4. Hoe rijk ik ben.
Voor al het zilver, al het goud,
Voor al de diamanten,
Voor al de paarlen, die er zijn,
Voor kisten vol brillanten,
Koopt gij geen' Moeder, lief en goed!
En 'k heb er toch zoo eene. Moet
Ik nu niet zeggen: ‘Menschen, wat
Bezit ik toch een' grooten schat?’