'T is lang / maar nu 'k verlang / nu is het eens so lang.
[p. 123]
'T mag wel verlangen heten /
Want als ons siel de beten
15
Van 't Sal, en nog niet lijdt
Dan met verlangen / schijnt / verlangen wy den tijd.16
*Dit gedicht maakt deel uit van een tweede reeks Invallen op eene and're Reyse en Weder-reyse tusschen Sluys en Holland, vermoedelijk kort na de vorige ontstaan. Een van de stemmingrijkste verzen van Lodenstein. In de laatste strofe wordt het verlangen naar Sluis als een zielsverlangen aangeduid. ‘De woordjes 't zal en nog Niet, in een latijnse letter afstekend tegen de gotische letters van de rest, hebben een bepaalde functie in de tale Kanaäns maar toch, dit geschiedt zo onopvallend, met zo weinig nadruk op de allegorische ‘keer’ in het gedicht, dat het de liefdesbetuiging voor Sluis niet verzwakt, integendeel het verlangen naar Sluis ongeforceerd, als het ware vanzelfsprekend, op één lijn gesteld wordt met het verlangen naar gemeenschap met de Heer’ (J. van Ham, Lodenstein in Zeeland, p. 14).
2vlaggens: waarschijnlijk een hollandisme, cf. C.B. van Haeringen Neerlandica, 's-Gravenhage 1949, p. 203-204.
3en doet geen boet: brengt geen voordeel aan; boet: genezing, hulp, herstel; boet doen: baten; cf. WNT III, 194.
8Flus: zojuist. Cassandria: eigenlijk: Retranchement-Cassandria, dorp in Zeeuws-Vlaanderen, in het land van Cadzand, drie kwartier gaans van Sluis; cf. A.J. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, III (1841), p. 29; (1847), p. 439.
16Het woordspel met de dubbele betekenis van verlangen = 1) wensen; 2) verlengen, ontleent L. waarschijnlijk aan het sonnet van Hooft ‘Geswinde grijsart...’, waarvan de laatste regels luiden: ‘Maer 't schijnt verlangen daer sijn naem af heeft gecreghen,/ Dat jck den Tijdt, die jck vercorten wil, verlang.’