terug  begin  verderprepost
[p. 64]

Vorm

§67.

Kwam in de afdeling ‘Inhoud’ de indeling van de literaire kunst in de diverse genres ter sprake, in het thans volgende deel zullen wij nagaan van welke middelen de dichter gebruik maakt, hoe bepaalde effecten ontstaan, welke de ‘technische regels’ zijn. Het is natuurlijk niet zo, dat de kunstenaar altijd welbewust en berekenend het een of ander stijlmiddel toepast, dat hij tegen zichzelf zegt: dit gedicht ga ik eens schrijven in die en die versmaat, ik zal daarbij gebruik maken van dit rijmschema, om het versritme te vertragen zal ik er veel enjambementen in verwerken, enz., of om met de woorden van S. Vestdijk te spreken: ‘Technische regels niet in die zin, dat de dichter er maar gebruik van hoeft te maken om een goed vers te kunnen schrijven, maar wel in den zin van een kunsttheoretische verklaring, die achteraf, nadat de gedichten eenmaal geschreven zijn, duidelijk maakt waarom die en die verschijnselen zijn opgetreden en andere verschijnselen achterwege zijn gebleven’ (De glanzende kiemcel).

Wij zijn evenwel van mening - en zijn het in dit opzicht dus niet eens met Vestdijk - dat kennis en inzicht het genieten van kunst dieper en blijvender doen zijn. De lezer moet niet blijven staan bij een vaag aanvoelen van dàt is mooi of dàt is lelijk, hij geve er zich ook rekenschap van: waarom vind ik dat lelijk, waarom vind ik dat mooi. Het spreken over deze en dergelijke dingen brengt met zich mee en vereist: een kennen en begrijpen van letterkundige termen. Volkomen waardeloos is het echter als men het laat bij het kennen der termen, als de kennis niet tot inzicht leidt. Dit inzicht kan in feite alleen ontstaan door het liefdevol benaderen van, het behoedzaam binnendringen in het kunstwerk, door lezen, - doch wij verstaan uitdrukkelijk niet onder lezen een oppervlakkige kennisneming!

Het thans volgende heeft geen andere bedoeling dan de wegen die naar het literaire kunstwerk leiden aan te wijzen, - het kunstwerk dat echter te allen tijde mysterie blijft.

§68.

Onder plastiek verstaan wij de beeldende, beter nog: de suggestieve kracht van de taal. De term is ontleend aan de beeldende kunst en brengt het gevaar mee, dat wij plastiek tot het louter visuele beperken. Een prachtig plastisch ‘beeld’ is b.v. Boutens' ‘het verre orgel van de zee’; het verschijnen van een gezien beeld bij de lezer zou echter juist het effect verstoren, het

[p. 65]

geheel zou belachelijk worden.

Deze suggestieve kracht kan de taal op verschillende manieren verkrijgen, - de voornaamste zijn wel:

a.de bijzondere zinsbouw. Vergelijk b.v. eens met elkaar:
 
De vogel vloog op, en Op vloog de vogel.
b.de klank. Zo b.v. in de strofe uit Mária Lécina van J.W.F. Werumeus Buning:
 
Honderd klokken van Londen doen Londen bonzen
 
en vier kathedralen Genua.
 
Maar geen brons kan zoo in het donker bonzen
 
als het hart van Mária Lécina
 
¿Porqué, Mária?
c.het ritme. Men vergelijke de trage beweging van het eerste der beide aan Gezelle ontleende voorbeelden (de beschrijving van een begrafenisstoet) met de hoekig-schichtige beweging van het laatste (waarin het snelle beweeg van een watertorretje beschreven wordt):
 
Traagzaam trekt de witte wagen
 
door de stille straten toen,
 
en 't is weenen, en 't is klagen
 
dat ze bin' de wijte doen! (wijte: huif)
 
Stap voor stap, zoo gaan de peerden
 
traagzaam, treurig, stille en stom,
 
en zij kijken, of't hun deerde,
 
dikwijls naar hun' Meester om; enz.
 
 
 
Kerkhofblommen
 
O krinklende winklende waterding,
 
met 't zwarte kabotseken aan, (kabotseke: schedelkapje)
 
wat zien ik toch geren uw kopke flink
 
al schrijven op 't waterke gaan!
 
 
 
Het Schrijverke
d.de beeldspraak. Zo b.v. als J. Slauerhoff van een zaal in een kil kasteel, waar het zonlicht slechts kort en spaarzaam doordringt, zegt:
 
'n zaal waar 't zonlicht vleermuisschuw verwildert.
 
 
 
Chlotarius

Dat plastiek niet het uitsluitende privilege is van dichters, bewijst: het woord dat wij eens hoorden uit de volksmond, toen een omvangrijk en slordig gekleed vrouwmens een Amsterdamse tram besteeg: ‘... daar heb je dat afgehaalde bed ook weer!’

[p. 66]

Beeldspraak

§69.

Men spreekt van beeldspraak als een voorstelling of indruk vergeleken wordt met of vervangen door iets wat er op lijkt of ermee verbonden is (het beeld), of kortweg: als iets vergeleken wordt met of vervangen door de naam van iets anders:

 
Dus reet hi henen metter vaert,
 
Stoutelike als een liebaert.
 
 
 
Walewein
 
Al haddi thooft ute brocht,
 
Eer hi die voete conde ghewinnen, (er uit krijgen)
 
Blever alle die clauwen binnen
 
Ende sine ruwe handscoen bede.
 
 
 
Reinaert
 
Klaere, wat heeft 'er uw hartje verlept,
 
Dat het verdriet in vroolijckheidt schept,
 
En altijd eeven beneepen, verdort,
 
Gelyck een bloempje, dat dauwetje schort?
 
 
 
P.C. Hooft, Sang
 
... maer wat op 's herten grond leyd,
 
Dat weltme na de keel: ick word te stijf geparst,
 
En 't werckt als nieuwe wijn, die tot de spon uytbarst.
 
 
 
J.v.d. Vondel, Roskam
 
Dichter en dichter stroomde de regen, hij begon het bosch met een grauwen,
 
glinsterenden sluier te omhullen.
 
