de Heere der heirscharen alzoo: Ziet, Ik zal hen smelten, en zal hen beproeven’.
52eerstelingen: eerstgeborenen; cf. Rom. 8: 23: ‘...maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben.’ De woordgroep 's Geestes eerstelingen in vs. 52 is bijstelling.
53Cf. Zach. 4: 10: ‘Want wie veracht den dag der kleine dingen?’
59vyer: vuur; cf. Job 1: 16: ‘Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen’. Lodenstein denkt natuurlijk vooral aan het beeld van de wolven in schaapsvel, waarvan sprake is bij Matth. 7: 15.
63teren: verteren.
haar: meerv. mannelijk.
64crenckt: schendt.
luyster: (uiterlijke) pracht, glans.
65fluyster: gloed; afleiding van ww. fluisteren = flikkeren, stralen, cf. WNT III, 4581.
66bra'en: verbranden.
71So: als.
75Men had die rook tot een vlammend vuur opgepookt. Versta: men had dat smeulend conflict aangewakkerd tot een brand.
81Des: daarom.
93paal: grens.
94schroocken: (ver-)schroeien.
96stokers = onruststokers, scheurmakers wordt hier ook in letterlijke zin gebruikt, aansluitend bij de gevolgde beeldspraak.
97ampten: heeft hier wel speciaal betrekking op de waardigheden van de oude kapittels, die toen onder dezelfde titels nog door aanzienlijke gereformeerden bekleed werden.
101vangsten: ontvangsten; hier speciaal: emolumenten, ongeregelde ontvangsten naast het vaste inkomen.
Staatsugtigheden: het streven naar een hogere rang dan men rechtens bekleedt. Dit typisch vondeliaanse woord is in dit mede door Vondel geïnspireerde gedicht op zijn plaats.
103de Drie: de drie jongelingen (Sadrach, Mesach en Abèd-nego) in de vuuroven, waarover verteld wordt bij Dan. 3. Terwijl zij, gecompleteerd door een engel Gods, met hun vieren ongedeerd bleven, verteerde het vuur juist hun beulen.
+Dan. 3: 23, &c.
106rot: schare.
107sig verdorden: zichzelf verteerden.
112vv. Cf. hetgeen hierboven p. 64 is opgemerkt over intellectieve beeldspraak in de 17e eeuw.

terug  begin  verder