[p. 32]
35. Goede voornemens.
Mijn vader is een timmerman;
Hij klopt en schaaft en boort.
En leven maken, dat hij kan!
Zoo hebt ge 't nooit gehoord! -
Des morgens vroeg, als ik op bed
Gerust te slapen lig,
Dan hoor ik, als ik er op let,
Zijn zaag al gaan: zag-zig.
En sta ik van mijn bedjen op,
Met de oogjes half nog dicht,
Ik hoor alweer maar: ‘Klop-klop-klop!
Het is al vier uur licht!’
Mijn vader is een timmerman;
Ik word het, zooals hij,
Opdat ik voor hem werken kan,
Zooals hij nu voor mij.