 
 
F.v. Eeden, De kleine Johannes
 
Als lammeren wandelen, zacht en blank
 
Als room, de Meiwolken over 't hemelveld.
 
 
 
Hélène Swarth
 
Als een vrome tulp bloemt de lampvlam op de tafel...
 
 
 
F. Timmermans, Minneke Poes
 
Verlate dan de ziel haar vleeschelijke woning,
 
Die weldra achterblijft, een dienaar zonder heer,
 
Gelijk de zatte bij, die, zwaar van de'aardschen honing,
 
Wegvliegt van 't geurge veld door gouden schemersfeer.
 
 
 
J.C. Bloem, Euthanasia
 
van heel het mensenspel
 
neem ik afscheid door mijn bril met rose glazen
 
en wuif ik de Grote Verfdoos Aarde en Zon voorgoed
 
‘Vaarwel!’
 
 
 
Pierre Kemp
[p. 67]
 
De stilte is een vlinder
 
die in een laatste klaproos brandt,
 
de horizont een rups,
 
de schemering een witte moerbeiboom.
 
 
 
Nes Tergast
 
Weer gaat de wereld als een meisjeskamer open
 
het straatgebeuren zeilt uit witte verten aan
 
arbeiders bouwen met aluinen handen
 
een raamloos huis van trappen en piano's.
 
 
 
Paul Rodenko

§70.

De beeldspraak kan door veelvuldig gebruik afslijten, zij wordt dan tot cliché. Men zou een dergelijk cliché kunnen vergelijken met een muntstuk dat door velerlei vingers gegaan is: de beeldenaar is afgesleten, de voorstelling vaag geworden. Toen voor het eerst gezegd werd van de nacht, ‘dat hij zijn vale vlerken over het aardrijk uitspreidde’, was dit beeld nieuw en treffend; klakkeloze navolging en gedachteloos gebruik hebben er een cliché van gemaakt. Clichés kunnen echter weer ‘bruikbaar’ gemaakt worden door een kleine wijziging of toevoeging. Als iemand schrijft: ‘Daar kraait geen haan naar’, dan is dat een cliché; men zie evenwel wat Lodewijk van Deyssel van dit beeld maakt, als hij de auteur van de roman Porcelein toevoegt dat deze allerlei ‘literaire stukjes’ voor familiekring mag schrijven, zonder ‘dat de haan van míjn literatuur-hoeve daarnaar kraayen zou’.

Een beeld kan vals en onzuiver zijn, niet passen bij het object, zodat het als een te wijde jas er omheen slobbert. Men spreekt dan van bombast, zo b.v. als iemand naar aanleiding van een kleine alledaagse teleurstelling zegt, dat hem ‘het hart vaneen gereten wordt’. Als voorbeeld van bombast geven wij het bekende fragment uit J.F. Helmers' De Hollandsche Natie, waar, na het verhaal over de vlootvoogd Evertsen, de dichter vervolgt:

 
ó, Wie bij dit verhaal zijn borst niet voelt ontgloeien,
 
Niet naar zijn tombe snelt! daar niet een traan laat vloeyen,
 
Dáár niet met bloote kruin het koude marmer kust,
 
Waaronder 't overschot dier martelaren rust;
 
Daar God niet knielend dankt met zaamgeklemde handen,
 
Verdient des mijnslaafs lot, in 's aardrijks ingewanden!

Bij retoriek, waaronder wij verstaan: het onbezielde gebruik van overspannen taal, vinden wij gewoonlijk èn bombast èn cliché. In een kritiek op Aya Sofia van H.J.A.M. Schaepman schrijft Willem Kloos over retoriek o.a. het volgende:

Als b.v. de heer S. van een vrouw wil zeggen: dat zij hard is tegen haar
[p. 68]
medemenschen, dat zij weent noch bidt, maar zeer veel lijdt en haar geheele leven lijden zal, dan komt er dit bij hem uit (bladz. 77):
 
‘In hare borst draagt zij een steenen harte,
 
Daar welt geen traan, daar borrelt(!) geen gebed,
 
Daar groeft de stift der folterende smarte
 
Steeds dieper nog haar harde levenswet.’
Voel ik nu sterker en duidelijker, dat die vrouw verdriet heeft? Neen, maar indien ik me hier goed alles voorstel, - en dat mag men toch wel, als men leest? - dan zie ik alleen een vrouw voor mij, die een ontzettende hartkwaal heeft, en op het ogenblik een chirurgische operatie ondergaat, zonder dat zij daarbij in 't minste hare tegenwoordigheid van geest verliest.
In dit hieroglyphentaaltje is nagenoeg het geheele boek van den heer Schaepman geschreven.
Wilt gij nog een voorbeeld? Schaepman zal zijn lezers te kennen geven: dat er zonlicht is, overal waar men heen ziet (bladz. 19):
 
Een breede gouden sluier
 
Golft van de azuren boog
 
En hult in lichte plooien
 
't Van zonlicht dronken oog.
Dien sluier, ofschoon ook niet eigenhandig geweven, laat ik nog gelden, maar hoe, in godsnaam! kan iemand, als hij zonlicht ziet, aan een ‘in plooien gehuld en dronken oog’ denken? Dat is rhetorica, waarde doctor! voortbrodeeren op een gegeven patroon, zonder verder naar het eenige en onmisbare model, de natuur, te zien.

§71.

De overdrachtelijke stijlvormen, ook tropen genoemd (wel te onderscheiden van de tropen waarmee wij kennis maakten toen wij spraken over het ontstaan van het liturgische drama) vallen in twee hoofdgroepen uiteen:

a.metafora: de beeldspraak die berust op overeenkomst (De dood komt als een dief in de nacht), en
b.metonymia: de beeldspraak waarbij het noemen met een andere naam nièt geschiedt op grond van overeenkomst, doch op grond van een andere betrekking (De vloot bestond uit 14 zeilen).

§72. Tot de metafora behoren:

I. De vergelijking met ‘als’

Het te vergelijken object en het beeld worden beide genoemd, en verbonden door ‘als’ of ‘zoals’:

 
In een, in eenen dach, ben ick gheworpen t'onder:
 
En is verdwenen heel myn gloory claer, ghelyck
 
Als van den Hemel valt de sneeuw, en smelt in 't slyck.
 
