*Het derde deel van Lodenstein's Uyt-Spanningen bevat een viertal Aandagten over de kerckelijcke voorvallen des jaars 1660; achtereenvolgens: Treur-liedt, Weemoedige Suchten ende Gelovige Gebeden van de bedroefde gemeinte Jesu Christi tot haren Heere, Cruys-Schole en Standvastige Onstantvastigheyd der onder-Hemelsche dingen. Het zijn uiterst felle reacties op de eind 1658 weer opgelaaide strijd in Utrecht over de autonomie der kerk. Het conflict spitste zich toe op de vraag of de kerkelijke goederen, zoals werkelijk het geval was, aan particuliere leken ten goede mochten komen, of ten dienste der kerk moesten worden aangewend. De streng-gereformeerde predikanten onder wie Lodenstein, Teellink en Van de Velde, geruggesteund door Voetius, eisten het laatste. De stedelijke magistraat wilde hier niet van weten. Toen het stadsbestuur bovendien toelating eiste van twee politieke commissarissen tot de kerkeraadsvergadering, waartegen de genoemde predikanten vanaf de kansel scherp protesteerden, kwam het tot een openlijke uitbarsting Op 19 juli 1660 werd aan Van de Velde en Teellinck bevolen om de provincie Utrecht binnen 24 uur te verlaten. Lodenstein werd kennelijk ontzien, hetzij om zijn voorname afkomst, hetzij om zijn prestige bij de gemeente. Maar hij liet zich de mond niet snoeren, getuige onder andere deze Cruys-Schole.
De eerste strofe is een imitatio van de aanhef van de Rey van Klaerissen uit Vondel's Gijsbrecht van Aemstel.
*titel: het aantal samenstellingen met kruis- in 17e-eeuws piëtistisch taalgebruik is legio; cf WNT VIII, 432 vv. des selven Jaars: 1660.
46d'ongesonde gronden: onbetrouwbare grondvesten, bodem; tevens woordspeling met gronden in de zin van redenen.
49Cf. Jer. 9: 7: ‘Daarom zegt de Heere der heirscharen alzoo: Ziet, Ik zal hen smelten, en zal hen beproeven’.
52eerstelingen: eerstgeborenen; cf. Rom. 8: 23: ‘...maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben.’ De woordgroep 's Geestes eerstelingen in vs. 52 is bijstelling.
53Cf. Zach. 4: 10: ‘Want wie veracht den dag der kleine dingen?’
59vyer: vuur; cf. Job 1: 16: ‘Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen’. Lodenstein denkt natuurlijk vooral aan het beeld van de wolven in schaapsvel, waarvan sprake is bij Matth. 7: 15.
96stokers = onruststokers, scheurmakers wordt hier ook in letterlijke zin gebruikt, aansluitend bij de gevolgde beeldspraak.
97ampten: heeft hier wel speciaal betrekking op de waardigheden van de oude kapittels, die toen onder dezelfde titels nog door aanzienlijke gereformeerden bekleed werden.
101vangsten: ontvangsten; hier speciaal: emolumenten, ongeregelde ontvangsten naast het vaste inkomen. Staatsugtigheden: het streven naar een hogere rang dan men rechtens bekleedt. Dit typisch vondeliaanse woord is in dit mede door Vondel geïnspireerde gedicht op zijn plaats.
103de Drie: de drie jongelingen (Sadrach, Mesach en Abèd-nego) in de vuuroven, waarover verteld wordt bij Dan. 3. Terwijl zij, gecompleteerd door een engel Gods, met hun vieren ongedeerd bleven, verteerde het vuur juist hun beulen.