39. Het is dom.
Mijn' zus speelt met haar' pop,
En op den grond
Zet onze hond
Een mutsjen op den kop.
Wil 't popje graag haar' zin,
Dan wordt zus kwaad,
En ja, dan slaat
Zij er háár zinnetje in.
En gaat de muts niet vlot,
Dan scheurt de hond
Vol nijd, terstond
Haar in een wip kapot.
[p. 36]
Ik zeg nu maar: ‘Ei, ei!
Wie zoo regeert,
Die doet verkeerd.
'T is dom van allebeî!’