21. Eentje meer.
Wij zaten aan tafel heel nauw bij mekaêr,
Och, ja, dat is waar!
En 't klonk onder 't eten natuurlijk heel gauw:
‘Wat zit ik toch nauw!’
‘Niet één kan er bij meer!’ zoo riep men in koor,
En meenens was 't, hoor!
Maar o, wat ellende! Daar kwam op een keer
Een etertje meer!
[p. 18]
Wij keken heel nijdig; maar ieder zag ras
Hoe lief broertje was.
Toen lachten wij allen, en heel indermin'
Schoof ieder wat in.