16. De kleine koetsier.
Een' stoof en een stoel en
Een paard van papier,
Meer heeft hij niet noodig
En Jan is koetsier.
Die Jan is mijn broertje,
Een kind van drie jaar,
En heeft hij zijn rijtuig
Geheel in mekaêr,
Dan roept hij al lachend:
‘Wie rijdt met mij meê?
Kijk, hier op den bok is
Wel ruimte voor twee.
En binnen in 't rijtuig
Is plaats nog voor vier!
Stapt in, goede menschen!
Ik ben de koetsier!’
Zoo spreekt hij en rijdt hij
En schatert van pret,
Tot Moeder hem toeroept:
‘Koetsier, nu naar bed!’