 
 
P.C. Hooft, Geeraerdt van Velsen
[p. 69]
 
Wanneer de hoop, nabij de grenzen van haar streven,
 
Als een gebarsten klok haar laatste slagen klept.
 
 
 
J.C. Bloem, Euthanasia
 
Als een rivier, die alles rijk bevloeit,
 
en voortstroomt langs de zelf gebaande wegen,
 
zóó is de Waarheid...
 
 
 
J. Engelman, Ballade van de Waarheid
 
Als een zieke gouden sluierstaart
 
De dalende zon
 
In de hemelkom van water,
 
Vuurwater.
 
 
 
Bertus Aafjes, Avond
 
wij zijn diep in de regen van de tijd
 
als kleine insekten in hoog gras
 
 
 
Jan G. Elburg
 
De zon speelt aan mijn voeten als een ernstig kind
 
 
 
Paul Rodenko

De dienst van het verbindingswoord ‘als’ kan ook overgenomen worden door ‘van’ of door een genitief: een reus van een kerel = een kerel als een reus. Zo spreekt P.C. Boutens van ‘de luchteren der brem’.

Andere voorbeelden zijn:

 
Snel aan den hemel valt het water van het licht.
 
 
 
P.C. Boutens
 
Het witte boerendorp
 
Ligt in het Brussels kant der bongerden.
 
 
 
Bertus Aafjes

Hoe overheersend de functie van de beeldspraak kan zijn bewijst het hier volgende vers van Ellen Warmond:

Changement de décor
 
Zodra de dag als een dreigbrief
 
in mijn kamer wordt geschoven
 
worden de rode zegels van de droom
 
door snelle messen zonlicht losgebroken
 
 
 
huizen slaan traag hun bittere ogen op
 
en sterren vallen doodsbleek uit hun banen
 
 
 
terwijl de zwijgende schildwachten
 
nachtdroom en dagdroom haastig
 
elkaar hun plaatsen afstaan
 
legt het vuurpeloton van de twaalf
 
nieuwe uren bedaard op mij aan.
[p. 70]

§73.

Is de als-vergelijking zeer breed uitgewerkt, dan spreken wij van een homerische vergelijking:

 
Zoo als de adem des winds jaagt 't kaf door den heiligen dorschvloer
 
Onder het schudden der wan, als de blonde Demeter de graanvrucht
 
Zuiverend scheidt van het kaf, dat verstuift voor den blazenden luchtstroom;
 
Dan hoopt 't witte gestuif zich van onderen saam op den bodem;
 
Aldus werden d'Achaiërs bedekt en als wit door de stofwolk...
 
 
 
C. Vosmaer, Homerus' Ilias
 
Zooals een kleine vlinder hangt aan de leliekelk,
 
zijn teeder ivoor gezogen aan haar zuiverwitte melk:
 
de vleugeltjes trillend in 't zongoud licht,
 
de vlinder is pasgeboren, de vleugeltjes zijn nog dicht
 
die hij aanstonds zal uitspreiden tot vlinderkus zoo zacht
 
aan het witgroene bloemhart, lokkend in teedre schemerpracht,
 
zoo hing de ziel van dit kind tegen 't hart des levens aan,
 
in zacht getril zacht bewegend vlak voor het opengaan...
 
 
 
Henr. Roland Holst

Gorters Mei vertoont een overvloed van homerische vergelijkingen; een enkel voorbeeld uit vele (Mei ziet een donkere stoet haar overleden zuster April uitgeleide doen):

 
Zooals de schapen van de heide, laat
 
Door 't groene avondlicht gaan, dat wie staat
 
Op een bemosten heuvel, ze ziet gaan
 
Van den heizoom en in een donkre laan,
 
Den hoek om - zoo verliet die donkre troep
 
Die zij nazag zoolang nog het geroep
 
Van vogels opging, het gerekte strand.

Hoe C. Stip als hij Gorter wil parodiëren dat dan ook o.a. juist doet door een dubbele homerische vergelijking, zagen wij reeds in § 45.

§74. 2. De asyndetische vergelijking

Het te vergelijken object en het beeld staan zonder enig verbindingswoord naast elkaar. Daar de dichter het hier a.h.w. aan de lezer overlaat deze beide elementen met elkaar te verbinden, is de asyndetische vergelijking vaak buitengewoon suggestief:

 
In ondiep water, in het grauwe dagen,
 
Ontwaakt de ziel, een afgedreven boot,
 
Die stuurloos aan den diepen droom ontdragen
 
Den bodem der bewustheid stoot
 
 
 
P.C. Boutens
[p. 71]
 
Toen sloeg de Tijd,
 
Een hese wachthond op een ver erf, een
 
Der langzame uurnamen van den voornacht aan.
 
 
 
P.C. Boutens
 
En langs zich, zwart fantoom, ziet hij den stoet verdwijnen.
 
 
 
Geerten Gossaert
 
En als - een wind van licht - over dit donker bloed
 
uw adem komt,
 
 
 
A. Roland Holst
 
Kom, leg Uw hand op dit papier; mijn huid;
 
 
 
Leo Vroman
 
in dikke stukken kogelvrij glas
 
ving ik het schaarse licht op
 
dat uitliep op de grond
 
een lauwe, bleke plas
 
 
 
Remco Campert

§75. 3. De metafoor (in engere zin)

Het te vergelijken object wordt vervangen door het beeld.

 
Doe den gecroonden wolf de schaepkens nieu-geboren
 
Met zijn wreeden muyl te Bethlehem verslont
 
 
 
Jacobus Revins

waar Revius met ‘den gecroonden wolf’ Herodes, en met de ‘schaepkens nieu-geboren’ de slachtoffers van de kindermoord bedoelt.

 
Een effen duinvijver, een vogelpoel,
 
Die 'n zomerdag niets doet dan spiegelen
 
Het kleine vee, dat de lucht afweidt (de wolken).
 
