36. Schoonmaken.
Gansche dagen; plis-plas,
Of 't een' groote zee was;
Emmers, boenders, dweilen,
Gaan uit scheepje-zeilen;
En in 't midden van dat meer
Gaat de bezem op en neer.
[p. 33]
Heele dagen kris-kras,
Of het een' fabriek was;
Leien, schriften, boeken,
Alles moet men zoeken;
En bij dat fabriekgeluid
Lacht de schoonmaakvrouw ons uit.
Gansche dagen plis-plas!
Och, dat alles schoon was,
Boven en beneden,
Dan was ik tevreden;
Want een huis zoo zwart als roet,
Zie, dat vind ik ook niet goed.