terug  begin  verder

[p. 141]

Aanhangsel
Van eenige Gesangen die in de or-/dre overgeslagen waren.

[p. 143]

Eensaemheyd met God*

 
Hemelsch Ooge! wilt gy dogen1
 
Dat ick u com spreken aan?
 
Laat dan alle // Schepsels vallen
 
Uyt mijn hert / en buyten staan.
5
O! Heylig eensaam! met Godt gemeensaam5
 
Altijd eenig om-te-gaan /
 
Altijd eenig om-te-gaan.
 
 
 
Al mijn tragten // Mijn verwagten /
 
Is na U / Mijn Godt alleen:9
10
Want de klare / Segen-a'ren10
 
Scheyden sig uyt u van een.11
 
O! Heylig eensaem! Met Godt gemeensaem!
 
Was ick maer met U gemeen!
 
Was ick maer met U gemeen!
 
 
15
O Woestijne! // Daer verdwijne'
 
Moet wat in de wereld blinckt.16
 
Daer mijn ooren // niets en horen /
 
Daar mijn oog het al ont-sinckt.
[p. 144]
 
O Salig eensaem! Met Godt gemeensaem!
20
Daer het al van Godtheyd blinckt!
 
Daer het al van Godtheyd blinckt!
 
 
 
's Werelds agten,, Ick veragten22
 
Kan / in dese Heyl-woestijn.
 
Schatten, staten,, willig laten /
25
Al mijn lusten sonder pijn.
 
O Salig eensaem! Met Godt gemeensaem!
 
Daer ick leev' op Hemels Wijn!
 
Daer ick leev' op Hemels Wijn!
 
 
 
Ach! hoe nietig // Hoe verdrietig
30
Is des Werelds omme-ganck!30
 
Die met woorden // ons vermoorden /
 
En versticken met haer stanck.
 
O Salig eensaem! Met Godt gemeensaem!
 
Duyre dat vry eeuwen lanck!
35
Duyre dat vry eeuwen lanck!
 
 
 
Al het Heerlijck,, Is verkeerlijck36
 
En der Princen gunsten wind:37
 
Niet dan duyster // Al den luyster
 
Die men in de Wereld vindt.
40
O Salig eensaem! Met Godt gemeensam!
 
Daer ick ben de Hemels vrind!
 
Daer ick ben des Hemels vrind!
[p. 145]
 
Hier en comen geen onvromen
 
Hier en comt geen vrome by.
45
Groot nog kleene: Maer allene
 
Ick / en Heere Jesu, gy.
 
O Salig eensaam! Met Godt gemeensaem!
 
Daer ick vrolijck ben / en vry.
 
Daer ick vrolijck ben / en vry.
 
 
50
Met U leev' ick / Met U sweev' ick50
 
Jesu door het goed' en quaed:
 
Met U sterf ick / Met U erf ick
 
Dat by u te wagten staet.
 
O Salig eensaem! Met Godt gemeensaem!
55
Daer mijn Jesus met my gaet.
 
Daer mijn Jesus met my gaet.
 
 
 
In het oordeel // Daer geen voordeel57
 
Is / voor ymand groot of kleen /58
 
Daer geen vrinden / Vrienden vinden59
60
Is Het Jesus my alleen!
 
O Salig eensaem! Met Godt gemeensaem!
 
In dat oordeel in te treen!
 
In dat oordeel in te treen!
*Het bekendste gedicht van Lodenstein, dat echter dikwijls aanleiding gegeven heeft tot de misvatting als zou deze dichter het wezenlijke onderscheid tussen schepsel en Schepper uit het oog verloren hebben. De uit vier trocheeën bestaande verzen worden door een cesuur in twee membra verdeeld die dikwijls ook door het binnenrijm met elkaar corresponderen. Een telkens twee versparen verbindend enjambement geeft het zo lyrische gedicht toch een hechte syntactische structuur.
1dogen: toestaan.
5eensaam: eenzaamheid. G. Brom (Perk en Lodenstein) meende nog een verre echo van deze regel te horen in het slot van Perk's Iris (Verz. Ged., ed. G. Stuiveling, Amsterdam 1958, p. 165):
Mij is gemeenzaam, wie even eenzaam
Het leven verlangende slijt
En die in tranen zijn Vreugde zag tanen...
Doch liefelijk lacht, als hij lijdt!
Van een ritmische overeenkomst, als Brom beweert, is echter geen sprake.
9na: naar.
10Segen-a'ren: eigenlijk aderen van zegen, genadestromen.
11Ontspringen uit U.
16blinckt: schittert, aanzien geniet.
22De twee komma's dienen hier en elders om de aandacht te vestigen op het binnenrijm. Van enige konsekwentie in interpunctie blijkt echter niets.
30omme-ganck: verkeer.
36verkeerlijck: veranderlijk.
37Princen: vorsten.
50Cf. Vondel's Kinder-lyck, vs. 7: ‘Boven leef ick, boven zweef ick’.
57het oordeel: het Laatste Oordeel.
58kleen: klein.
59Versta: waar geen vriendenpolitiek mogelijk is. Men merke het grote verschil tussen vergelijkbare hemelfantasieën bij preromantici als Feith, Van Alphen en Bellamy, voor wie de hemel juist de ontmoetingsplaats van vroegere aardse relaties blijkt.

terug  begin  verder