 
 
Herman Gorter
 
Voordat de duisternis was ingevallen,
 
Ontstak die klare brand tusschen de twijgen
 
Der schrale lijsterbes...
 
 
 
Anthonie Donker

waar ‘die klare brand’ staat voor: nachtegaalgezang.

 
Verlate dan de ziel haar vleeschelijke woning (lichaam)
 
 
 
J.C. Bloem

§76. 4. De allegorie

Een het gehele kunstwerk door volgehouden metafoor. In Constantijn Huygens' Scheepspraet ten overlijden van Prins Maurits van Oranje (1625) wordt dit sterven genoemd: ‘te koy’ gaan, en met deze beeldspraak wordt

[p. 72]

nu alles in overeenstemming gebracht: Maurits is de Schipper, de zeven provinciën zijn ‘de vrije schepen van de seven-landtsche buert’, ‘de matrozen’ stellen het volk, de ‘Reeërs’ de Staten-Generaal voor, enz.

Andere voorbeelden van een allegorie zijn:

 
Philips van Marnix van St. Aldegonde, Den Biencorf der H. Roomsche Kerke (1569)
 
Joost van den Vondel, Palamedes (1625)
 
E.J. Potgieter, Jan, Jannetje en hun jongste kind (1841).

N.B. Het verschil tussen homerische vergelijking en allegorie is dus: de homerische vergelijking is een vergelijking, de allegorie een metafoor in engere zin;

de homerische vergelijking is een deel van het kunstwerk, de allegorie is het gehele kunstwerk.

§77. 5. De personificatie of persoonsverbeelding

Wij spreken van personificatie als abstracties of levenloze dingen voorgesteld worden als levende wezens. In De Rijnstroom (1629/30) spreekt Vondel deze rivier a.v. toe:

 
O onvermoeide molenaer,
 
O stedebouwer, schepedraeger,
 
O ryxgrens, schermheer in gevaer,
 
Wijnschencker, veerman, oeverknaeger,
 
Papieremaecker*, schaf papier
 
Daer ick uw glori op magh schrijven,
 
Uw water dat ontvonckt mijn vier. (enz.)

Bijna baldadig wordt het spel met personificaties dat Huygens bedrijft in zijn Batava Tempe (1621), waar hij de zon a.v. toespreekt:

 
My en sult ghy niet verjagen,
 
Felle Straelder van om hoogh,
 
Snelle Meter van ons' dagen
 
Jaeren-passer, Rond-om-oogh,
 
Dampen-trecker, Somer-brenger,
 
Dagh-verlenger, Vruchten-baet,
 
Beesten-bijter, Vel-versenger,
 
Blond-bederver, Joffer-haet,
 
Wolcken-drijver, Nacht-verjager,
 
Maen-verrasser, Sterren-dief,
 
Schaduw-splijter, Fackel-drager,
 
Dief-beklapper, Bril-gerief (die de bril te hulp komt)
[p. 73]
 
Linnen-bleicker, Tuyten-kroller,
 
Al-bekijcker, Nummer-blind, (nimmer blind)
 
Stof-beroerder, Hemel-roller,
 
Morge-wecker, Reiser-vrind. (vriend voor de reizigers)

Overheerst in bovenstaand voorbeeld het spelelement, suggestieve waarde krijgt de personificatie in:

 
Achter de wuivende duinenlijn
 
Stoeien de wind en de wilde zee,
 
 
 
P.C. Boutens
 
Lente vloog aan met suizende gebaren
 
met heftig wuiven van het groen gewaad,
 
haar losgewonde' en glanzend-natte haren
 
zwiepten achter haar aan in wilden maat.
 
 
 
Henr. Roland Holst
 
Toen plotseling een draaiorgel begon
 
Door de open deuren, dwars over 't balkon,
 
Te spugen zijn kwijldraderig gejank
 
 
 
J.A. Dèr Mouw
 
De kleine tovenaar Penseel
 
drinkt aan het napje Indisch Geel
 
en tript naar het groen gekarteld buiten
 
om duo's met de wind te fluiten.
 
 
 
Pierre Kemp
 
Schrijvenderwijs was ik ingeslapen,
 
schrijvenderwijs werd ik wakker bij nacht
 
omdat er woorden stonden te blaten
 
onder het open raam waar ik lag.
 
 
 
Wie had hen daar bijeengedreven,
 
was het de honger of was het de wind?
 
Ze stonden in een beginnende regen
 
doodstil te kleumen op het grind.
 
 
 
Guillaume van der Graft

Een bijzonder suggestieve werking gaat uit van het procédé waarbij niet de persoon zelf maar een hem karakteriserende eigenschap de handeling verricht:

 
En schoon mijn moeheid leunt ten dorpel
 
van den dood.
 
 
 
Geerten Gossaert
 
En zijn berusting weet zich tot den dood geveld
 
 
 
Geerten Gossaert
[p. 74]

Aardig is ten slotte hoe èn voor Timmermans, èn voor Aafjes de stilte een tastbaar iets wordt, en zij dit beiden uitdrukken met behulp van een ‘personifiërend’ werkwoord:

 
Een distelvink tikt gaatjes in de stilte.
 
 
 
Felix Timmermans
 
Een schot verschuift de stilte.
 
 
 
Bertus Aafjes

§78. 6. De synesthesie

Synesthesie berust op het verbonden zijn van de indruk van een bepaald zintuig met die van een ander zintuig, b.v. gehoor met gezicht, gevoel met gehoor. In de plaats nu van een woord dat b.v. een gezichtsindruk moet weergeven, wordt een woord gebruikt dat een gehoorindruk weergeeft. Zo spreekt men b.v. in de dagelijkse omgangstaal (want ook daar komt de synesthesie voor) van schreeuwende kleuren (auditief- visueel), bittere woorden (smaak - gehoor). In de literatuur zien wij deze vorm van beeldspraak vooral sinds de Romantiek, verder veelvuldig bij de Tachtigers en in de hedendaagse dichtkunst. Zo schrijft Lodewijk van Deyssel: ‘de groene ko peren klank van mijn spot’ en vinden wij in het gedicht Davos van Anthonie Donker een regel als:

 
Een koele sneeuw van tonen scheen te vallen.

als de dichter het lied van de nachtegaal beschrijft, een gezang dat hij even later noemt: ‘een zingend vuur, een stromend licht’. J.A. Dèr Mouw beschrijft in een van zijn gedichten het Parthenon als:

 
één akkoord van marm'ren klank.

