*Dit gedicht is het enige van onze bloemlezing dat niet in de eerste druk van de Uyt-Spanningen voorkomt. Het werd voor het eerst opgenomen in de derde druk van 1681. Nog eenmaal herhaalt Lodenstein hier een gedachte die in heel zijn werk centraal staat: de mens moet zichzelf verloochenen, wil hij God vinden; stille ontvankelijkheid voor Gods inwerking brengt meer vrucht dan rusteloze arbeid.
13In de 4e druk staat abusievelijk hoet i.p.v. hart.
14Figura etymologica of verbinding van twee woorden met dezelfde woordstam, gewoonlijk - zoals hier - door kombinatie van werkwoord (pijnigt) met innerlijk subjekt (pijn) of objekt. Sommigen zoals Wolfgang Kayser rekenen deze gevallen onder de paronomasie of annominatio, cf. hierboven, p. 147.
66Cf. art. XIV van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis: ‘Daarom verwerpen wij al wat men hiertegen leert van den vrijen wil des menschen, aangezien de mensch niets dan een slaaf der zonde is en geen ding kan aannemen, zoo het hem uit den hemel niet gegeven zij.’ (De Nederlandsche Belijdenisgeschriften, ed. J.N. Bakhuizen van den Brink, Amsterdam 1940, p. 85). Tegen dit leerstuk van de geknechte wil (servum arbitrium) verzetten zich o.a. de Erasmiaanse libertijnen.