30. Stief-moedertje.
Ze zeggen, ik heb er geen' Moeder,
Geen echt eigen Moedertje meer.
Wat dat toch wil zeggen, begreep ik,
Begreep ik nog niet éénen keer.
Want zegt ze niet dikwijls al lachend:
‘Ge zijt toch een liev'ling van Moe'!’
En ga ik naar bed om te slapen
Dan kust ze mijne oogekens toe.
Toen 'k ziek was zat zij aan mijn bedje
En paste mij op, dag en nacht,
En toen ik mocht eten, heeft zij mij
Het lekkerste hapje gebracht.
Ze leerde de handjes mij vouwen
En bidden: ‘Och zie, Lieve Heer,
‘Als wij hier vannacht liggen slapen,
In liefde op ons allen terneer!’
Zij geeft mij te drinken en te eten,
En kleeren zoo mooi, als er zijn,
Dat zou toch geen' vreemde voor mij doen!
Dàt doet maar een Moedertje-mijn!
[p. 28]
Ze zeggen, - och, 'k laat ze maar praten, -
En 'k wensch allen kinderen toe,
Wanneer ze geene eigen Moe' hebben,
Zoo'n tweede en zoo'n bovenste Moe'.