51. Mijn hondje.
Ik heb een snoep'rig hondje.
Het is een aardig beest,
Het heeft mij nooit gebeten
En 't is nooit vuil geweest.
Ik hoorde 't nimmer grommen.
En als het kind'ren ziet,
Die ‘Pak ze! Pak ze!’ roepen,
Dan blaft of bijt het niet.
[p. 50]
Het snoept ook niet van 't eten;
Het steelt ook nooit van 't brood;
Het snuffelt in geen vuilnis;
Het trapt nooit in de goot.
'T is nimmer weggeloopen
En 't blijft, van vroeg tot laat,
Maar altijd in de kamer:
Het taalt niet naar de straat.
Maar och, dat lieve beestje,
Het leeft ook niet, wel neen!
'T staat op den schoorsteenmantel.
Mijn hondjen is van steen.