|
|
|
| |
J. van Lodensteyns swanen-gesangh,
Of het laatste by hem in sijn sieckte, korts voor zijn salig af-sterven gemaackt, en Zions kinderen na-gelaten.*
Aanbiddelijcke ontsagg'lijckheyt /
Wy buygen voor uw Majesteyt 2
En met en voor uw dienaar / dien 4
5
Ons' oogen nu onwercksaam sien / 5
En klagen uw ons smarten /
Op ons dalen / en komt halen
10
Tot den throon van uw genuchten. 10
| | | |
O! wonder Goddelijck beleyd!
Geen hitte sig door 't bloet verspreyt /
Geen koorts quelt hart of leden; 13
Geen groote pijn en pijnigt hem / 14
15
Geen schorrigheyt belet sijn stem /
Geen damp verwart de reden /
Legt u neder / tot ick weder
20
Wil / dan sult gy weer ontluycken. 20
'T is waar / uw dienaar na uw raadt 21
Moet stil sijn / en der boosen saadt 22
Sijn waarschouw niet kan hooren; 23
Maar soo een stilt geeft stercker stem
25
Van uw tot ons / als wy van hem
Oyt hoorden van te vooren /
Spreeckt / dog hooren / en gy d'ooren
30
Wis / gy soud ons hart dan trecken. 30
| | | |
Eerst sincken wy van schaamte weg /
Dat wy in ons een overleg
Van uwe daden maken; 32-33
Des Souvereynen Scheppers wil
35
Segt maar / werckt nu / en staat nu stil /
En, niemant kan het laken;
Van het spreken // Door sal breken 38
40
Uw loff sult gy al om krijgen.
Uw stemme roept ten Hemel uyt / 41
Swijgt Lodensteyn; want uw geluyd
Van woord heeft maar gekloncken;
Wat Dood' is uyt sijn dood gestaan? 44
45
Wat wereltling te rug gegaan? 45
Wat slapend' uyt sijn roncken?
Van mijn wesen / al mijn vresen
50
Waar toe dan uw nood-loos spreken?
'T is soo gy zegt! O Heyligheyt!
Siet dan eens op uw Christenheyt:
Met recht meed'lijdig' oogen: 53
Dat sig in 's waarheyts schoonen glantsch!
55
Door eygen lust vervoert vindt / gantsch
Van de waarheydt / doet uw klaarheydt
60
En vry alle licht verdwijnen.
| | | |
Het Arm verbijstert Christendom /
Dient Godt / en weet selfs niet waarom /
Als om haar eygen voordeel:
Het soeckt den Heylant / maar en vindt
65
Hem niet / om dat het niet bemindt /
Dan vryheydt in het oordeel: 66
Om de wonden van de sonden
70
Door verloog'ning te genesen. 70
't Versaken is haar bitterheydt /
Sy droomen van een Saligheydt
Door Jesum haar verkregen:
Maar uw te lieven // dat gewis 74
75
In boet en Kruys haar Hemel is /
Des sijn sy niet genegen: 76
Heylig Heere In sijn leere
80
En volmaackt in voorbeeldt aanwees.
Dat 's menschen heyl is / eygen wil
En lust en sin te houden stil;
En all' beweging effen; 83
Dat eygen heyl in eygen haat /
85
En in eens anders min bestaat!
| | | |
Kan niemandt nu beseffen.
Daar woelt / daar doelt 87
Ider na den drift hem raadt / en 88
90
Gods-dienst / meendt hy sig te vinden.
Daar hy sig selfs verliesen moet
En al sijn heyl / sijn hoogste goet
Moet vinden in 't verliesen:
'T verliesen van sig selfs / in Godt /
95
Dat is ons deel ons hoogste lot /
Van ons op 't hoogst te kiesen. 96
Dat gekomen voor de vroomen
100
En Gods kind'ren stelt in vreden.
Soo langen tijd heb ick geleeft /
Geswoegt / geploegt / gedraaft / gevlogen /
Om yet te sijn; en siet nu heeft 103
Dat yet en sig / en my bedrogen.
105
Soo my den Hemel langer tijdt
Gunt / om my tot sijn dienst te gorden /
My dunckt ick wil met grooter vlijt
Dat ick geworden ben / ontworden.
Soud' 't groote maacksel / in mijn siel
110
Ter eeren van den Maker / opgaan /
'T is billick dat daar gantsch verviel 111
All's dat ick self daar hadd' doen opstaan.
|
*Dit gedicht is het enige van onze bloemlezing dat niet in de eerste druk van de Uyt-Spanningen voorkomt. Het werd voor het eerst opgenomen in de derde druk van 1681. Nog eenmaal herhaalt Lodenstein hier een gedachte die in heel zijn werk centraal staat: de mens moet zichzelf verloochenen, wil hij God vinden; stille ontvankelijkheid voor Gods inwerking brengt meer vrucht dan rusteloze arbeid.
2Wy: de gemeente van de gestorven Lodenstein.
10genuchten: (hemel-)vreugden.
13In de 4e druk staat abusievelijk hoet i.p.v. hart.
14Figura etymologica of verbinding van twee woorden met dezelfde woordstam, gewoonlijk - zoals hier - door kombinatie van werkwoord (pijnigt) met innerlijk subjekt (pijn) of objekt. Sommigen zoals Wolfgang Kayser rekenen deze gevallen onder de paronomasie of annominatio, cf. hierboven, p. 147.
17Gy: het ‘Goddelijck beleyd’ van vs. 11.
20ontluyken: eigenlijk: opengaan (van een bloem, van ogen etc.); hier betekent het: tot leven komen, ontwaken.
22Moet stil sijn: zie hieromtrent de aantekening op p. 44.
der boosen saadt: het geslacht der bozen; cf. Jes. 1: 4: ‘Wee... het zaad der boosdoeners’.
23waarschouw: waarschuwing.
27Dat wy: Latere drukken hebben abusievelijk: Dat y.
32-33een overleg maken: overleggen; cf. WNT XI, 1833.
38Door sal breken: aan het licht zal treden, zich zal openbaren.
41ten Hemel uyt: vanuit de hemel.
44Dood': dode.
gestaan: opgestaan.
45wereltling: aardbewoner.
66Cf. art. XIV van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis: ‘Daarom verwerpen wij al wat men hiertegen leert van den vrijen wil des menschen, aangezien de mensch niets dan een slaaf der zonde is en geen ding kan aannemen, zoo het hem uit den hemel niet gegeven zij.’ ( De Nederlandsche Belijdenisgeschriften, ed. J.N. Bakhuizen van den Brink, Amsterdam 1940, p. 85). Tegen dit leerstuk van de geknechte wil (servum arbitrium) verzetten zich o.a. de Erasmiaanse libertijnen.
70verloog'ning: zelfverloochening.
87woelt: ageert.
doelt: streeft.
88na: naar.
drift: in de 4e druk staat abusievelijk driff.
89Even: insgelijks, eveneens; cf. WNT III. 4277-78.
96Voor ons het verkieslijkst.
97steyl: hoogte, verhevenheid.
|
|