Een uitermate kleur-gevoelig dichter als Pierre Kemp begint een van zijn korte gedichten met de fascinerende regel:

 
Het klinkt 20 groen in de lentestruiken.

§79.

Al de tot dusver genoemde tropen berustten op semantisch vergelijking, behoorden dus tot de metafora. Wij spreken van metonymia als het noemen met een andere naam niet geschiedt op grond van overeenkomst, doch op grond van een andere betrekking. De meest voorkomende betrekkingen tussen ‘beeld’ en ‘verbeelde’ bij de metonymia zijn de volgende:

1.het materiaal en het voorwerp dat van dit materiaal gemaakt is:
 
... schiet ik voort
 
Op het staal en ik duik
 
In de wind.
 
 
 
Clara Eggink
[p. 75]
In plaats van ‘schaatsen’ gebruikt de dichteres dus de metonymia ‘staal’.
2.het voorwerp dat iets bevat en de inhoud:
‘Geef mij nog maar een kopje’.
De spreker bedoelt (een kopje) koffie, en gebruikt de naam van het bevattende in plaats van de inhoud.
3.de maker en het gemaakte voorwerp:
Hij bezat een prachtige Van Gogh.
4.het geheel en een onderdeel. Hierbij kan zowel de naam van het geheel voor een deel staan als omgekeerd:
Nederland verloor met 2-0 (elf voetballers).
Even de neuzen tellen (aanwezigen).
In dit vierde geval gebruikt men wel de naam synecdoche. De meest voorkomende gevallen van synecdoche zijn die, waarbij de naam van een onderdeel aan het geheel gegeven wordt (pars pro toto). Zo noemt Maria Tesselschade een vogeltje: ‘een zingendt veedertje’ en gebruikt Vondel ‘kiel’ voor schip:
 
Men klaeght, indien de kiele strand, enz.

Zoals uit de voorbeelden blijkt, kan men over het algemeen welzeggen, dat de suggestieve kracht van de metonymia ten achter staat bij die van de metafora.

Klank en rijm

§80.

In § 68 wezen wij er reeds op, dat ook klank een plastische, suggestieve waarde kan hebben: de korte ĭ en ĕ hebben een lichte, heldere klank, korte ŏ en oe daarentegen een donkere, zware; in bepaalde omstandigheden kunnen zij respectievelijk iets vrolijks en iets droevigs suggereren. De bekende versregel van J.W.F. Werumeus Buning

 
Honderd klokken van Londen doen Londen bonzen

is heel wat suggestiever dan

 
Vijftig klokken van Rome doen deze stad dreunen.

De plastische waarde van de klank doet zich natuurlijk vooral gelden als hij herhaald wordt. Toch moet men hier voorzichtig mee zijn; ook hier is het: Overdaad schaadt. Als de klankherhaling al te opzettelijk wordt is het effect weg. Zo klinkt een gedicht als Uitvaart van W. Bilderdijk ons al te gezocht in de oren:

[p. 76]
 
Befloerste trom
 
Noch rouwgebrom
 
Ga romm'lende om
 
Voor mijn gebeente;
 
Geen klokgebrom
 
Uit hollen Dom
 
Roep' 't wellekom
 
In 't grafgesteente;
 
Geen dichte drom
 
Volg' stroef en stom;
 
Festoen* noch blom (bloemenkrans)
 
Van krepgefrom (rouwfloers)
 
Om 't lijk, vermomm'
 
Mijn schaamle kleente!
 
Mijn jaartal klom
 
Tot volle som,
 
Mijn oog verglom;
 
En de ouderdom
 
Roept blind en krom
 
Ter doodsgemeente. (enz.)

Terwijl, naar onze mening, Werumeus Bunings

 
Honderd klokken van Londen doen Londen bonzen

juist zijn suggestieve werking krijgt, mede door de erop volgende regel:

 
en vier kathedralen Genua.

Men spreekt van poésie pure als het gedicht uitsluitend zijn effect dankt aan de klank en het ritme (zie verder § 100).

§81.

De klankwaarde komt het sterkst tot uiting in de herhaling, dus in het rijm. Rijm is de overeenkomst van klank in (niet te ver van elkaar verwijderde) beklemtoonde syllaben. Daar er zowel woorden zijn die initiaal (begin-) accent hebben, als ook woorden met finaal (eind-) accent, is het duidelijk dat er twee soorten van rijm zijn: beginrijm en eindrijm. Varianten zijn dat alleen de klinker rijmt: klinkerrijm of assonantie (lamp/ brand), of dat de overeenkomst van klank beperkt blijft tot de medeklinkers: acconsonerend rijm (tafel/griffel)

§82. Beginrijm, alliteratie, stafrijm of Germaans rijm

In de Oudgermaanse poëzie was stafrijm het gewone rijm. Een versregel bestond uit twee vershelften en drie van de in totaal vier beklemtoonde syllaben vertoonden alliteratie, zodat de beide vershelften door de overeen-

[p. 77]

komstige klank toch weer een geheel vormden. Een voorbeeld van zuiver stafrijm vinden wij in de oudste ons overgeleverde Duitse versregel, de runenspreuk op de gouden hoorn van Gallehus (in Noord-Sleeswijk) uit de vijfde eeuw:

 
Ek Hlewagastir Holtingar/horna tawido.
 
Ik, Hlewagast, Holts zoon, heb de hoorn vervaardigd.

In latere bekende epische gedichten als Hildebrandslied en Heliand (eerste helft van de 9de eeuw) is deze dichtvorm nog doorlopend te constateren. Toch valt in deze eeuw de verdringing van de alliteratie (als enig rijm) door het eindrijm; dit gebeurt onder invloed van de Latijnse religieuze poëzie. Als wij letten op de definitie van rijm (overeenkomst van klank in de beklemtoonde syllaben) is dit ook te begrijpen: het Latijn had veel meer finaal accent.

