terug  begin  verder

[p. 38]

12. Mijn speelpopje.

 
Daar ligt zij in haar bedje
 
En met de beentjes bloot,
 
Te springen en te draaien
 
Te gillen en te kraaien;
 
Zij lacht haar' wangen rood.
 
 
 
Nu grijpt zij naar mijn' ketting,
 
Of grabbelt in mijn haar;
 
Dan trekt ze mij aan de ooren,
 
Of haalt mijn goed naar voren,
 
En lacht en springt dan maar.
 
 
 
Dat popje nu, heet Daatje,
 
En 't is mijn kleine zus.
 
En als haar al dat spelen
 
Ten leste gaat vervelen,
 
Geef ik haar gauw een kus.

terug  begin  verder