*Een aantrekkelijke, zij het weinig gekende, kant van Lodenstein's dichterschap manifesteert zich in zijn puntdichten. Het epigram was in de renaissance-tijd een druk beoefend genre. Hoewel het aanvankelijk, bij Grieken en Romeinen, slechts de algemene betekenis had van een korte inscriptie of een gelegenheids-gedicht, vaak met een lovende strekking, ontwikkelt het zich allengs meer in satirische zin, waarbij de pointe aan het slot het overheersend kenmerk werd. Martialis (circa 40-102) levert hier het grote voorbeeld. Op zijn voetspoor schrijven de meeste renaissance-dichters hekelende epigrammen of puntdichten, in de volkstaal of in het latijn. Onder die neo-latijnse epigrammen-schrijvers moet vooral de Engelsman John Owen (1560-1622) genoemd worden. Onze Constantijn Huygens beoefende het genre in diverse talen. In zijn voetspoor schreef ook Lodenstein een 26-tal puntdichten. Zie over het genre J.D. Ph. Warners,
Het Nederlandse kwatrijn, Amsterdam 1947 (behandelt L. niet); R. Levy,
Martial und die deutsche Epigrammatik des siebzehnten Jahrhunderts, Stuttgart 1903; C.W. de Kruyter,
Gecommentarieerd woordspel, in
Spiegel der Letteren, jrg. XI (1969), 161-174. Voor het in de epigrammatiek zo geliefde woordspel zie H. Schultink,
De linguïstische grondslagen van het woordspel, Ntg. 57 (1964), p. 242-252.