Moderne dichters streven soms nog wel naar dit oorspronkelijk Germaans rijm, en wel om een archaïstische kleur in hun werk te brengen.

Zo b.v. in Starkadd (1898) van de Vlaamse dichter Alfred Hegenscheidt; in het vijfde bedrijf van dit drama zingt de skald Starkadd een lied, waarin hij de vermoorde koning, Froth, betreurt, en het is hier dat de schrijver gebruik maakt van het originele Germaans rijm:

 
Er barst uit mijn binnenst een bittere zang,
 
En vlijmend doorflitst mij een vliegende vlam
 
Wanneer ik denk aan u, o Froth;
 
En sidderend zoekt mijne ziel den dag
 
Als schielijk doorschiet haar in scheemrenden nacht,
 
De droom van uw dood, o Froth... (enz.)

Guido Gezelle schreef van de alliteratie:

De Stafrijmen zijn gelijk Stapstenen, waarop men Steunt met de Stemme, latende al wat daartussen valt maar vluggelings en in 't voorbijgaande uitgesproken.

Geheel verdwenen is de alliteratie overigens nooit; zij blijft gebruikt worden als klankschilderend, versterkend element. Wil zij deze werking hebben, dan zal zij moeten voldoen aan deze twee voorwaarden:

a.verbinden wat bij elkaar hoort, en
b.suggestief van klank zijn.

Mooie voorbeelden van alliteratie zijn:

 
Met zwart- en zwaren zwaai aan 't werken door de grauwe,
 
de zonnelooze locht, ik de oude rave aanschouwe.
 
 
 
Guido Gezelle
[p. 78]
 
... alleen gedreven
 
door zoele zomer-winden in de lage reven.
 
 
 
Karel van de Woestijne
 
Alleen één schaamle pelgrim voelt, ontzet, wreedaardig
 
Der onmacht looden boei zijn lamme lende omvaên.
 
 
 
Geerten Gossaert
 
De dichter, met een wijle uit woorden saamgeweven,
 
En rond zich als een waas van weemoed uitgespreid.
 
 
 
Geerten Gossaert
 
... vaatwerk, bros van bruine breuken.
 
 
 
J.C. Bloem
 
Zoete meisjes, die zelve niet weten
 
hoe innig en zacht ze bederven
 
slenteren in blue jeans, zweten,
 
zien rood van het langzame sterven
 
van het roestende licht op hun wangen
 
 
 
Leo Vroman

§83. Eindrijm

Men spreekt van eindrijm als de beklemtoonde klinkers plus de daarop volgende klanken gelijk zijn. Het eindrijm wordt nog onderverdeeld in:

mannelijk of staand rijm als op de beklemtoonde rijmende syllabe geen andere meer volgt (gaan: staan),

vrouwelijk of slepend rijm als de beklemtoonde lettergreep nog door een onbeklemtoonde gevolgd wordt (kopen: lopen),

glijdend rijm als na de geaccentueerde nog twee onbeklemtoonde syllaben volgen (kinderen: hinderen).

§84. Assonantie of klinkerrijm; acconsonerend rijm

In tegenstelling tot het hierboven behandelde volrijm spreekt men van halfrijm als alleen de klinkers van de beklemtoonde lettergrepen, niét de voorafgaande of volgende medeklinkers, rijmen. Vooral in de oudere Middelnederlandse poëzie kwam dit vrij veel voor:

 
Het waren twee conincskinderen,
 
Si hadden malcander so lief;
 
Si conden bijeen niet comen.
 
Het water was veel te diep.
[p. 79]

Bij acconsonerend rijm is er overeenkomst van klank tussen de medeklinkers:

 
Ter eene ea andre zijde rondt zich de kling der kust
 
Naar een vervloeiden einder van zee, lucht, land en mist.
 
 
 
J.C. Bloem

§85.

Op nog enkele mogelijkheden willen wij hier wijzen: Men spreekt van rime riche (rijk rijm of gelijk rijm) als het woord in zijn geheel herhaald wordt; dit kan zijn tweemaal het woord in zijn zelfde betekenis, doch ook twee homoniemen. Het rime riche kan het gedicht iets kinderlijks, iets naiefs geven, in de volkspoëzie komt het dan ook nog wel eens voor. Zo b.v. bij J.H. Speenhof in De ontslagen tuchthuisboef:

 
Toen die ziek was van't zwelgen
 
Toen die dol van vrijheid was,
 
Brulde ie een lijzig liedje,
 
Dat al uit de mode was.

Meer nog treffen wij het aan bij cultuurdichters, die pogen in de volkstoon te schrijven. Men zie b.v. de bewerking van François Villons slotstrofe van Les Lais door J.W.F. Werumeus Buning:

 
Toen ik dan nu het einde schreef'
 
Vanavond, eenzaam, onbezonnen,
 
Prevelend, voor de pen het schreef.
 
Hoorde ik de klokken der Sorbonne
 
Die in den vroegen nacht begonnen
 
Het Weesgegroet, dat de engel spreekt.
 
Toen hield ik stil, en werd verwonnen,
 
En bad, zooals het harte spreekt.

Het veelvuldig gebruik van rijk rijm is overigens gewoonlijk eerder een teken van armoe dan van rijkdom bij de dichter.

§86.

Men spreekt van dubbelrijm als niet één doch meer beklemtoonde syllaben aan het eind van de versregel rijmen. Hierdoor kan het vers een weelderig-rijke klank krijgen, doch het gevaar voor gekunsteldheid is niet denkbeeldig. Slechts de zeer groten onder de dichters kunnen ongestraft gebruik maken van deze mogelijkheid. Een enkele strofe uit Boutens' Amor inevitabilis als voorbeeld:

 
'Uw oogen willoos neêrgetogen
 
Door weeldepijn van wondren lust,
 
Zaagt gij het spiegelteêr bewogen
 
Beeld uwer Schoonheid Onbewust,
 
En zijt uit hooge sfeer gebogen
 
En hebt den schoonen schijn gekust...
[p. 80]

Een ander mooi voorbeeld vinden wij bij J.H. Leopold:

 
dan zal komen de dromenvrouw
 
zacht over den grond
 
zij de vrome, die schromen zou
 
zoo zij wakenden vond.

