[p. 17]
20. Eentje minder.
Als wij saâm aan tafel zaten
Was zij heelemaal bezet,
En, al was ons plaatsje klein ook,
Toch had ieder onzer pret.
Maar eens op een' droeven morgen
Is mijn zusje heengegaan,
Weg, voor altijd, en haar stoeltje
Bleef nu in een hoekje staan.
Nu zit iedereen wat ruimer!
'T brengt gemak voor allen aan.
Toch denkt ieder: ‘Mocht één stoeltje
Weer op 't oude plaatsje staan!’