terug  begin  verder

6. Wie vader is.

 
Altijd werken, altijd zwoegen,
 
'S morgens vroeg en 's avonds laat,
 
Of de sneeuw stuift langs de straten
 
Of de zon te branden staat,
 
Dat doet Vader dag aan dag.
 
Dag aan dag doet Vader dat.
 
Of ik nu niet zeggen mag:
 
‘Och, wat goede man is dat!’
[p. 5]
 
‘Zoudt ge nu niet even rusten,
 
Manlief?’ zegt mijn' Moeder vaak.
 
Maar hij schudt het hoofd en zegt dan:
 
‘'K ben niet klaar nog met mijn' taak,
 
Hier nog dit en daar nog dat!
 
Daar nog dat en hier nog dit!
 
Maar, wil 'k u eens zeggen, wat?
 
'K zal toch blij zijn, als ik zit!’
 
 
 
Zoo gaan dagen, zoo gaan weken,
 
Ja, zoo gaan er jaren voort,
 
En 'k heb uit zijn' mond nog nimmer
 
Ééne onnoozele klacht gehoord.
 
Wat een schat bezit ik dan!
 
Wat bezit ik dan een' schat!
 
Wat zou 'k arm zijn, 'k schrik er van,
 
Als ik eens geen' Vader had!

terug  begin  verder