[p. 14]
17. Met vader alleen.
Ik leef met mijnen Vader
Zoo eenzaam, heel alleen;
Want, ach, mijn beste Moeder
Is heen, voor altijd heen.
Veel zwart gekleede mannen
Zijn met Haar heengegaan;
Maar hebben 's daags te voren
Haar in een' kist gedaan.
Die kist was meer dan prachtig!
Maar och, ik gaf wel wat,
Als zij die niet gekregen
En ik mijn' Moeder had!
Doch zeg ik dat aan Vader,
Dan ziet hij mij eens aan,
En 'k zie in zijn' blauwe oogen
Twee groote tranen staan.
Ik zal het niet meer zeggen,
En weent dan Vader toch,
'K omhels Hem dan en fluister:
‘Stil, Gij hebt mij toch nog!’