44. Benjamin.
Mijn oudste broer was negen
En ik al zeven jaar,
En tusschen hem en mij was
Een enkel zusje maar.
Ik was dus 't jongste zoontje,
Maar op een morgen, zie,
Was ik zoowaar niet langer
De jongste van de drie.
‘Kijkt, kind'ren,’ zeî een' baker,
‘Is dat nu geen pleizier?
Is dat geen pret? Hier is nu
De jongste van de vier.’
‘En hoe zal die nu heeten?’
Vroeg ik met blijden zin.
‘Wel, jongen,’ zeî de baker,
‘Ik denk van Benjamin!’
[p. 40]
'T is Benjamin geworden,
En wie hier komt zegt wis:
‘Ik zie wel dat de jongste
Hier ieders liev'ling is.’