terug  begin  verder

34. Leve Jan de knecht!

 
Dat is draven uit den treuren,
 
Dat is loopen, geen gebrek!
 
Nu is hij op 't achterplaatsje,
 
Dan alweer in 't woonvertrek.
 
 
 
Nu weer boven op den zolder,
 
Dan weer buiten op de straat!
 
Zoo gaat dat maar voort van 's morgens
 
Dikwijls zelfs tot 's avonds laat!
 
 
 
Eerst moet hij de laarzen poetsen!
 
Dan geeft hij den kippen voer;
 
Later brengt hij mij naar school heen;
 
Eind'lijk moet hij naar den boer.
[p. 31]
 
Bakken vol met steenkool dragen,
 
Turven halen uit het hok,
 
Kachels stoken, water halen,
 
Kleeden uitslaan met een' stok.
 
 
 
Ieder komt hem iets belasten:
 
Moe' zegt dit en Va' zegt dat!
 
Soms komt zelfs het linnenmeisje
 
En die zegt hem ook nog wat.
 
 
 
Duizend ooren moet hij hebben
 
Om te hooren wat men zegt;
 
Duizend handen heeft hij noodig
 
Anders komt geen stuk terecht.
 
 
 
Duizend hoofden moet hij hebben
 
Om te weten wat men moet;
 
Duizend voeten heeft hij noodig
 
Om te loopen, als hij doet.
 
 
 
En toch, tusschen al die drukte,
 
Zingt hij nog een vroolijk lied;
 
Hoor eens, wie dat kan begrijpen,
 
Ik begrijp dat leven niet!
 
 
 
Nog te zingen, nog te fluiten,
 
Als men nooit eens heeft gedaan,
 
Werd het mij belast, dan zou er
 
Wel een' zware wijs op gaan.
 
 
 
O, als ik dat moest volbrengen,
 
Kwam er niemendal terecht,
 
Daarom wil ik luidkeels roepen:
 
‘Jongens, leve Jan de knecht!’

terug  begin  verder