Dat het dubbelrijm bij deze dichters niet gekunsteld en niet gewild aandoet, komt mede door de subtiele accentverschuiving: de rijmende syllaben verschillen bij goed lezen in klemtoon. Van de andere kant kan het dubbelrijm door zijn opzettelijkheid een bedoeld komisch effect hebben. Met dit doel zien wij het b.v. gebruikt door Daan Zonderland in een van zijn Redeloze Rijmen:

 
Een oude man in Gaasterland
 
Die nam een bronzen vaas ter hand
 
En sloeg - niet zonder tegenzin -
 
Zijn goede vrouw de schedel in.
 
 
 
Toen men hem daarop arresteerde
 
En naar de reden informeerde,
 
Zei hij - zonder plichtplegingen -
 
‘Uit schoonheidsoverwegingen.’

§87.

Onder binnenrijm verstaan wij het in één en dezelfde versregel gebruiken van op elkaar rijmende woorden. Het klassieke voorbeeld hier is het lied uit Adriaen Valerius' Nederlandtsche gedenck-clanck (1626) op het ontzet van Bergen-op-Zoom:

 
Merck toch hoe sterck Nu int werck sich al steld!
 
Die 't allen tij Soo ons vryheyt heeft bestreden:
 
Siet hoe hij slaeft, graeft en draeft met geweld!
 
Om onse goet En ons bloet En onse steden.
 
Hoor de Spaensche trommels slaen! Hoor Maraens trompetten!
 
Siet hoe komt hij trecken aen! Bergen te besetten.
 
Berg op Zoom Hout u vroom Stut de Spaensche scharen
 
Laet 's Lands boom End' syn stroom Trouw'lyck toch bewaren.

Andere voorbeelden zijn:

 
Vervager der dagen, zo stadig in 't jagen,
 
Hoe vliegt gy, hoe vliegt gy zo trage?
 
Nooyt susten uw 't rusten, of zoude 't u lusten
 
Een minnaar, een minnaar te plagen.
 
 
 
Jan Luyken
 
O krinklende winklende waterding
 
 
 
Guido Gezelle
 
Daar gingen ze, zingende, hand in hand
 
 
 
M. Nijhoff
[p. 81]

Van middenrijm spreken wij, als woorden niet aan het einde doch in de versregel rijmen op overeenkomstig geplaatste woorden in de volgende regel:

 
T'en syn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,
 
Noch die verradelijck u togen voort gericht,
 
Noch die versmadelyck u spogen int gesicht,
 
Noch die u knevelden, en stieten u vol puysten.
 
 
 
J. Revius

§88.

Rijmen de eerste lettergrepen van de achtereenvolgende versregels, dan spreekt men van voorrijm. Zo b.v. in Epikurisch feestgezang van P.A. de Genestet:

 
Ruischende wanden, en schitterende zalen,
 
Bruisende bekers en ramlende schalen,
 
Blinkende toortsen in flonkrend kristal,
 
Klinkende kelken en jubelgeschal!
 
Schaatrende buiea van lachen en zingen,
 
Klaatrende stroomen en kurken aan 't springen;
 
Spreien van dons voor het uitgerekt lijf,
 
Reien van vrinden in 't zalig verblijf! (enz.)

Ten slotte vindt men nog een enkele maal het zgn. overlooprijm, waarbij de klank aan het eind van de versregel herhaald wordt aan het begin van de volgende. Evenals het voorrijm heeft het gewoonlijk een speels effect:

 
Heer Schimmelpenninck weet van sparen:
 
jaren at hij boter, vleesch noch visch!
 
Dat erger is,
 
Heer Schimmelpenninck is in 't geven
 
even milde of waar 't een varwe koe,*
 
en nog niet toe.
 
Nochtans heeft hij veel geld gewonnen,
 
tonnen gouds: hij voerde koopvaardij,
 
en kocht daarbij
 
het goed te Schimmelpenninckhoven,
 
boven d'honderd-vijftig bunder groot...
 
en, gaat hij dood,
 
wat zal heer Schimmelpenninck hebben?
 
Rebben, rompe en al in 't graf geleid,
 
plus de eeuwigheid!
 
 
 
Guido Gezelle

Zoals de voorbeelden aantonen kan de suggestieve werking van het rijm groot zijn. Vergeten wij echter niet dat (zoals Dr. C.F.P. Stutterheim opmerkte), ook juist variatie in klank een grote suggestiviteit kan hebben. Zo

[p. 82]

in de twee slotregels van onderstaand fragment uit P.C. Boutens' Liefdesuur, waar dank zij deze wisseling van klank als het ware een waaier van licht voor ons opengaat:

 
En boven glansbeloopen
 
Westersche schans in groene hemelweî
 
Straalt Venus' gouden aster open
 
Zoo plotseling en puur...

§89.

De rijmwoorden aan het eind van de versregel kunnen op verschillende manieren ten opzichte van elkaar gerangschikt zijn. Enkele geregeld voorkomende rijmschema's zijn (gelijke letters geven rijmende woorden aan): a a a a: slagrijm. Door zijn opzettelijkheid krijgt het slagrijm gemakkelijk een komisch effect, zoals blijkt uit het volgende fragment uit De boterham en de goudzoeker van De Schoolmeester, waar de vader wiens gezin juist met een tweede zoon verrijkt is, zich als volgt laat horen:

 
Wat doe ik met twee? - Wat heb ik er an?
 
Zoo'n tweede sieraad
 
Van mijn huwelijksstaat,
 
Die in 's levens ontlokenen dageraad
 
Zich reeds tweemaal alhier te verslikken staat,
 
Terwijl hij in toomloze overdaad,
 
Zijn buik als een pakschuit op marktdag laadt,
 
En zijn ouders vertroost met de hoop op zwart zaad,
 
Pak jij, kameraad!
 
Maar spoedig je biezen en poets me de plaat.
 
Jij, klaplooper, voort! of wij krijgen 't te kwaad.

