37. De schoorsteenveger.
Ieder voorjaar komt hij weer
Met zijn' bezems, haken, touwen,
In den schoorsteen schoonmaak houën,
En het gaat dan op en neer.
Een zit dood op zijn gemak
Boven op den nok van 't dak.
Een zit onder voor het gat
Heelemaal met roet bestoven,
En roept aan den man daar boven
Nu en dan een woord of wat.
'T klinkt dan ak'lig: ‘boe, boe, boe!’
Dat zegt vast: ‘Ik ben zoo moê!’
[p. 34]
Met zoo'n zwarten man op 't dak
En zoo'n zwarten daar beneden,
Beef ik over al mijn' leden,
En 'k ben niet op mijn gemak.
Ik denk ieder oogenblik:
Is dat ook een kinderschrik?
Kinderschrik! ge lacht er om,
En ge zegt: ‘Hoe kan het wezen,
Dat ge voor zoo'n man kunt vreezen?
Foei, ge zijt nog vrees'lijk dom!’
Ja, ik weet dat alles, maar
'K word met Mei ook pas vijf jaar.