terug  begin  verder

[p. 151]

Punt-digten*

Op eene weder-horige schoon van Lichaam.*

 
Uw handen sijn wel sagt; sagt sijn uw teere wangen;
 
Uw armen sijn wel sagt; sagt sijn uw preuytsche gangen;2
 
Uw keel en stem is sagt: sagt is den ganschen treck
 
Uws aanschijns; 't is al sagt; hard is alleen uw Neck.3-4
[p. 152]

Een trouw Dienaar.*

 
Godt sonder trouw te dienen is so goed1
 
Als Hem in trouw te dienen: dies ick (moet2
 
Ick in dit leven met of sonder vrouw // sijn)
 
Wil Hem getrouwt / of ongetrouwt getrouw // sijn.

Uyt-gelesen Boecken.*

 
Andries gy stoft op uyt-gelesen Boecken /1
 
En segt / gy hebt uw kas en Camer vol.2
 
So sijn uw kas / uw Camer en alle hoecken
 
Vol wijsheyd / maar uw hersens blijven holl.
5
Wat baat'et u Andries of gy met pijn
 
En groote kost veel boecken t'saam vergadert /
 
En setse daar / en stoft daar op. Dan sijn
 
En staan sy wel bestoft, maar niet door-bladerd /
 
En niet door-bladerd / sijn sy wel gepresen /
10
Wel uyt-gelesen, maar niet uyt-gelesen.
[p. 153]

Verdraagsaamheyd.*

 
Verdraagsaamheyd (riep Diotreeph) verdragen1
 
Moet d'een den and'ren / en hy had het noest2
 
Met vrome Leeraars van haar plaats te jagen.
 
Nu sie 'k / hy meent verdragen naar het woest.4
*Een aantrekkelijke, zij het weinig gekende, kant van Lodenstein's dichterschap manifesteert zich in zijn puntdichten. Het epigram was in de renaissance-tijd een druk beoefend genre. Hoewel het aanvankelijk, bij Grieken en Romeinen, slechts de algemene betekenis had van een korte inscriptie of een gelegenheids-gedicht, vaak met een lovende strekking, ontwikkelt het zich allengs meer in satirische zin, waarbij de pointe aan het slot het overheersend kenmerk werd. Martialis (circa 40-102) levert hier het grote voorbeeld. Op zijn voetspoor schrijven de meeste renaissance-dichters hekelende epigrammen of puntdichten, in de volkstaal of in het latijn. Onder die neo-latijnse epigrammen-schrijvers moet vooral de Engelsman John Owen (1560-1622) genoemd worden. Onze Constantijn Huygens beoefende het genre in diverse talen. In zijn voetspoor schreef ook Lodenstein een 26-tal puntdichten. Zie over het genre J.D. Ph. Warners, Het Nederlandse kwatrijn, Amsterdam 1947 (behandelt L. niet); R. Levy, Martial und die deutsche Epigrammatik des siebzehnten Jahrhunderts, Stuttgart 1903; C.W. de Kruyter, Gecommentarieerd woordspel, in Spiegel der Letteren, jrg. XI (1969), 161-174. Voor het in de epigrammatiek zo geliefde woordspel zie H. Schultink, De linguïstische grondslagen van het woordspel, Ntg. 57 (1964), p. 242-252.

*De eerste drie versregels zouden niet misstaan in een liefdesgedicht van Hooft of Huygens. Ook de kunstige chiasmen en de welluidende binnenrijmen kunnen deze illusie versterken. Des te verrassender komt de pointe in vs. 4, een ware tournure d'esprit, want de moralist blijkt toch onmiskenbaar zeer ontvankelijk te zijn voor de charmes van de hardnekkige schone. De pointe berust hier op een plotselinge overgang van eigenlijk naar metaforisch spraakgebruik (sagt: hard). Die wisseling correspondeert zeer zinvol met de overgang van lichamelijke naar geestelijke kwaliteiten.
eene weder-horige: iemand die niet wil horen, een ongehoorzame.
2preuytsche: trotse.
3-4treck Uws aanschijns: uw gelaatstrekken.

*Dit puntdicht mist een eigenlijke pointe. Het berust uitsluitend op het woordspel met trouw in zijn dubbele betekenis van ‘getrouw’ en ‘huwelijk’. De celibataire predikant houdt hier een oratio pro domo.
1so: even.
2dies: daarom.

*Een bekend thema voor de satiricus. Huygens schreef 31 december 1674 een puntdicht Aen boeckrijcke Dirck (Worp VIII, p. 121), dat mogelijk Lodenstein's model is geweest. Het luidt als volgt:
Ghij hebt veel' Boecken, Dirck: maer, wat ick soeck,
Ick vinder niet een uijtgelesen Boeck.
Het gegeven blijft tot ver in de 18e eeuw populair, bijv. in Wolff en Deken's Brieven van Abraham Blankaart III, br. 45, 's-Gravenhage 1789.
1stoft: pocht.
uyt-gelesen: zeldzame.
2kas: kast.

*Heeft hoogstwaarschijnlijk betrekking op de kerkestrijd in Utrecht, als gevolg waarvan in 1660 Lodenstein's ambtsgenoten en geestverwanten Teellinck en Van de Velde verbannen werden. Zie hierboven, p. 108.
1Diotrefes wordt genoemd 3 Joh. 9-10. Hij zocht binnen de gemeente de eerste te zijn, weigerde andere broeders te ontvangen en ‘verhindert degenen, die het willen doen, en werpt ze uit de gemeente.’
2noest: ijverig, druk. Dus: hij was druk in de weer.
4verdragen: wegdragen, deporteren.
het woest: ‘de rimboe’ (letterlijk: woest, afgelegen, onherbergzaam oord).

terug  begin  verder