[p. VII]
Aan......
Aan U, mijn' blijde, lieve jeugd
,
Aan U mijn hart en hand
,
Op mijn reis met ‘Alles zingt’
Door heel het Vaderland
.
Mijn wil en hart zijn goed genoeg
Om U wat aan te biên;
Maar goud of zilver heb ik niet
.
Dat krijgt ge niet te zien
.
Geen' schatten draag ik met mij om
.
'K geef dus wat anders nu
.
Al wat mijn hoofd en hart bezit
,
In liefde geef ik 't U!
Maar, zooals uit één eikel soms
Te voorschijn komt een woud
,
Zoo groeit voor U licht' uit mijn woord
Een schat van meer dan goud
.
Mocht dat eens waar zijn, hoe ik dan
Mij stil verheugen zou!
Hoe 'k God zou danken, dat Hij mij
Zulk zaaizaad geven wou!
P. Louwerse
.