terug  begin  verder

[p. 149]

Genaden afgrond*

 
Diepe kolcken / nare gronden1
 
Als voor my uw afgrond speelt /2
 
Sie ick / dunckt my / in een beeld
 
D'ondoorgrondelijcke gronden
5
Van Gods liefde sonder peyl
 
Van het onbegrepen Heyl.6
 
 
 
Eer de bergen / eer de dalen7
 
Resen / daalden / hoog en leeg /8
 
Eer daar damp van d'eerde steeg /9
10
Eer de Son / of Maan haar stralen
 
Sonden / 't water wist sijn ty:
 
Daalde Godes gunst op my.
 
 
 
'k Was nog niet / en 'k was verkoren13
 
'k Wist het self niet / en het Goed
15
Dat ons eeuwig sal'gen moet
 
Was (al eer ick was geboren)
 
Eer ick 't wenschte / toe-gedagt /
 
Dat my nu werd toe-gebragt.18
[p. 150]
 
Doe ick eerst dit ligt aanschouwde19
20
Sag ick dat met oogen boos
 
Sonder heyl / en hopeloos.
 
't Eerste digtsel dat ick bouwde
 
Was / van mijn Heyl af te gaan /
 
En niet dan in my te staan.
 
 
25
Eer my Godt woud sien bederven25
 
Daar ick ter verderve liep
 
Hy my flux te rugge riep:
 
Beyd! mijn Soon sal liever sterven28
 
Seyd' Hy / een vervloeckte Dood
30
Dan gy sterven in die Noodt.
 
 
 
Ja dien Soon sal ick u geve'
 
Dat Hy met u door den Geest
 
Een sy / En uw siel geneest /33
 
In u wone, in u leve34
35
Tot dat eens volmaackte deugd
 
Breng uw siel tot volle vreugd.
 
 
 
Diepe kolcken / nare gronden
 
Uwen af-grond is nu Niet38
 
By de diepten die men siet39
40
In dees grondeloose gronden
 
Van het onbegrepen Heyl
 
Van Gods liefde sonder peyl.
*De vier-trocheïsche liedstrofe vertoont een rijke melodische variatie als gevolg van de syntactische geleding die het vers plotseling versnelt of vertraagt (cf. bijv. vs. 8-9).
1kolcken: (peilloze) afgronden.
nare gronden: angstaanjagende diepten.
2speelt: zich voordoet, opdoemt.
6onbegrepen: oneindig.
7vv. Heeroma verwijst voor deze passage naar het scheppingsverhaal in Gen. 1; voor vs. 7 denke men echter ook aan Ps. 104: 8: ‘De bergen rezen op; de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrondt hadt.’
8leeg: laag.
9d'eerde: de aarde.
13verkoren: uitverkoren (tot de hemelse zaligheid; cf. o.a. Efez. 1: 4: ‘Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem’). Lodenstein doelt hier op het gereformeerde leerstuk der Providentie, Gods van eeuwigheid af vastgelegde raadsbesluiten, speciaal met betrekking tot 's mensen verkiezing of verwerping. De grote kerkvergadering van de Gereformeerde Kerk, te Dordrecht in 1618-1619 gehouden, hield zich o.a. uitvoerig met deze kwestie bezig.
18Dat mij nu wordt toebedeeld.
19Doe: toen.
eerst: voor het eerst.
25bederven: verloren gaan.
28Beyd!: wacht!
33Cf. Ps. 41: 5: ‘O Heere (...) genees mijne ziel’.
34Cf. 2 Tim. 1: 14: ‘Bewaar het goede pand, dat u toebetrouwd is, door den Heiligen Geest, Die in ons woont.’
38is nu Niet: stelt nu niets voor.
39By: in vergelijking met.

terug  begin  verder