Geheel anders natuurlijk is de uitwerking van het assonantie-procédé dat M. Nijhoff toepast in zijn Awater: elk der onderdelen bestaat uit op een zelfde klinker assonerende verzen, zodat, zoals Vestdijk zegt, een‘grandioze monotonie’ ontstaat, ‘te vergelijken met een golfslag-rhythme, waarin de toevallige volrijmen als onregelmatige accenten opklinken.’

 
De stoker werpt steenkolen op het vuur.
 
De machinist staat leunend uit te turen.
 
Buiten de kap, boven de rails-figuren
 
beginnen de signalen hun prelude.
 
De klok verspringt van minuut naar minuut.
 
Weer roept zij, de locomotief; voortdurend
 
roept zij, roepend dat het te lang reeds duurt.
 
Haar zuil van zuchten wordt een wolkenkluwen. (enz.)

a a b b c c: gepaard rijm. Het gepaard rijm is een rijmschema waar vooral de verhalende poëzie en het versdrama gebruik van maken. De Ridderro-

[p. 83]

mans, Van den Vos Reinaerds, Beatrijs, zij alle zijn in gepaard rijm geschreven. Hetzelfde merken wij op bij de moderne verhalende poëzie, b.v. De Kinderkruistocht van M. Nijhoff:

 
Zij hadden een stem in het licht vernomen:
 
‘Laat de kinderen tot mij komen.’
 
 
 
Daar gingen ze, zingende, hand in hand,
 
Ernstig op weg naar het Heilige Land,
 
 
 
Dwalende zonder gids, zonder held,
 
Als een zwerm witte bijen over het veld. (enz.)

a b a b: gekruist rijm.

 
Wilhelmus van Nassouwe
 
Ben ick van Duytschen bloet,
 
Het Vaderlandt getrouwe
 
Blijf ick tot inden doet. (enz.)

a b b a: omarmend rijm. Het omarmend rijm zien wij wel gebruikt in gedichten die in kwatrijn-vorm geschreven zijn: het geeft de strofe een zekere voltooidheid, een geslotenheid:

 
Laten wij zacht zijn voor elkander, kind -
 
want o, de maatlooze verlatenheden,
 
die over onze moegezworven leden
 
onder de sterren waaie' in de oude wind.
 
 
 
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
 
het trotsche hooge woord van liefde spreken,
 
want hoeveel harten moesten daarom breken
 
onder den wind in hulpeloos verdriet. (enz.)
 
 
 
A. Roland Holst

a b c b of a b a c: gebroken rijm.

 
Het werd mijn droom in 's werelds kring
 
volkomen zorgeloos
 
een schelp te zijn, een suizend vuur,
 
een rank, een wilde roos,
 
 
 
onkundig van geluk en lecd,
 
van plan en overleg,
 
het stuifmeel dat de wind verwoei,
 
lichtzinnig langs den weg, (enz.)
 
 
 
Anthonie Donker

a b c a b c: verspringend rijm. Het verspringend rijm is een schema dat wijwel aantreffen in de twee terzetten van een sonnet. Het rijmschema a b c d a b c d komt zelden voor, omdat hier het rijm zijn betekenis nagenoeg verloren heeft: er is een te grote pauze tussen de twee rijmklanken, m.a.w. men is de eerste ‘vergeten’ als de tweede klinkt.

[p. 84]
 
Gij hebt de witte en roode rozebladen
 
Gebeurd in uwe smalle hand, - zij vielen
 
Vochtig en sidderend weer in 't diepe gras.
 
Hoe zal dan 't hart van even teedere schade
 
Genezen, nu om u de rozen vielen,
 
Nu uwe handen stil zijn, diep in 't gras.
 
 
 
J.W.F. Werumeus Buning

§90.

Het rijm is geen wezenlijk kenmerk van de poëzie. Zo zien wij zowel in de gedichten van de Romantiek (Bellamy b.v.) als in die van de twintigste eeuw herhaaldelijk het rijmloze vers (Engels: blank verse, Nederlands: blanke verzen) optreden.

 
Vandaag
 
vraag ik meer dan enkel het oor
 
van mijn liefhebber
 
 
 
vandaag
 
zou ik gekust willen worden
 
door mijn vrienden
 
 
 
daarom
 
spreek ik vandaag met andere,
 
rechtere woorden
 
 
 
andere
 
woorden voor de voorbijgangers
 
in de straten
 
 
 
Hans Lodeizen, 1924-1950

Toch zien wij hoe de dichtkunst telkens terugkeert tot het soms met verachting verlaten rijm. (Jacob Geel, de belezen en dichtlievende negentiendeeeuwer, riep verontwaardigd uit: ‘Het rijm, die beschaafde barbaarschheid.’) In het begin van dit hoofdstuk werd reeds gewezen op

a.de suggestieve kracht die van de klank, dus zeker van de herhaalde klank, het rijm, kan uitgaan. Het rijm is echter ook
b.een zeker spel-element in de poëzie. Zoals Frederik van Eeden schreef: ‘Men spreekt de woorden uit om henzelven, en men verheugt zich als zij echo vinden in een ander woord.’
Andere factoren die de waarde van het rijm kunnen uitmaken zijn:
c.door zijn regelmatige terugkeer aan het einde der versregels sluit het deze a.h.w. af, de zichtbare vorm van het vers wordt nu ook beter hoorbaar;
d.de verwachting van de rijmklank wekt een zekere spanning op, die dan gevolgd wordt door de ontspanning;
e.door het rijm kunnen bepaalde woorden a.h.w. onderstreept worden.

Vooral het mannelijk rijm kan van een forse kracht zijn; men lette b.v. eens

[p. 85]

op het slot van het Lied van heer Halewijn, waar de harde rijmklanken als met forse bekkenslagen het symfonisch gedicht besluiten:

 
Toen ze aen haers vaders poorte kwam,
 
Zy blaesde den hoorn als een man.
 
 
 
En als de vader dit vernam,
 
't Verheugde hem dat zy weder kwam.
 
 
 
Daer werd gehouden een banket,
 
Het hoofd werd op de tafel gezet.

Metrum en ritme

§91.

Bij elke regel die wij lezen, bij elke zin die wij uitspreken, merke